Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.

De verkiezing maakt blij!

Jaargang: 
12
Datum: 
21 feb. 2018
Nummer: 
4
Schrijver: 
J.A. Sikkens
ID:
1825
Rubriek: 

'De Dordtse leerregels krijgen de handen niet op elkaar' en 'preken over de Dordtse leerregels is achterhaald'. Het was de conclusie van een forumavond in Nijkerk over de Dordtse Leerregels aan het begin van 2018. Aanleiding voor deze forumavond vormde het feit dat het dit jaar 400 jaar geleden is dat de Synode van Dordrecht, die de leerregels opstelde, vergaderde. De Leerregels zijn ook onderdeel van onze kerkelijke papieren. We belijden ons persoonlijke geloof, maar dat is tegelijk ons gemeenschappelijk geloof. Het gemeenschappelijk geloof van de christelijke kerk, wat overgeleverd is aan de heiligen. Toen wij belijdenis deden van ons geloof, hebben wij ook in het openbaar getuigd dat de Dordtse Leerregels, dat 400 jaar oude document, Gods Woord naspreken. Maar, krijgen de Leerregels bij ons de handen op elkaar? Als onze predikanten over de Leerregels zouden preken, wat zou onze reactie zijn? Maakt Gods raadsbesluit van eeuwigheid ons blij?

Een veracht leerstuk

Prof. Kamphuis heeft zich ook met deze vraag bezig gehouden, blijkt uit een referaat in het boek 'Begrensde ruimte', waarin artikelen en lezingen van hem zijn verzameld. Hij constateerde ook al dat er zijn die op de Leerregels spuwen. Ze kunnen er alleen met haat en verachting over spreken. Sommigen van hen zijn opgevoed met de gereformeerde leer, maar hebben met deze leer gebroken. Een voorbeeld is de schrijver Maarten 't Hart. In een van zijn boeken schrijft hij over de leer dat God van eeuwigheid de één verkiest tot zaligheid en de ander verwerpt, dat deze leer zijn denken vergiftigde. Anderen zeggen het niet zo cru, maar de afwijzing is er wel degelijk. Het is een menselijk dogma, opgesteld door strenge calvinisten, die daarmee de mogelijkheid tot verdraagzaamheid en tolerantie hebben afgesneden, door het begrip van genade heel nauw te maken en dat bindend op te leggen.

Toch een beetje begrip

Wat moeten we met zulke opvattingen? Is het ergens toch ook niet een beetje te begrijpen dat men in de loop van de afgelopen vierhonderd jaar wel eens is gestruikeld over de leer van de eeuwige uitverkiezing?

Want, het is toch ook wel een donkere schaduw over het licht van die blijde boodschap, als in hoofdstuk 1, artikel 6, wordt beleden dat Gods eeuwig besluit er de oorzaak van is, dat Hij in dit leven aan sommige mensen het geloof schenkt, terwijl Hij dat aan anderen onthoudt.

Wordt de schaduw niet nog donkerder als artikel 7 daaraan toevoegt dat de uitverkiezing is een onveran-derlijk voornemen van God, waardoor Hij voor de grondlegging van de wereld uit het hele menselijke geslacht - dat door eigen schuld de oorspronkelijke gerechtigheid verloren en zich in zonde en ondergang gestort heeft - een vast en groot aantal mensen in Christus tot het heil heeft uitgekozen?

Alsof het dan nog niet donker genoeg is, schrijven de Leerregels in artikel 15 dat niet alle mensen zijn uit-verkoren. Sommigen is God namelijk in zijn eeuwige uitverkiezing voorbijgegaan en naar zijn volkomen vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen, heeft God besloten hen in de gemeen-schappelijke ellende te laten, waarin zij zichzelf door hun eigen schuld gestort hadden.

 

Kunnen we niet een beetje begrip opbrengen voor de mensen die gebukt gaan onder deze schaduw van de Leerregels of er zelfs openlijk afstand van genomen hebben?

Geen karikatuur

Terwijl die oproep tot begrip dan klinkt en de kritiek op de Dordtse Leerregels sterker wordt, mogen wij juist vasthouden aan de blijde leer van de Dordtse Leerregels. Want ja, het is blijde leer! Het zou ons moeten brengen tot de lofzang op de God-van-de-uitverkiezing!

Maar, dan moeten we wel goed zien waarover we het hebben. Een karikatuur is namelijk zo gemaakt. Zoals bijvoorbeeld de karikatuur van een noodlot: God heeft eens in de eeuwigheid besloten: déze kies ik uit voor de zaligheid en díe verwerp ik. We weten ook dat wat de Heere zegt, Hij dat ook doet! Zoals Hij het dus eens heeft besloten, zo zal de zaak worden afgewikkeld. Bij Hem is geen zweem van ommekeer, dus het besluit staat vast en daar is niets meer tegen in te brengen. Hoe noodlottig!

Geen geloofsblijdschap

Wanneer dit de karikatuur is in onze eigen gedachten van de blijde, gereformeerde leer, dan zullen we nooit tot de lofzang op de God-van-de-uitverkiezing komen. Dan belemmert het onze geloofsblijdschap. Dan zullen we er nooit toe komen de eeuwige daden van God te bezingen en Hem te aanbidden.

 

Met deze karikatuur worden de zaken namelijk precies omgedraaid. Wij, het maaksel van Zijn handen, roepen Hem, de Schepper, tot verantwoording. De rechtvaardiging, zeggen we dan, dáár komen we met U wel uit, maar de verwerping, daarover roepen wij U wél ter verantwoording. Wij kunnen het namelijk niet begrijpen en daarom moet U ons dat eerst maar eens nader verklaren.

Alsof wij, zondige mensen die gerechtvaardigd moeten worden, de Rechtvaardige van eeuwigheid moeten vrijspreken. Als we zo doen, dan zullen we in het donker verdwalen of zelfs in haat tegen God uitbarsten en - misschien alleen maar in gedachten - de vuist tegen hem opheffen.

Onze eigen positie

Laten we ons niet gevangen nemen door karikaturen die onze blijdschap kunnen uitdoven. Laten we ons richten op de Bijbel, waarin de Heere tot ons spreekt, ook over Zijn handelen. Voordat we daarnaar gaan luisteren, moeten we ons er allereerst terdege van bewust zijn wie wij eigenlijk zijn. Hoe spreekt de Schepper tot ons? Hij spreekt niet tot ons als waarnemers aan de zijlijn die worden uitgenodigd om iets te gaan vinden van Zijn werk. Nee, de Heere spreekt ons aan in de positie waarin wij in werkelijkheid staan: mensen, in zonde gevallen, die met alle mensen schuldig staan voor God en nog steeds elke dag de schuld groter maken.

Dat is nu onze eigen positie tegenover Hem. Een positie die ons klein maakt. Een positie die ons ook klein houdt. Van die positie moeten we ons diep doordrongen weten, zodat we dagelijks onze schuld voor Hem brengen: wilt U ons onze zonden vergeven en ook de slechtheid die altijd nog in ons is.

Als wij onze positie als pottenbakkersklei, als schepselen tegenover de Schepper, kennen, dan straalt het licht van het Evangelie in de donkerheid. Dan klinkt het Evangelie van de Christus, die de zonden van wereld op Zich nam.

 

Tot zover zullen veel christenen met ons meegaan. Inderdaad, er wordt instemmend geknikt, laten we het hebben over de vergeving van de zonden en laten we daar blij over zijn, maar laat alstublieft dan het spreken over de uitverkiezing achterwege. Laten we elkaar vasthouden op de punten die ons binden en niet met elkaar gaan strijden over discussiepunten. Want we hebben elkaar in deze goddeloze en ontkerstende wereld toch zo hard nodig? Wie heeft dan behoefte aan een strijd over dingen die ons alleen maar van elkaar verwijderen?

Wat denkt U van...

Maar dan stelt de Heere Jezus ook ons vraagt: wat denkt u over de Christus? En Hij onderwijst ons zelf met de brieven van Petrus (1 Petr. 1:19,20): Christus is het onberispelijk en vlekkeloos lam. Hij is wel van tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, maar in de laatste tijden geopenbaard omwille van U. Door hem gelooft u in God.

De Heere Christus is niet zomaar iemand, die 'toevallig' in de vaart der volkeren is geboren. Een heiland-figuur die op enig moment op de wereld kwam. Nee, Hij is het Lam van God, die God heeft gekend vóór de wereldgeschiedenis en heeft aangewezen als het Lam om de zonden van de wereld weg te nemen.

Let wel, vóór de wereldgeschiedenis. Voordat de wereld geschapen is, werd Hij al aangewezen als het Lam. Hij, de eeuwige Zoon van de Vader, werd vóór de tijd al aangewezen om in de volheid van de tijd Middelaar van het Verbond te worden. Daarom stond Hij al klaar, toen Adam viel. Daarom ook de moederbelofte in Genesis 3:15. Daarom ook die Oudtestamentische offerdienst. Daarom het paaslam. Allemaal richtingwijzers naar Hem, die vóór de grondlegging van de wereld al aangewezen was, en in de volheid van de tijd naar de aarde komen zou.

 

Toen, vóór de grondlegging van de wereld, heeft God besloten om de uitverkorenen aan de Zoon te geven. Degenen die door God gekend waren, zijn door Hem aan de Zoon gegeven. Dat is ook wat artikel 1.7 van de DL belijdt: God heeft voor de grondlegging van de wereld uit het hele menselijke geslacht ... een vast en groot aantal mensen in Christus tot het heil uitgekozen.

Het is deze Christus, die als Middelaar in Gods Raad is aangewezen en die naar de aarde is gekomen. Het is deze Christus, die Middelaar is van Gods verbond, waarin wij zijn opgenomen, waarvan de doop in Zijn Naam getuigt. De Leerregels getuigen hierin van Gods grote en rijke genade!

Kom en ga mee!

En nu? Hoe spreekt Christus tot ons? Zegt Hij, kom maar bij mij langs, dan zal ik je laten weten of je in het boek des levens staat, of niet? Stelt Hij zichzelf beschikbaar als informatiebron, als zoekmachine? Nee, Hij doet het heel anders. Hij zegt: Kom tot mij! Wie in de Zoon gelooft, wordt niet geoordeeld. Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Ik ben de steen, die de bouwvakkers afgekeurd hebben, maar die tot hoeksteen is geworden.

Hij zegt: kom en ga mee! Wie dan meegaat, komt niet bedrogen uit. We mogen thuiskomen bij de Vader in de Zoon door de kracht van de heilige Geest. In die geloofsgang naar Christus, die als Lam werd aangesteld vóór de grondlegging der wereld, mogen wij ons door Hem gekend weten vóór de grondlegging der wereld. Zó worden wij verzekerd. Altijd in gemeenschap met de Zoon. Nooit buiten Hem om, maar in Hem zéker.

Verwerping

Maar, tot zover de verkiezing, maar hoe zit het dan met de verwerping? Dat is toch niet iets om blij van te worden? Inderdaad, op zichzelf genomen is de verwerping helemaal geen zaak om blij van te worden. De Dordtse Leerregels spreken daarom over de verwerping heel anders dan over de verkiezing. Ze spreken er niet over als in een wiskundige formule: de verkiezing is de bron van het geloof en de goede werken, dus is de verwerping op dezelfde wijze de oorzaak van het ongeloof en goddeloosheid. Zo spreken de Leerregels juist niet.

 

Hoe we er wel over moeten spreken, lezen we in de 2e brief van Petrus (2 Petr. 2:6,7). De Heere Christus is de hoeksteen, die eerst werd afgekeurd door de bouwers, maar daarna tot een hoeksteen is geworden. Die hoeksteen is echter ook een steen des aanstoots geworden en een struikelblok, voor hen namelijk die zich aan het Woord stoten, door ongehoorzaam te zijn. Het zijn de mensen die zich ergeren aan Christus, die zich stoten aan deze Machtige Rots. Wie onder het Evangelie leeft en dan over het Evangelie struikelt, moet vervolgens niet gaan klagen over verkiezing en verwerping.

 

Ook bij het spreken over de verwerping van eeuwigheid moeten wij onze eigen plaats en eigen situatie goed kennen. We spreken vanuit de situatie van een wereld, die in zonde verloren ligt. Daarom zeggen de Leerregels ook dat God beslist niet de bewerker van de zonde is, maar dat Hij is de ontzagwekkende, onberispelijke en rechtvaardige Rechter en Wreker (artikel 15).

Stil en klein

Begrijpen wij het? Is dit leerstuk van de kerk voor ons logisch? Nee, maar we gaan niet debatteren over hoe het naadje van de kous zit, want we worden stil. Niet opstandig. Wel klein. Klein voor deze hoge God, die volkomen rechtvaardig handelt. Daarin hebben wij Hem lief en eren we Hem, ook al is dat met een hart dat beeft door eigen zonde en eigen schuld.

 

We kunnen over dat ontzaglijke besluit, dat de Heere in zijn besluit van verkiezing sommigen is voorbijgegaan, op zichzelf niet blij zijn. Maar, wij zijn niet beter in onszelf. Daarom te meer: dat wij wél zijn weggeroepen en weggehaald uit die donkerheid, dát is het wonderlijke. Het is het wonder van genade dat de Zoon ons altijd weer tot Zich roept en bij de Vader thuis brengt. Niet automatisch, maar door Hem op Zijn roepstem te gehoorzamen.

Niet actueel?

Het hart van de mensen was en is arglistig. Dit is er door de gang van de tijd niet beter op geworden. De stelling dat de Dordtse Leerregels niet meer 'van deze tijd zijn', is daarom ook niet te begrijpen. De Leerregels zijn heel actueel, juist als we onszelf door de voortdurende prediking steeds beter leren kennen en de macht, de drift, de impact van de zonde in ons eigen leven onderkennen. Juist dan wijzen de Leerregels nog steeds de goede weg: ze wijzen ons naar de Heere Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hoe meer we onszelf leren kennen, hoe meer we ons vastklemmen aan de Heere, die ons gekocht heeft met Zijn kostbaar bloed en die ons brengt aan het Vaderhart.

 

Is de prediking van dit Evangelie niet meer actueel? Moeten we dit stuk kerkgeschiedenis als een zwarte bladzijde zo snel mogelijk vergeten? Zeer zeker niet! In de Geliefde zijn wij de geliefden, geborgen in het eeuwig Vaderhart. Laten we daarom vierhonderd jaar na het opstellen van de Leerregels, dit belijdenisgeschrift niet uit ons kerkboek scheuren, maar het vasthouden, omdat het in alles Gods eigen Woord naspreekt. En getuigt van de rijke en grote genade van God, geopenbaard in Jezus Christus!