Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Zonde in een heilige gemeente

Jaargang: 
10
Datum: 
21 okt. 2015
Nummer: 
2
Schrijver: 
C. Koster
ID:
1560


1 Kor. 5:1-5:

Inderdaad men spreekt van hoererij onder u, en zulk een hoererij, als zelfs onder de heidenen niet voorkomt, dat iemand leeft met de vrouw van zijn vader. En gij zijt opgeblazen in plaats van u veeleer te bedroeven, en dus de bedrijver van die daad uit uw midden te verwijderen? [...] Wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de kracht van onze Here Jezus, leveren wij in de naam van de Here Jezus die man aan de satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heren.

Zonde stilgehouden

In 1 Kor. 5 snijdt de apostel Paulus een nieuw onderwerp aan. We weten dat Paulus ingaat op een aantal onderwerpen waarover de gemeente van Korinthe hem geschreven heeft. Tegelijk zijn andere onderwerpen in die brief van de Korintiërs verzwegen. Zo moest Paulus via de huisgenoten van Chloë horen dat er twisten waren in de gemeente. En ook heeft Paulus, mogelijk via andere weg, vernomen van een andere grove zonde in de gemeente. Namelijk de zonde van hoererij.

Waarom zouden de Korintiërs deze zonde niet genoemd hebben in de brief aan Paulus? Het was geen geheime zonde, waar niemand van afwist. Het gaat immers over een openlijke zaak. En ook Paulus is het te weten gekomen. Iedereen wist van de zonde af. Waarom traden ze er niet tegen op? Waarom vroegen ze Paulus hierover geen advies? Misschien vonden de Korintiërs deze zonde niet erg? Wat in ieder geval duidelijk is: in de gemeente werd deze zonde getolereerd en de zondaar werd niet bestraft. En dat is heel erg. Allereerst is het erg voor de zondaar zelf. Want de zondaar wordt niet gewezen op de ernst van zijn zonde. Hij wordt niet teruggeroepen tot de Here. Ook is het erg voor de gemeente. Want als de gemeente deze zonde tolereert, dan is heel de gemeente verantwoordelijk voor deze zonde. Dan zijn ze ook schuldig tegenover de Here.

Daarom gaat Paulus erop in, om de gemeente van Korinte op dit punt ernstig te vermanen.

Ernstige zonde

Wat was dan de situatie in de gemeente van Korinte? Een gemeentelid had seksuele omgang met de vrouw van zijn vader. Dat was niet zijn eigen biologische moeder, maar zijn stiefmoeder. Deze vrouw was geen lid van de gemeente, anders had de gemeente de roeping om ook haar van de gemeenschap der heiligen uit te sluiten. Maar nu wordt alleen deze broeder aangesproken.

De broeder, die deze zonde begaan had, leeft in die zonde. Het Griekse woordgebruik geeft aan dat het een voortdurende zonde is. Er is een blijvende omgang tussen deze broeder en zijn stiefmoeder. Wij mensen kunnen de neiging hebben om aan een zondige situatie te wennen. Maar Paulus benadrukt juist dat de zonde blijvend verkeerd is. Hoe langer de zonde voortduurt, hoe ernstiger de situatie!

Paulus noemt deze zonde bijzonder grof. Zelfs bij de heidenen werd zoiets schande genoemd. Daarmee wil Paulus zijn argumenten des te meer kracht bijzetten. Vooral om te benadrukken dat christenen toch heilig (moeten) zijn. Zij zijn geroepen uit de wereld, zij behoren anders te zijn dan de zondige wereld. Christenen horen immers bij God, zij hebben Christus leren kennen.

Zonde en hoogmoed

De gemeente van Korinte had sowieso al een verkeerde houding, ze waren trots en hoogmoedig. Maar nu Paulus deze zonde in de gemeente noemt is de houding van de gemeente wel bijzonder triest te noemen. Hoe kunnen ze zo trots zijn, terwijl zo´n zonde gewoon een plaats mag hebben in de gemeente? Ze moeten rouw bedrijven en verdrietig worden. En dat moet niet alleen een droefheid naar de wereld zijn, zonder bekering. Maar het moet een droefheid zijn die God behaagt. Een droefheid die gepaard gaat met daden van bekering en verbetering. Zo zegt Paulus dat letterlijk in vers 2: verdrietig zijn en dús de bedrijver van die daad uit hun midden verwijderen.

Paulus heeft zijn oordeel geveld. Deze volhardende zondaar moet verwijderd worden uit de gemeente. En hij wil dat de gemeente in eigen vergadering tot datzelfde besluit komt. Zo kunnen ze samen in de naam van de Here Jezus overgaan om de zondaar aan de satan over te leveren. In de naam van de Here Jezus betekent, dat de Here Jezus zelf bij dat oordeel betrokken is. Wat de apostel en de gemeente bindt of ontbindt, dat is in de hemel gebonden of ontbonden (Mat. 16 en 18). Zo wordt en blijft de gemeente heilig. En wordt de zondaar mogelijk, als God dat geeft, nog gered.

Toch tot behoud

Dit overleveren aan de satan betekent dat deze zondaar buiten de gemeente van Jezus Christus en het rijk van God wordt gezet. Dat is excommunicatie, hij wordt van de gemeente afgesneden. Hij wordt dus niet beschermd door God en Christus, maar valt onder de macht van de satan. Maar als de zondaar buiten de gemeente gezet wordt, dan is hij nog niet buiten Gods regering. En juist daarom kan Paulus zeggen dat het doel van de uitsluiting is dat de zondaar toch behouden mag worden. Doordat de zondaar wordt afgesneden van de gemeente, kan de zondaar de ernst van zijn zonde gaan inzien. Zo is dat nog steeds in de kerk van vandaag. Tucht en afsnijding zijn er om de zondaar te zoeken, zodat hij zich kan bekeren en behouden worden.

Geen geduld

Overigens is het opvallend dat Paulus niet aanspoort tot vermaan van de zondaar. Paulus zegt dat ze terstond moeten overgaan tot afsnijding. Terwijl bij andere zonden, bijvoorbeeld van de twisten in de gemeente en van dronkenschap bij het Avondmaal, Paulus veel geduldiger lijkt. Hoe kan dat? Allereerst leefde deze zondaar al geruime tijd in zonde. Het was niet een struikeling, maar hij bleef echt in de zonde liggen.

Verder kan het ook te maken hebben met de wetgeving van het Oude Testament. Een onopzettelijke zonde wordt anders beoordeeld (Num. 15:22-31) dan een opzettelijke zonde, dat is een zonde die met voorbedachten rade is begaan. Bovendien wordt in de kuisheidswetten in Leviticus deze zonde van 1 Kor. 5 genoemd en verboden (Lev. 18:7). Daarbij wordt gezegd dat ieder die iets van al deze gruwelen doet, uit het midden van hun volk uitgeroeid moet worden (Lev. 18:29). Paulus gebruikt in 1 Kor. 5 bijna dezelfde bewoording als in Leviticus.

Waarschijnlijk heeft Paulus om deze twee redenen de gemeente aangespoord om deze zondaar af te snijden van de gemeente.