Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Zoekt het Koninkrijk van God

Jaargang: 
1
Datum: 
15 aug. 2007
Nummer: 
29
Schrijver: 
Ad.J. Koekkoek
ID:
126
Rubriek: 


Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. Mattheüs 6:33 (SV)

Een van de ontwikkelingen die de leden van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt aan het eind van de vorige eeuw steeds meer zorgen baarde, was de toenemende verzwakking van de gereformeerde organisaties, gelet op de normen van Schrift en belijdenis. Steeds meer bleek het onmogelijk deze maatschappelijke verbanden van binnenuit te reformeren. Het was één van de overwegingen bij de oproep tot reformatie in 2003.
Maar nu, na de vrijmaking van 2003, hebben we helemaal niets meer. We zijn met zo’n klein aantal, dat er niet meer aan valt te denken dat we op één of ander terrein nog een vuist kunnen maken. Dan kan de vraag opkomen: hoe moet het nu met ‘de arbeid in Gods Koninkrijk’ waar die verschillende organisaties voor stonden? Zijn we niet helemaal machteloos geworden?

Afval

Wanneer zulke vragen bij ons bovenkomen, zouden moedeloosheid en fatalisme kunnen toeslaan: “Het is met ons gedaan.” Maar laten we elkaar er dan aan herinneren dat de situatie waarin wij verkeren niet zo heel nieuw is in de geschiedenis van de kerk. Die komen we al tegen in het Oude Testament. We beperken ons hier tot de grote Reformatie van de zestiende eeuw. Daarin werd gebroken met het bederf dat eeuwen lang in de Roomse kerk had kunnen voortwoekeren. In de belijdenisgeschriften die in deze periode werden opgesteld, kwam de leer van de Schrift tot onze verlossing weer in alle helderheid naar voren. Deze belijdenisgeschriften kregen in ons land hun bekroning in de leerregels die de synode van Dordrecht van 1618-1619 opstelde tegenover de dwaalleer van de remonstranten.
De zegen van de Heer van de kerk breidde zich in de zeventiende eeuw uit over het hele volk. Deze periode werd later niet voor niets als ‘de gouden eeuw’ betiteld. Maar al na enkele generaties, in de achttiende eeuw, kwam de verslapping en de achteruitgang weer. Ons land was in die tijd zeker niet minder welvarend en rijk dan in de eeuw daarvoor. Er hoefden geen kostbare oorlogen meer gevoerd te worden, en als de vrede al werd verstoord, dan was dat nooit voor lang. Toch werden steeds meer tekenen van verval zichtbaar. Groen van Prinsterer beschreef het in zijn Handboek der Geschiedenis van het Vaderland in het hoofdstuk met de titel “Afval” zo:

    De Republiek [= Nederland, AJK] daalde steeds lager, tot ze nauwelijks een mogendheid was; de staatsregeling werd, meer nog dan tevoren, een bron van willekeur en verwarring: de godsdienst verviel, het ongeloof won veld; verdeeldheden brachten partijwoede en burgerkrijg teweeg; zodat Nederland, van God afgevallen en door God verlaten, voor verandering van regeringsvorm en omkering van de staat, voor vreemde overheersing en losmaking der banden van maatschappij en samenleving, rijp gemaakt werd.

De schrijver benadrukt in zijn uitwerking hiervan dat dé bron van het bederf en de nationale zelfvernedering gezocht moet worden in het kerkverval. P. Jongeling, bij wie we dit citaat vonden, trekt de lijn door naar zijn dagen, de jaren zestig van de vorige eeuw. Hij heeft als commentaar:

    Ook het geestelijk aspect van Nederland in onze dagen zou met dat ene woord ”Afval” kunnen worden gekarakteriseerd. Ook voor onze dagen geldt, dat de nationale neergang voor velen nog wordt gecamoufleerd door het feit dat er toch grote welvaart heerst. Ook nu is de grote meerderheid van het volk, ja zelfs van de Nederlandse christenen, blind voor het verband tussen kerkbederf en nationale verwording.

Nu, vijftig jaar later, kunnen deze woorden opnieuw ongewijzigd worden overgenomen.

Nieuwe bloei

Aan het begin van de negentiende eeuw was de synode van Dordrecht met de daar genomen besluiten bijna een vloekwoord geworden in kerkelijk Nederland. Ook zij die nog gereformeerd wilden leven en belijden, hadden de grootste moeite om tot een duidelijk en eendrachtig getuigenis te komen. De Afscheiding van 1834 was zo bezien een wonder. Jonge, onervaren predikanten en ongeleerde mensen lieten zich weer onderwijzen door de Geest van het Woord. Zij kwamen ertoe zich los te maken van een kerkgenootschap dat een spel speelde met de waarheid van God, de Nederlandse Hervormde kerk die in 1816 door de overheid was gesticht. In het verlengde van de reformatie van de kerk die door deze afscheiding plaats vond, kwam er ook weer oog voor, dat de gehoorzaamheid aan het Woord van God en de trouw aan de daarop gebaseerde belijdenis, consequenties had voor het hele leven. Een samenhang die voor de eerste generaties na de Reformatie zo vanzelfsprekend was geweest, maar die onder invloed van de Franse revolutie was prijsgegeven. Jongeling hierover:

    Zo hebben onze vaderen het verstaan. Zo heeft een man als Groen van Prinsterer het gezien en het, zij het met zwakheden en gebreken, beleden. Uit die gehoorzaamheid aan het Woord Gods zijn in de vorige [= negentiende, AJK] eeuw de kerkstrijd, de schoolstrijd, de politieke en de sociale strijd ontstaan. In al die dingen ging het om gehoorzaamheid aan het ene, ondeelbare Woord Gods, om de worsteling aan het ene front van de antithese.

Een van de eerste zorgen van de afgescheidenen was het onderwijs. Niet alleen het onderwijs aan mannen die naar het predikambt stonden, maar ook het onderwijs aan de kinderen van de kerk. Niet dat er in de beginjaren veel mogelijkheden waren om er iets aan te doen. De kerkelijke strijd en de vervolgingen verhinderden dat. Bovendien waren er geen wettelijke mogelijkheden om te komen tot stichting van een school voor bijzonder onderwijs. Toch kan wel worden gezegd dat vanaf de jaren veertig een strijd van tachtig jaar begon, die pas met de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs in 1920 eindigde.
A. Kuyper (1837-1920) was de man die niet alleen op het gebied van kerk en school, maar ook in de politiek en op het maatschappelijke vlak het gereformeerde volk in beweging wist te krijgen. Van hem is die bekende uitspraak dat er ‘geen duimbreed’ is van heel het brede mensenleven waarvan Christus niet zegt: dat behoort Mij toe. Deze opbloei van het gereformeerde leven, tot zegen voor heel de samenleving, kan met recht het wonder van de negentiende eeuw worden genoemd.
Maar ook daarna herhaalde zich de geschiedenis. In de loop van de twintigste eeuw zien we een geleidelijke achteruitgang optreden, waartegen al in de jaren twintig bezorgd gewaarschuwd wordt. De oprichting van het weekblad DE REFORMATIE is één van de vruchten van deze zorg. Het heldere zicht op de kerk en haar eerste taak: de verkondiging van het koninkrijk van God, in het kader van de hele bijbelse openbaring, ging verloren. Het liep uit op de Vrijmaking in 1944.

Wat éérst komt

P. Jongeling heeft beschreven hoe het na de Vrijmaking van 1944 verder ging in de synodaal gebleven kerken. Hij typeerde de processen die hij signaleerde als ‘het stille sterven’.

    Vanwaar dit stille sterven? Het is een kwestie van het hart, waarin de uitgangen des levens zijn. Het kan altijd voorkomen, dat bepaalde mensen verachteren in de genade, de rechte kijk op Gods Woord kwijt raken, door de dwaling bevangen worden. Maar wanneer wij zien, dat zoiets op grote schaal over bijna de gehele linie gebeurt, dan is het hoog tijd om te gaan letten op wat er in de kerk geschiedt.

Ja, en wat er in die jaren in de synodaal gebleven kerken gebeurde, was niet best. Jongeling vestigt de aandacht op de grote waardering die in deze kerken aan het licht kwam ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de theoloog Karl Barth (10 mei 1956). “Ziende blind”, schrijft hij boven deze paragraaf.

    Ziende blind. Want men ziet en zegt het zelf: Het Gereformeerd karakter van de kerken, van de Vrije Universiteit, van het middelbaar onderwijs, van de organisaties der gereformeerde gezindte, gaat verloren. En toch is men blind, want men kláágt er niet over, maar vindt het zo bèst, en men beijvert zich om het ontbindingsproces te bevorderen.
    Kan ook een blinde een blinde geleiden? Zullen zij niet beiden in een put vallen?

Jongelings waarschuwing van toen is zonder veel moeite over te plaatsen naar de tijd waarin wij leven. We hebben aan het eind van de 20ste eeuw de neergang in snel tempo meegemaakt, zowel in de kerken als op het gebied van de gereformeerde organisaties. En men beijvert zich nog steeds overal om het ontbindingsproces te bevorderen. De vrijmaking van 2003 kwam bepaald niet te vroeg.
Maar wat zijn we klein! Is er nog te werken in het Koninkrijk van God? Ook deze vraag kwam eerder aan de orde. Dat was kort na de Vrijmaking van 1944. In 1948 werd in Amersfoort het Congres van Gereformeerden gehouden. Het ging toen vooral om de gevolgen van de kerkstrijd voor de politieke organisatie. Daar ligt dan ook het begin van het inmiddels ter ziele gegane GPV. Maar de zaken die in Amersfoort aan de orde kwamen, hadden een ruimere betekenis. Dat blijkt vooral wanneer we het referaat lezen dat prof. Greydanus bij die gelegenheid hield. Daarin ging het om de verhouding tussen de kerk en het koninkrijk van God. Benadrukt werd dat de kerk niet alleen voedsel voor de ziel geeft. Zij heeft Gods Woord te verkondigen voor het hele menselijke leven en alle menselijke verhoudingen en arbeid.
In de jaren zestig sloot ds. L.A.F. Godschalk hierbij aan met zijn waardevolle studie over het koninkrijk van God naar de Schriften.
Wie deze dingen overweegt, komt tot de conclusie dat we bij het koninkrijk van God niet in de eerste plaats moeten denken aan het georganiseerde gereformeerde leven. Het gaat om iets veel fundamentelers. Wat zijn de zegenrijke gevolgen wanneer het evangelie van het koninkrijk van God wordt verkondigd, en aan die prediking gelovig gehoor wordt gegeven? Dat heeft tot gevolg dat de mens wordt hersteld in zijn positie t.o.v. de Here God zoals die van het begin af was bedoeld. Die was namelijk door de zondeval verloren gegaan. En wat dat betekent, zien we allemaal dagelijks voor ons in ons eigen leven en om ons heen. Daar is in het horizontale vlak geen redden aan. Dat kan alleen door Christus. Hij moet dan ook gepredikt worden, telkens weer, terwijl we tegelijk horen hoe het nieuwe leven dat we in Hem ontvangen er uit ziet. Een leven in overeenstemming met Gods wil. Dat is de voedingsbodem voor alle christelijke actie en activiteiten in de samenleving. En wie bij die laatste woorden klaagt dat onze actieradius nu dan toch wel heel klein is geworden, heeft het nog niet begrepen. Het koninkrijk van God is daar, waar we weer beginnen te leven naar zijn wil. Daar hebben we allemaal elke dag onze handen vol aan. Persoonlijk en kerkelijk. Daar worden we weer met onze neus bovenop gedrukt, nu menselijkerwijs gesproken ons alle mogelijkheden uit handen zijn geslagen. En al die andere dingen dan? Die worden u in de schoot geworpen.

Verder lezen: C.G. Bos, Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1945, Derde druk. Groningen 1984; L.A.F. Godschalk, Het Koninkrijk Gods naar de Schriften. Met enkele bijdragen en een woord ten geleide van prof. dr. A.W. Begemann. Groningen 1968; P. Jongeling, Het stille sterven; tekening en toetsing van politieke en geestelijke verschuivingen op christelijk erf. Uitgave Stichting Gereformeerd Gezinsblad, Groningen z.j.