Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Zoekt de dingen die boven zijn

Jaargang: 
1
Datum: 
18 apr. 2007
Nummer: 
15
Schrijver: 
Ad.J. Koekkoek
ID:
73
Rubriek: 

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:1-4)
Pasen en Pinksteren vallen niet op één dag. Dat is zelfs een vaste uitdrukking geworden. Als iemand iets onwaarschijnlijks beweert, is de reactie: “Ja, als Pasen en Pinksteren op één dag vallen!” Met andere woorden: dat zal wel nooit gebeuren! Want we weten allemaal: er zitten vijftig dagen tussen.
Dat was al zo bij Israël. In de wet van Mozes werd de jaarlijkse viering van bepaalde feesten voorgeschreven. Op de viering van het Pascha volgde meteen het feest van de eerstelingen van de oogst, en zeven weken daarna, op Pinksteren, de dankdag voor de oogst (Leviticus 23).

De schaduwen van de wet

De jaarlijks feesten behoorden tot de oudtestamentische ‘schaduwen’, die met Christus’ komst konden verdwijnen. Hij heeft immers met zijn verzoenend sterven en zijn opstanding het Pascha vervuld, en door de uitstorting van de Geest de grote oogst op de akker van de wereld laten beginnen.
Niettemin heeft de christelijke kerk het goed geoordeeld, deze feesten opnieuw in te stellen, maar dan om de heilsfeiten van Christus’ opstanding en van de uitstorting van de Heilige Geest te herdenken. Dat kreeg in de vierde eeuw zijn beslag. Hierbij werd ook wel gekeken enerzijds in de richting van de Joden, die nog steeds hun Pascha vierden, en anderzijds in de richting van de heidenen met hun voorjaarsfeesten.
Nu hoeven feestdagen die de Here niet bevolen heeft, maar door mensen zijn ingesteld, ons niet te verhinderen er op eigen wijze inhoud aan te geven. Daarom houden wij als gereformeerden wel enigszins rekening met het z.g. kerkelijk jaar, omdat zo de uiterlijke band met de christenheid als geheel wordt vastgehouden. Maar wij zullen het zeker niet slaafs volgen. Want daarvoor zitten er teveel bezwaren aan vast.
De moeite is namelijk dat het z.g. kerkelijk jaar ons de heilsfeiten wil laten herbeleven. De gedachte die daarachter ligt, is deze: Als wij ons in deze tijd van het jaar houden aan de vijftig dagen - met daarin Hemelvaartsdag – die volgens de Schrift tussen Pasen en Pinksteren in liggen, kunnen wij die periode als het ware opnieuw beleven zoals de discipelen die beleefden. In verband hiermee wordt aandacht gevraagd voor allerlei uiterlijkheden zoals de viering van het Avondmaal speciaal op Goede Vrijdag, het branden van kaarsen, en het gebruik van liturgische kleuren.
Dat is vreemd aan de gereformeerde traditie. Let maar op wat de Heidelbergse Catechismus doet. Die behandelt de heilsfeiten eenvoudig bij de bespreking van de Apostolische Geloofsbelijdenis. Dan zitten er maar drie weken tussen Zondag 17 en Zondag 21, tussen ‘Pasen’ en ‘Pinksteren’. En het kan gemakkelijk gebeuren dat er in een heel andere periode van het kerkelijk jaar over deze Zondagen wordt gepreekt.

De werkelijkheid van Christus

De kerkelijke feesten van Pasen en Pinksteren vallen niet op één dag. Toch vormen de heilsfeiten waar deze feesten naar verwijzen, een onlosmakelijke eenheid. Dat wordt duidelijk wanneer we Handelingen 2 lezen.
Op Pinksteren wordt Jezus, de gekruisigde, gepredikt als Degene die door God is opgewekt en opgevaren is naar de hemel, waar Hij zit aan de rechterhand van God. Petrus wijst er nadrukkelijk op in zijn toespraak op de Pinksterdag: “Mannen van Israël, hoort deze woorden: Jezus, de Nazoreeër, een man u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood. God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden.” (22-24)
Op Pinksteren wordt ook hoorbaar en zichtbaar dat Hij vanuit de hemel zijn belofte waarmaakt dat Hij de Trooster zenden zou. “Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des Heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort.” (33)
De Geest wordt uitgestort; de Geest, die levend maakt, en dat ook door allerlei tekenen en wonderen bevestigt. Maar de Geest maakt tegelijk in daden van gericht duidelijk dat Hij niet met Zich laat spotten. Denk aan de geschiedenis van Ananias en Safira (Hand. 5), aan Simon de tovenaar in Samaria (8:20), of aan de valse profeet Elymas op Cyprus (13:10-12).
Pinksteren is de dag waarop velen het door Petrus gesproken woord aanvaardden, en zich lieten dopen, zodat er op die dag ongeveer drieduizend zielen werden toegevoegd. (2:41) Het begin van de wereldwijde gemeenschap van gelovigen die haar eenheid vindt in het geloof in de opgestane Heer, wier leven verborgen is met Christus in God; die hemelburgers zijn geworden.
De Geest die met Pinksteren wordt uitgestort, houdt ons ook op de toekomst gericht: de wederkomst van onze Here, die de discipelen op de Olijfberg naar de hemel zagen opvaren. Dan zullen ook wij met Hem verschijnen in heerlijkheid: het laatste heilsfeit.

De nieuwe werkelijkheid van de christen

De eenheid van Pasen en Pinksteren krijgt als het goed is, gestalte in het dagelijks leven van de christen. Daar mankeert nog wel eens wat aan. We hebben al gauw de neiging te denken dat het voornaamste is als de Here ons onze zonden heeft vergeven. Daar bidden wij ook terecht om, op grond van Christus’ volbrachte werk. Maar dat betekent niet dat we vervolgens ons oude leventje kunnen voortzetten. Dat is geen echte bekering.
Ware bekering houdt in, dat God doordringt “tot in het diepst van de mens met de krachtige werking van diezelfde Geest die wedergeboorte werkt; Hij opent het gesloten hart, Hij maakt het harde zacht, Hij besnijdt het onbesnedene, Hij vernieuwt de wil: van dood maakt Hij hem levend, van slecht goed, van onwillig gewillig, van weerbarstig gehoorzaam. Hij brengt de wil zover en geeft deze zoveel kracht, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.” Zo belijden wij het in de Dordtse Leerregels, III/IV, art. 11. En in art. 12 wordt hierover nog gezegd, dat deze wedergeboorte “naar het getuigenis van de Schrift, die ingegeven is door dezelfde God die dit bewerkt, niet minder krachtig is dan zijn werk bij de schepping of de opwekking van doden.”
Zo krijgt Pasen gestalte in ons leven. Wij worden, door het geloof in onze Here Jezus Christus, van dood levend. Wij waren geestelijk dood. Maar in onze bekering staan wij op tot een nieuw leven, dat eeuwig duurt, ook al moet ons lichaam nu nog sterven. Want ons leven is nu met Christus verborgen in God. Geestelijk levend zijn, wat is dat anders dan leven door de Geest van Christus? Dan zijn wij vanzelf gericht op de dingen die boven zijn, waar Hij is, aan de rechterhand van God.
Kolossenzen 3 is een van de Schriftgedeelten waarin de apostel Paulus uitwerkt hoe dat nieuwe leven door de Geest er nu uitziet. Het is een leven uit genade alleen. Dat staat tegenover een leven waarbij wij door onze inspanningen het eeuwige leven kunnen verdienen. Dan staat toch weer de (oude) mens centraal, hoe vroom hij zich ook mag voordoen. Maar dat kan natuurlijk niet meer, wanneer God door zijn Geest zo krachtig in ons werkt. Dan hebben we immers de oude mens afgelegd, en de nieuwe aangedaan.
Om ons die tegenstelling op het hart te binden, beschrijft Paulus in vs 5-11 hoe het leven eruit ziet van mensen die niet uit het geloof leven. Hij spreekt van hoererij, onreinheid, boze begeerte en hebzucht. Wat storten mensen zichzelf en anderen in de ellende! En wat een ellende wacht hun nog, als de toorn van God daarover komt. En wat een rijkdom, wanneer de Geest in ons al die deugden werkt waarvan sprake is in de vss 12-17. Innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Een leven, kortom, dat gestempeld wordt door de liefde tot God en de naaste, de liefde als de band van de volmaaktheid. En de liefde – de hoogste gave van de Geest - is de vervulling van de wet.
Zo wordt de profetie van Jeremia werkelijkheid waarin hij naar het woord van de HERE het nieuwe verbond aankondigt: “Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE, want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.”(31:33)
Pasen en Pinksteren: op één dag; elke dag!