Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Zien, komen en geloven

Jaargang: 
7
Datum: 
27 feb. 2013
Nummer: 
12
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1149


Joh. 6:35-44:

35 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. 36 Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien. 37 Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. ()44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke,

De Here Jezus verklaart niet alleen aan de mensen Wie Hij is. Hij gaat verder, Hij nodigt de mensen nu ook uit. De schare heeft hem gezocht en gevonden (vers 25), maar niet zoals Hij is, niet met het juiste verlangen. Nu Hij hen heeft verteld Wie Hij is, en wat Hij hen kan geven, nodigt Hij hen ook uit: Het ware brood des levens, dàt moeten jullie zoeken. Dàt zal jullie de ware verzadiging geven. Maar kom dan ook zó naar Mij toe als de Zoon van God, zoals Ik Mij nu aan jullie laat kennen.

De schare kwam wel naar Jezus en zàg Hem wel. Maar ze had een heel andere verwachting van Hem. Ze besefte niet waarvoor ze Hem nodig had. En daarom kwam ze niet ècht tot Hem. Ze kwam niet tot Hem om Hem aan te nemen als Verlosser.

Tenzij de Vader hem trekke

Je kunt ook niet zelf in deze wereld je heil zoeken bij Christus. Je kunt niet zelf tot zondebesef komen, om in te zien: ik lig midden in de dood. En om dan vervolgens ook in te zien: ik kan mij zèlf niet verlossen. Ik kan alleen door Gods liefde in Zijn Zoon het leven weer terugkrijgen. Ik moet dus in mijn ellende naar Christus toe.

Nee, wie tot Christus mogen komen, doen dat niet uit henzèlf. Het moet hen gegéven worden door God de Vader. De Vader moet hen trekken door Zijn Woord. Hij moet hen leren (vers 45). Uit zichzelf zal de mens daartegen alle weerstand bieden. Daarom zegt Jezus in vers 44:

Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke,

Tegelijk horen we een dringende en lokkende uitnodiging van de Here Jezus, die we van onze kant niet mógen afwijzen: Wie tot mij komt zal nimmermeer hongeren.

We weten: we kunnen het zelf niet, dat komen. Onze God moet ons roepen èn trekken. Maar tegelijk: laten we toch acht geven op Zijn roepstem en op Zijn uitnodiging en laten we dan ook komen! In het besef van onze zonden. In het besef van onze nood. In de wetenschap dat wij onze Here Jezus Christus nodig hebben. Dat wij geen dag zonder Hem kunnen. Als onze Heiland, die tot ons zegt: Kom tot Mij allen die vermoeid en belast zijt (Matt. 11:28-30).

Ook al hebt gij gezien

Niet iedereen zal komen tot de Here. Want niet iedereen wordt door God de Vader bij Hem gebracht. De schare ging morren omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood dat uit de hemel neergedaald is. Ze namen aanstoot aan de Christus. Hoe haalde Hij, die in hun ogen zo gewone jongeman, het in Zijn hoofd zich zo te verheffen? Alsof ze Hem nodig hadden. Wat verbeeldde deze man zich dat Hij zich Gods Zoon durfde te noemen.

De Here Jezus ziet daarin ongeloof. In vers 36 had Hij al gezegd:

Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij mij gezien.

Kennelijk was het niet genoeg dat ze de Here ook zágen. Wij zeggen wel eens, als wij nu eens de Here zouden zien, wat zouden we dan veel gemakkelijker kunnen geloven. Wat zou onze geloofsblijdschap dan veel groter kunnen zijn. Wat zouden we gemakkelijker kunnen volharden. Ja, dan zou ons geloof toch veel groter en mooier kunnen zijn.

Maar uit de Bijbel weten we dat het zien van de Here Jezus juist bij velen níet heeft geleid tot geloof. Zelfs bij de discipelen was het zien zelf niet voldoende.

De Here moest hen geloof schenken, Hij moest voor hen de Schriften openen en daarvoor niet alleen hun oren maar vooral hun harten openen. Hij moest hen Zijn Geest schenken. Nee, het zien zelf is zeker geen garantie voor geloof. De schare en discipelen nemen zelfs allen een aanstoot aan de Christus als Hij het kruislijden moet ondergaan. Daarom zijn de woorden van Jezus tot Thomas ook ons tot aansporing en bemoediging: Zalig zij die niet zien en toch geloven.

Tot Hem komen

Maar zijn we dan niet te zondig om bij de Here te komen? Dat is wel een van de aanvechtingen die de satan gebruikt om ons van Jezus af te houden. Dat we ons te zondig voelen om de ontmoeting met de Here aan te gaan. Bang als we dan zijn om afgewezen te worden. Bang dat we alsnog geconfronteerd zullen worden met Gods eeuwig oordeel.

Maar Jezus voegt zelf aan Zijn uitnodiging geruststellend toe: als u zó komt, getrokken door Mijn Vader en vol verlangen naar Mij als uw enige Zaligmaker, wees dan niet bang dat Ik u zal wegstoten. Vers 37:

Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen,

en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.

Komen en geloven liggen dicht bij elkaar. Deze twee worden hier wel onderscheiden, maar het geloof ligt in het verlengde van het komen. En als je eenmaal in de Here Jezus gelooft dan zal je tot Hem willen blijven komen.

De houding waarmee we tot de Here moeten komen vraagt bekering, inzicht in eigen ellende en de noodzaak voor verlossing. Als we zó komen, zullen we ook echt kunnen geloven. Dan kunnen we werkelijk de Here Jezus Christus en al Zijn schatten aannemen. Dan kunnen we werkelijk ten volle gemeenschap met Hem en Zijn Vader hebben.

Komen tot de Here Jezus Christus is het komen tot het Brood des levens. En geloven is: dat Brood dan éten. Gééstelijk eten. Innige gemeenschap mogen hebben met Christus door Zijn Geest. Dat betekent eten van dit Brood.

Komen en geloven, ze horen bij elkaar. Want wie komt, zal niet door Christus worden afgewezen. Wie komt zal werkelijk ook gemeenschap met Hem mogen hebben. Want het is het werk van de Vader, dat de mensen kómen. Hij trekt, zodat zij komen. Door Hem worden ze uitverkoren en geroepen. De Here maakt hen hongerig naar het evangelie. Zodat ze zich voor hun Here en Heiland willen buigen en tot Hem vluchten met hun zonden en hun gebreken. Daarom noemt de Here Jezus deze twee in onze tekst ook in één adem:

wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.

We mogen hier wel aan de tekst denken uit Jesaja 55:1:

O, alle dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk.

(wordt vervolgd)