Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

De zelfstandigheid van de plaatselijke kerk in een gereformeerd kerkverband

Jaargang: 
5
Datum: 
15 jun. 2011
Nummer: 
23
Schrijver: 
A. van Egmond
ID:
863
Rubriek: 

Onderstaande hoofdartikel is eerder uitgesproken als korte lezing tijdens de presentatie van de Opleiding tot de Dienst des Woords op 26 maart jl.

Kerkrecht

Eén van de vakgebieden binnen de Opleiding tot de dienst des Woords waarbij aanvullend onderwijs aan de studenten wordt gegeven is het kerkrecht. En als we het over kerkrecht hebben dan staat ons natuurlijk de kerkorde, zoals we die achterin ons kerkboek hebben, met enkele kleine aanpassingen voor de huidige situatie, voor ogen. Een kerkorde die als doel heeft dat de aangebrachte vrede door onze Here Jezus Christus zonder wanordelijke toestanden verkondigd kan worden. En dat die vrede ook gestalte krijgt in een ordelijk samenleven als kerken met elkaar onder de heerschappij van Koning Christus. Om dat doel te bereiken hebben de kerken allerlei afspraken gemaakt die neergelegd zijn in de kerkorde.
Aan die afspraken zijn alle kerken binnen hetzelfde kerkverband gebonden.
Zij verbinden en geven zich vrijwillig aan elkaar in een gereformeerd kerkverband. Maar nooit zo dat hun zelfstandigheid wordt prijsgegeven.
In het aanvullend onderwijs zullen we daarom, naast een verdieping in de Schriftuurlijke leer over de ambten en de toepassing van de kerkelijke tucht, nader ingaan op de betekenis van het kerkverband voor de plaatselijke kerken.

Independentisme

Er is in de kerkgeschiedenis altijd veel te doen geweest over de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk en haar plaats binnen een gereformeerd kerkverband. En het blijft ook in onze tijd nodig om daar een goed zicht op te houden. Om niet te vervallen in het kwaad van het independentisme. Dat is een stroming die in de kerkgeschiedenis steeds de kop opsteekt en gekenmerkt wordt door het stelsel dat elke plaatselijke kerk oordeelt dat zij onafhankelijk van zusterkerken zal uitmaken hoe en wat er in haar zal worden geleerd en hoe zij zal worden geregeerd.
We zien dit kwaad in de nieuwtestamentische brieven al naar voren komen. Bij de gemeente te Korinte o.a. . De apostel Paulus berispt deze gemeente omdat zij met betrekking tot het optreden van de vrouwen in de gemeente een eigen koers vaart, 1 Korintiërs 14:34. Hij wijst de gemeente er daarom op dat in Korinte de vrouwen geen andere positie mogen innemen dan in alle andere gemeenten der heiligen. Zo heeft dus de ene kerk rekening te houden met het gevoelen en de praktijk van de andere kerken.
De zucht naar onafhankelijkheid zien we ook in de derde brief van de apostel Johannes. Daar waarschuwt Johannes voor een zekere Diotrefes. Deze is gevallen voor het kwaad van de hiërarchie, de heerszucht. Ook één van de middelen waarmee de duivel de opbouw van de kerk tracht te ondermijnen. Deze Diotrefes tracht de eerste te zijn in de gemeente, een plek die alleen Koning Christus toekomt.
Maar daarnaast wordt ook duidelijk dat hij streeft naar onafhankelijkheid van de gemeente. Want hij weigert Johannes, apostel nota bene, te ontvangen. En hij weigert ook de broeders die zijn uitgegaan ter wille van de Naam te ontvangen. Predikers van het evangelie dus, waarvan Johannes schrijft dat zulke mannen ontvangen behoren te worden om met hen samen te werken voor de waarheid.

Plicht tot kerkverband

In de recente artikelen in De Bazuin van ds. P. van Gurp over de periode vlak na de Afscheiding hebben we kunnen lezen dat ook de afgescheiden kerken al snel te maken kregen met het kwaad van het independentisme.
Hetzelfde valt te zeggen van de periode na de Vrijmaking in 1944. Korte tijd na deze vrijmaking werd nl. door diverse predikanten geponeerd dat de Schrift niet gebiedt om een georganiseerd kerkverband aan te gaan. Een georganiseerd kerkverband, met allerlei bepalingen en regels, zou wel geoorloofd zijn maar niet door de Schrift geboden.
Deze gedachte kwam naar voren naar aanleiding van wat prof. dr. K. Schilder eens schreef over de afkondiging van een collecte voor hulpbehoevende kerken in een classis. Daarover doordenkend, over hulpbehoevende kerken, schreef hij toen: “Dat zijn we, vond ik, allemaal. Vandaar ook dat kerkverband, waarvoor de Here Christus gebloed heeft, om het ons als vrijgemaakt weer te geven”.
Het onderhouden van het kerkverband was voor Schilder geen zaak van vrijblijvendheid, van mogen, maar van moeten, van goddelijke plicht. Een plicht die opkomt en voortkomt uit het verzoenend werk van onze Here Jezus Christus. En die gegrond is in het gebed om eenheid van onze Heiland in Johannes 17.
Het is die geestelijke eenheid van de gelovigen, ze zijn immers één in het ware geloof, die dringt tot een eenheid die ook in het zichtbare tot uiting komt. In een georganiseerd kerkverband dat in wezen een verbond van plaatselijke kerken is.

Tegenstand

De tegenstand die tegen deze voluit Schriftuurlijke gedachtegang rees mondde tenslotte uit in het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken. De volle nadruk werd, in de periode voorafgaande aan het tot stand komen van deze kerken, door woordvoerders hiervan gelegd op het zelfstandig zijn van de plaatselijke kerk. En met betrekking tot het voor bindend aanvaarden van besluiten van meerdere vergaderingen en het uitvoeren van kerkordelijke bepalingen heerste er bij hen een geest van vrijblijvendheid. Daarmee werd de reeds ingeslagen weg van vlak na de vrijmaking ten einde toe gelopen.
In het voorjaar van 1952 formuleerde Schilder de eenzijdige nadruk die werd gelegd op de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk als volgt: “Ik vrees wel eens, dat we tegenwoordig het kerkverband niet allemaal goed begrijpen. En dat we de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk verwarren met het op-zich-zelf-staan van de plaatselijke kerk”.
Van belang is dus de betekenis van het zelfstandig zijn van de plaatselijke kerk. Het betekent niet los en onafhankelijk van andere kerken van eenzelfde belijdenis maar geeft aan dat een plaatselijke kerk met haar ambten en bedieningen een compleet geheel vormt. En zo op elke plaats waar zij geïnstitueerd is een openbaring van het Lichaam van Christus is. En als zodanig ook kan functioneren. Desnoods, als er geen andere kerken van eenzelfde belijdenis in de buurt zijn, zonder kerkverband.

Schriftgegevens

Dat is wat we belijden op grond van Gods Woord. In 1 Korintiërs 12:27 wordt immers door de apostel Paulus tegen de gemeente van Korinte gezegd: “Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden”.
De gemeente van Korinte is niet een onderdeeltje van het Lichaam van Christus, de pink bijvoorbeeld, maar openbaart zich in die bepaalde plaats als Zijn Lichaam.
En in Openbaring 1 lezen we dat de apostel Johannes onze Here Jezus Christus ziet te midden van zeven gouden kandelaren. Voorstellend de zeven gemeenten van Klein-Azië. Niet één kandelaar met zeven lampen zoals in het Oude Testament beschreven wordt, Exodus 25 en Zacharia 4, en symbolisch voorstellend het ene volk van God maar zeven aparte gouden kandelaren. Want de centralisatie van het Oude Verbond, het ene volk Israël, heeft plaats gemaakt voor de decentralisatie in het Nieuwe Verbond. De kerk van Jezus Christus is nu verspreid en verstrooid over heel de wereld, art. 27 NGB.
Deze zeven verschillende gemeenten in Klein-Azië worden ook apart aangeschreven. In de hoofdstukken 2 en 3 van Openbaring staan die zeven verschillende brieven opgetekend.
Maar aan het slot van iedere afzonderlijke brief aan de zeven gemeenten lezen we: “Wie een oor heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten (Meervoud!) zegt”.
En de apostel Johannes krijgt ook de opdracht om het boek waarin hij alles moet beschrijven wat hij ziet en hoort, dus inclusief de zeven brieven, te versturen aan alle zeven gemeenten.

We zien hier dus dat de gemeenten enerzijds apart worden aangeschreven en tegelijk de samenhang die er is tussen de gemeenten onderling en de betrokkenheid op elkaar. Zij worden door goddelijke beschikking op de hoogte gesteld van elkaars gemeenteleven en hoe de Here Jezus Christus, de Koning van de kerk, dat beoordeelt. Opdat zij allen zich hierdoor zullen laten vermanen en onderwijzen.
Tegelijkertijd is het ook aan de kerk van alle tijden en alle plaatsen geopenbaard door opneming in de Schrift. Opdat ook wij allen de beloften en de vermaningen die daarin worden genoemd ons ter harte nemen en onszelf beproeven of we in Christus zijn.
De Here Jezus Christus legt dus Zelf een band om de zeven gemeenten. Hij wandelt tussen de gouden kandelaren. Ze zijn geen moment uit Zijn blikveld. Maar dan móeten die zeven gemeenten ook wel betrokken zijn op elkaar! Als Christus een band legt om die zeven gemeenten dan zullen die gemeenten en haar leden toch niets liever willen dan die band met elkaar aantrekken? Want ze zijn allen het eigendom van hun Heiland. Door Hem tot kinderen van Vader in de hemel aangenomen.
Zouden kinderen van één Vader dan ook niet als broeders en zusters voor elkaar het goede zoeken? Elkaar helpen waar dat maar mogelijk is? De vraag stellen is haar beantwoorden lijkt me!
En daarom rust er een goddelijke plicht op plaatselijke zelfstandige kerken die één zijn in het belijden van de Naam van Christus om met elkaar in één kerkverband samen te leven. Om met elkaar afspraken te maken over de wijze waarop de vrede van God in alle gemeenten het best tot zijn recht komt. Om elkaar te helpen waar dat nodig is. En om in zaken die alle kerken gemeenschappelijk aangaan besluiten te nemen die bindend zijn voor alle kerken. Een wel heel toepasselijk voorbeeld van dit laatste is de Opleiding tot de dienst des Woords die we, in overeenstemming met artikel 18 van de kerkorde, gezamenlijk ter hand hebben genomen.

Zelfstandig

Aan dit alles zit wel één maar. Als elke plaatselijke kerk namelijk een Lichaam van Christus is met haar eigen ambten en bedieningen, dan betekent dit ook dat er niets tussen die gemeente en Christus in mag komen staan. Geen paus, geen koning, en ook niet een kerkverband, een meerdere vergadering. Elke plaatselijke kerk is als een vrije kerk op die plaats gebonden aan Christus en aan Hem alleen. En daarmee dus gebonden aan Zijn Woord.
Dat betekent dat de kerken die met elkaar een verband aangaan, die met elkaar afspreken hoe zij het kerkelijk leven naar uitwijzen van Gods Woord zullen inrichten, dit zo doen dat in niets afgeweken wordt van wat Christus heeft geboden, artikel 32 van de NGB. Dat is een voorwaarde vooraf.
Tegelijk zullen zij ook niets mogen afspreken dat aan de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk schade zou doen. Dan zou het verband geen verbond meer zijn maar een verkrachting. Dan worden de rechten van de plaatselijke kerk aangerand. Een verbond moet dat wat er al is verder ontplooien, denk maar aan een huwelijk. Daarin moeten man en vrouw beiden tot verdere ontplooiing komen.
Een concreet voorbeeld hierbij is de uitoefening van de kerkelijke tucht. Zodra meerdere vergaderingen zich het recht toe-eigenen om ambtsdragers van plaatselijke kerken te schorsen of af te zetten dan treden zij buiten hun bevoegdheid. Dit is immers niet afgesproken omdat de Schrift ons leert dat alleen ambtsdragers in een plaatselijke kerk daartoe gerechtigd zijn. En op meerdere vergaderingen komen geen ambtsdragers bijeen in hun ambt van ouderling of predikant maar zij zijn daar als afgevaardigden namens de kerken.

Hulp

Het doel van het kerkverband is dan ook om als plaatselijke zelfstandige kerken, elkaar tot hulp te zijn in de gezamenlijke dienst aan God zonder schade voor elkaar. Waarbij de ene kerk niet over de ander mag heersen. Dat is fundamenteel omdat anders de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk wordt aangetast. Daarom is afgesproken in artikel 83 van de kerkorde: “Geen kerk mag over andere kerken, geen ambtsdrager over andere ambtsdragers, op welke wijze ook, heersen”.
Al is een plaatselijke kerk ten opzichte van naburige kerken qua ledental vele malen groter, ze staat met die veel kleinere kerken toch op gelijke voet. Naar een classisvergadering mag ze dan ook niet meer dan 2 afgevaardigden sturen; net zoveel als de andere classiskerken, ook al zijn die veel kleiner.

Vrijwillig

Het bijzondere van het kerkverband is ook dat de plaatselijke kerken dit in alle vrijwilligheid zijn aangegaan. Met vrijwillig bedoel ik niet dat er geen goddelijke plicht zou zijn om in één kerkverband samen te komen maar dat geen enkele kerk door een andere kerk daartoe gedwongen kan worden. Net zomin als iemand gedwongen lid kan worden van de kerk. Wel is er de goddelijke plicht voor een ieder om zich te voegen bij de ware kerk maar niemand kan door iemand anders ertoe gedwongen worden.
Is zo’n verband, zo’n verbond, eenmaal aangegaan dan rust op die kerken ook de dure plicht om zich te houden aan wat gezamenlijk is afgesproken. Ook hiervoor geldt wat Christus in Zijn Bergrede zegt: “Laat het ja, dat gij zegt, ja zijn”. Dan kan een plaatselijke kerk dus niet zeggen; “die jaarlijkse kerkvisitatie, die hoeft niet van ons”. Of: “die classisvergadering ieder kwartaal, die laten wij aan ons voorbijgaan”. Daarmee zou die kerk de aangegane verplichtingen niet houden en het vrijwillig aangegane verbond verbreken.

Gevaren?

Zijn er ook gevaren aan het kerkverband? Jazeker, zoals aan alles wat naar Gods Woord is gevaren kleven. Omdat de duivel en onze zondige natuur daarmee aan de haal willen gaan.
Zo hebben we in de kerkgeschiedenis vaak gezien dat meerdere vergaderingen zich een macht toe-eigenen die hun niet toekwam. Een groot gevaar blijft in dit verband ook altijd de macht van het getal. Daarom blijft binnen een gereformeerd kerkverband de gouden regel van artikel 31 centraal staan. En wel deze regel: “De uitspraak die bij meerderheid van stemmen gedaan is, zal als bindend worden aanvaard, tenzij bewezen wordt dat zij in strijd is met het Woord van God of met de kerkorde”.
Gods Woord de norm en de toetssteen voor alle besluiten. Omdat de waarheid van God boven alles is, artikel 7 NGB. Daarnaast mogen ook de kerkordelijke afspraken uiteraard niet geschonden worden.
Het is in die weg dat plaatselijke zelfstandige kerken met alle vrijmoedigheid kunnen, mogen en moeten samenleven binnen één kerkverband. Op die wijze meebouwend aan de kerk van onze Here Jezus Christus. We zingen straks met Psalm 147 : 1 dat God bouwt de stad, de kerkstad, door Hem verkoren. Bij dat bouwen schakelt Hij ons in. De apostel Petrus wijst daarop in zijn eerste brief, hoofdstuk 2:5, waar hij schrijft: “en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.”
Onszelf als levende stenen laten gebruiken. Met een open oog voor de broeders en zusters die God ons heeft gegeven. In de plaatselijke kerk en binnen het kerkverband. Want we zijn, samen met alle heiligen geroepen tot de eenstemmige lofzang op de HERE. Zoals we dat ook zo dadelijk mogen doen met de woorden: “Lof zij de HEER, goed is het leven als ’s Heren lof wordt aangeheven.”