Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Welke wens geef ik aan een ander?

Jaargang: 
10
Datum: 
21 sep. 2016
Nummer: 
18
Schrijver: 
C.A. Teunis
ID:
1661
Rubriek: 


We geven een ander nog wel eens een wens. Dat komt vaak voor. Bijvoorbeeld bij een verjaardag, bij een geboorte, maar ook bij ziekte, tegenslag, overlijden. Of bij een jubileum i.v.m. een huwelijk, werkkring. Of als onze naaste een beproeving krijgt te dragen, bijvoorbeeld kinderloosheid, een ziekte, handicap, het niet in vervulling gaan van het ontvangen van een levenspartner en daarom het ongetrouwd blijven en eenzaamheid gevoelen. Of op nieuwjaarsdag. Staan we er wel bij stil welke wens we de ander geven? En bereiden we ons voldoende voor op het uitspreken van een wens aan de ander? Gaat onze wens in onze binnenkamer vergezeld met een gebed tot de HEERE? Wat is eigenlijk een wens? En welke reden hebben we om een wens te geven?

Een wens is een verlangen

Een wens is een bewust verlangen naar een bepaalde situatie of een bepaalde omstandigheid in het leven. De oorzaak van het geven van een wens is dat het werkelijk-heid worden van de gewenste situatie onzeker is. Degene die de wens uitspreekt, is zelf niet bij machte om te geven wat hij of zij de ander toewenst. En de ander is uit zichzelf ook niet in staat om het gewenste te realiseren.

Een wens is een bewijs van meeleven

Een wens geven aan een ander maakt duidelijk welke gevoelens we voor de ander hebben.

Een oprechte wens is zó rijk en zó heerlijk als een trouw hart maar kan uitspreken. Ook kan het gebeuren dat we woorden te kort komen om ons diepste meeleven kenbaar te maken. Dan hopen we dat onze echte bedoeling bij de ander goed overkomt. We merken dan weer eens dat we ook in onze gevoelens en onze woordkeus onvolmaakt zijn. En dan realiseren we ons dat we beperkt zijn, ook in ons denken en doen.

Dan gaan onze gedachten uit naar God. De Almachtige. Niemand is aan Hem gelijk. Gelukkig, Hij weet alles. En kan alles. En dat weten wij. We kunnen dus met een gerust hart Zijn hulp en bijstand inroepen bij het uitspreken van onze wens en de levenssituatie die we de ander toewensen. Hij weet wat het beste is voor Zijn kind.

Een zegen toewensen is Gods macht inroepen

In ons meeleven kunnen we dus zonder terughoudendheid de ander een bepaalde gebeurtenis of situatie toewensen. Zelfs een zegen.

Een zegen is van de kant van de mens de wens dat we hopen dat de HEERE God onze wens in vervulling zal doen gaan.

Een zegen van de HEERE God is véél meer. Want God is almachtig. Van God komt alle zegen. Een zegen van God is een met macht geladen woord dat welzijn brengt. Van God komt alle zegen.

Hieruit blijkt het grote verschil tussen een zegen die een mens uitspreekt en een zegen van God. Mensen kunnen elkaar het goede toewensen, maar niet geven. Maar onze God geeft met het uitspreken van een zegen metterdaad het goede.

Hij zegent zijn schepping, mensen en dieren (Gen. 1:22,28); Hij zegent de sabbat (Gen. 2:3), die Hij daardoor tot een gezegende dag maakt. Het onderhouden van de door God ingestelde rustdag brengt dus welzijn.

God zegent de aartsvaders en in hen het volk Israël, dat hij maakt tot een zegen voor de volken (Gen. 12:2). De kerk is een weldaad voor de wereld.

In het Nieuwe Testament omarmt Jezus de kinderen en zegent hen (Marc. 10:16). Ook zegent Hij de discipelen (Luc. 24:50); deze zegen herinnert aan de zegen door de priester (Lev. 9:22; Num. 6:23-27). We mogen aannemen dat deze zegen de laatste zegen geweest is die Jezus uitsprak vóórdat Hij naar de hemel ging.

Maar ook mensen kunnen anderen zegenen. Noach zegent zijn zonen (Gen. 9:26,27); Eli zegent Elkana en zijn vrouw (1 Sam. 2:20); David zegent het volk (2 Sam. 6:18); Paulus komt naar Rome met de volle zegen van Christus (Rom. 15:29). De zegen kan plaatsvinden door middel van het woord, zoals Isaäk bij Jakob deed (Gen. 27:27) en nu gebeurt bij de bevestiging van ouderlingen en diakenen; en ook door middel van handoplegging, zoals Jakob deed bij Efraïm en Manasse (Gen. 48:14,17) en zoals nu gedaan wordt bij de eerste bevestiging in het ambt tot predikant; ook kan een zegen gegeven worden door middel van het gebed zoals koning Salomo het volk zegende bij de overkomst van de ark (1 Kon. 8:14).

God alleen kan zegenen. En een mens kan, als hij daartoe geroepen is door de HEERE, een zegen uitspreken. Maar ook is het mogelijk dat een mens een ander mens toewenst dat hij een zegen van God zal ontvangen. Dat is dan tegelijkertijd het inroepen van Gods macht om zijn naaste nabij te zijn.

God geeft zijn zegen in de weg van gehoorzaamheid

De zegen van God aan mensen wordt verbonden aan de gehoorzaamheid aan zijn geboden (Deut. 28:1,2; Ps. 24:4,5), aan iedereen die geheel op Hem vertrouwt (Jer. 17:7).

Onze God is de eeuwige God, mensen komen en mensen gaan; maar de HEERE is de Almachtige, Hij blijft tot in eeuwigheid.

Dat geeft troost. Dat geeft houvast. In leven en sterven. Zelfs als we moeten scheiden van iemand van wie we zeer veel houden en een groot gevoel van verlorenheid ons deel wordt, zelfs dan blijven we in Gods hoede, in Zijn bescherming, in Zijn huis, in Zijn woning. Ook als ruwe stormen in ons leven woeden, ook dan is de HEERE een toevlucht en bescherming. Want: Jezus Christus is gisteren en in het heden en blijft in de toekomst Dezelfde, ja tot in eeuwigheid (Hebr. 13:8). Zalig iedereen die op Hem vertrouwt.

De grootste wens die we kunnen geven, is dat de ander Gods blijvende verbondenheid ontvangt. Dat zal heerlijk zijn als die wens in vervulling gaat, dan ontvang je een erfdeel in het huis van de HEERE.

Een huis

Hier op deze aarde hebben we ook al graag een huis. Dat is een plaats om te wonen.

De eerste functies van een huis zijn om op een passende manier de nachtrust te kunnen ontvangen en bescherming te bieden tegen ongewenste omstandigheden.

In het land Kanaän leefde een groot deel van de bevolking zeer eenvoudig. Als deur deed dienst een lage opening in de voorwand, als ramen dienden een paar kleine gaten in de zijwanden. Zodat het in het huis tamelijk donker was (Luc. 15:8). Het vee kreeg dan een plaats in een iets lager gedeelte van de woning, dat dan uit één ruimte bestond.

Maar huisvesting in een stal, ook al was dat maar tijdelijk, was ook toen al onfatsoenlijk, ongastvrij. En al helemaal om daar gasten huisvesting te bieden die behoefte hebben aan een aparte kamer als er een geboorte aanstaande is. Hoewel zoiets, technisch gesproken, wel mogelijk was als het vee buiten op het veld verbleef (Luc. 2:8). Bij Zijn geboorte was de Zoon van God, de Koning uit het huis van David (Luc. 1:32) in armoede en vernedering (Jes. 53:2). Ontstellend was het grote gemis aan alle nodige omstandigheden voor de geboorte van dit Mensenkind, dat toch in een zachte en warme wieg thuishoorde, die door de liefhebbende moederhanden zorgzaam was klaargemaakt. Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh. 1:11). Hij werd arm om ons rijk te maken (2 Kor. 8:9).

En toch was er luxe in land Kanaän ook in de huisvesting, maar ook daar gold: hoe rijker men was, hoe meer luxe bij de woning. Soms werd op het dak een optrekje gebouwd waarin men zich kon terugtrekken of aan een gast een slaapkamer kon aanbieden (2 Kon. 4:10,34).

In het huis van de HEERE is plaats voor elke gelovige

Bij een groei van de bevolking of verandering van de samenstelling van de bevolking is er behoefte aan woningbouw om de bevolking een passende verblijfplaats te bieden. Gelukkig mogen we weten dat in het huis van de HEERE vele woningen zijn (Joh. 14:2). Daar is geen tekort aan verblijfplaatsen, voor ieder is er een passende plaats, een volmaakt heerlijke plaats. Onbewoonbaar verklaarde woningen komen daar echt niet voor. Laat staan een stal.

Want de eeuwige God is voor Zijn volk als een woning, een veilig verblijf. Hij is de toevlucht voor iedereen die Hem oprecht zoekt. Niet alleen vroeger ten tijde van Mozes in de woestijn. Maar van geslacht tot geslacht (Psalm 90:1). Hij is de eeuwige God. Hij weet wel dat we in een wereld leven die van nature vijandig staat tegenover God en mensen die Hem willen volgen. Hij weet wel dat ons verblijf op deze wereld een reis is die zo veel overeenkomsten heeft met een reis door een woestijn. Heerlijk om te weten dat het volk Israël de Jordaan is overgetrokken en in het Beloofde Land is gekomen.

De armen van God de Vader dragen Zijn kinderen, Zijn helpende hand is altijd bij hen aanwezig. Hij zal de lammetjes in Zijn armen bijeenbrengen en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden (Jes. 40:11).

Dat is voor ons in onze huidige wereld een blij vooruitzicht dat ons streelt (Psalm 17:15), wij zijn op weg naar de woning van de HEERE.

De HEERE zorgt voor Zijn kinderen

We zullen dus graag aan de ander toewensen dat de HEERE alles geeft wat je nodig hebt in je leven, met daarbij de wens dat je de gaven van de HEERE in ontvangst wilt nemen in het geloof dat de HEERE alles voor je is. Na zo een wens kan je weer verdergaan. Je bent zalig als de HEERE met je is, als Hij je schild en je hulp is (Ps. 115:9-11). Daar komt nooit en te nimmer een einde aan. Dat geldt voor al Gods kinderen, die zo vaak geen aanzien in de wereld hebben en maar heel gewone mensen lijken, die voor zwakkelingen worden aangezien.

Maar Psalm 84 leert ons anders. Daar zingt de kerk van de mus en de zwaluw. Het gaat hier om alledaagse werkelijkheid uit het leven. Wie kijkt er nu vol bewondering naar een mus. Vaak wordt gedacht dat het maar heel gewone vogeltjes zijn. Zwak en niet bijzonders. Een individuele mus valt nauwelijks op. Maar dat is bij de HEERE wel anders. Hij zorgt voor die mussen, elk afzonderlijk. Hij geeft elke mus een eigen huis. En een zwaluw mocht zelfs haar nest, haar woning, bouwen bij de altaren van de HEERE (Ps. 84:4). Zal Hij dan niet voor ons zorgen, een vaste woning geven, beschermen en bewaren? Dat doet Hij zeker!!

Heerlijk om die zekerheid te hebben, want wij gaan vele mussen te boven (Luc. 12:6,7). En dan zingen wij, hedendaagse christenen, van de zekerheid van onze thuiskomst. Hier, tijdens onze pelgrimsreis door de woestijn van een in goddeloosheid toenemende wereld, en op weg naar onze hemelse woning. Dan zingen we, komend uit afgelegen streken waar Gods Woord nog zuiver verkondigd wordt. We zingen van ons verlangen om bij God te zijn, in Zijn woning. Net zoals Paulus het verlangen had om bij Christus te zijn, want dat is verreweg het beste (Fil 1:23). Meer kan je niet wensen.

Zalig wiens God de HEERE is. Want in onszelf zijn we machteloos. Als we onszelf zouden moeten verlossen, zouden we wel een heel zware strijd hebben. En die zouden we zeker verliezen. Want onszelf redden kunnen we niet.

Wat is het toch fijn om te mogen weten dat de schepping bevrijd zal worden van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God (Rom. 8:21). Want Jezus Christus heeft alle gerechtigheid volbracht (Ef. 1:3).

Thuiskomst verzekerd

Het doel van onze wens heeft altijd als grondtoon dat de ander De Sterke Held aanneemt, want die heeft hij nodig, en dat Die Sterke Held metterdaad de ander zal bijstaan. Met Zijn eeuwige armen hem draagt en beschut zoals een hen haar kuikens (Matt. 23:37). Dan wensen we dat onze medemens niet op eigen kracht zal vertrouwen. We vragen naar de HEERE en naar Zijn kracht en sterkte (Jes. 40:29).

Dat geeft goede moed en zekerheid, ook als we weten dat we een weg van diepe duisternis tegemoet gaan, zoals uit de geschiedenis van veel geloofsgetuigen gebleken is die ons inmiddels zijn voorgegaan naar de eeuwige woning van Vader in de hemel (Hebr. 11).

We zijn op weg. Naar het hemels Jeruzalem. Daar waar de HEERE woont. Dat geeft ons moed bij de beproevingen die we krijgen; die kunnen onze reis zo moeilijk maken. De HEERE zal Zijn trouwe kinderen bewaren in al hun doen en laten. Hij zal hen geleiden tot aan de uitgang van dit aardse leven en tegelijkertijd bij de ingang van het volmaakte leven waaraan nooit meer een einde komt (Ps. 121:8). Dan ben je thuis, bij Vader.

God houdt Zijn beloften, van nu aan tot in eeuwigheid. Dat weten we zeker. Hij is trouw aan Zijn Verbond. Hij laat de werken van Zijn handen niet varen (Ps. 138:8). Dat geeft zekerheid aan het gebed van de gelovige, daar wordt kracht aan verleend.

Een wens geven

Aan wie kunnen we iemand beter toevertrouwen dan aan de HEERE, als we onze geliefde en onze naaste het beste willen geven?

De verhoring van deze wens is het werk van de genade van God, die mild geeft, overvloedig en zonder verwijt (Jac. 1:5, Joh. 16:23). We mogen deze wens doen omdat we een beroep mogen doen op het werk van Jezus Christus. Hij heeft alles volbracht wat God van de gelovige mens vraagt.

Maar onze geliefde en naaste kennend, kan het passend zijn dat we, bij een zegenwens, op een aangename manier een toepasselijke opwekking tot trouw aan het leven met de HEERE geven (Kol. 4:6). Net zoals een liefhebbende vader zijn zoon die afwijkt, zal vermanen omdat hij hem liefheeft; een wijze zoon zal luisteren naar zijn vader (Spr. 3:12; 13:1). Het gaat immers om het behoud van het leven in eeuwigheid.

We kunnen daaraan toevoegen dat de HEERE degenen bewaart die gewoon geloven zonder opsmuk of eigen roem. Dat zijn zij die niet vertrouwen op eigen inzicht of moed of kracht, maar alleen op HEERE, en dus ook oprecht in Zijn wegen wandelen, zelfs al zijn ze er ellendig aan toe (Ps. 116:6).

Eenmaal worden de meest hechte banden op deze aarde verbroken. Maar de HEERE zullen we nooit missen. Fijn dat we mogen weten dat Hij blijft. Hij zal Zich nooit aan een trouw kind van Hem onttrekken. Zijn trouwe kinderen zal Hij niet loslaten en niet verlaten (Deut. 31:6,8; Hebr. 13:5,6).

Dat maakt het zo fijn en realistisch om onze geliefden en andere naasten een wens te geven die zich uitstrekt naar de eeuwige volmaaktheid: het in vreugde ontplooien van je gaven in een waar geloof in gedachten, woorden en daden tot eer van God en welzijn van je naaste.

Dat geeft aan een mens standvastigheid in voorspoed en tegenspoed (HC 10). Voldoen aan Gods bedoeling geeft vreugde tot in eeuwigheid.

Daarom zullen we zeker onze wens aan onze naaste in ons gebed in onze binnenkamer aan de HEERE voorleggen en vragen dat Hij onze wens met Zijn macht naar Zijn wil vervult.