Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Weerlegging 2: Om het Evangelie van vrije genade 2

Jaargang: 
5
Datum: 
25 mei. 2011
Nummer: 
20
Schrijver: 
*
ID:
878
Rubriek: 


Vorige week zagen wij dat het volgens de Vijverhoeve-brochure ten tijde van de Vrijmaking in 2003 ten diepste ging om het blijven bij het evangelie van vrije genade. En dat dit in de ontwikkelingen binnen De Gereformeerde Kerk van Zwolle e.o. de diepste oorzaak was van de scheuring. We wezen aan hoe Luther vanuit zijn nadruk op dat evangelie dacht over de kerk en over de heiligmaking. En hoe dat doorwerkt tot vandaag toe. Daarover nu meer.

Kohlbrugge 1

Omdat zowel de kerkvisie als die van de heiligmaking en de prediking van Gods geboden in de Vijverhoeve-brochure voorop worden gesteld door een citaat van H.F. Kohlbrugge is het nodig daartoe dieper in te gaan op diens theologie.

Van Kohlbrugge is bekend dat hij oorspronkelijk lid was van de Lutherse kerk. Later wilde hij hervormd worden, maar werd van het lidmaatschap van de Nederlandse Hervormde Kerk afgehouden. Dat gebeurde in de tijd van de Afscheiding. Maar hij sloot zich toen niet aan bij de afgescheidenen. In feite bij geen enkel kerkverband: hij werd predikant van een vrije onafhankelijke kerk in Duitsland, in Elberfeld. Toen hij later teruggekeerd was naar Nederland preekte hij als onafhankelijk predikant overal, waar hij maar uitgenodigd werd. Hij bleef zijn leven lang onder de sterke invloed van de twee bovengenoemde Lutherse dwalingen die telkens weer zijn denken over de heiligmaking en de kerk bepaalden.

Kohlbrugge verwiep Luthers kritiek op de brief van Jakobus en handhaafde haar ten volle als door God ingegeven. Maar als hij zich zette tot de verklaring van enkele kernteksten uit die brief wordt het wel duidelijk dat hij vastzat in de lutherse dwalingen.
Uiteindelijk wist hij toch niet goed weg met de wet. Hij wist alleen te spreken over de wet van de vrijheid, Jak.1:25; 2:11. En het gebod om de leden die op de aarde zijn te doden, verklaart hij zo: houd het er voor dat ze dood zijn, Kol.3: 5.

In verschillende gezaghebbende theologische publicaties is geargumenteerd aangewezen, dat hij de wet als regel van het leven niet tot haar recht doet komen. Hij schrijft zelfs in 1880 aan I. da Costa, dat over de heiligmaking als een bijzonder stuk na de leer van de rechtvaardiging door Christus in de Schrift niets te vinden is!

Hier volgen enkele voorbeelden daarvan uit zijn Schriftverklaringen, in 24 delen uitgegeven door de Protestantse Periodieke Pers, Berkel, 1970-1974. Een duidelijke tekst voor de betekenis van de goede werken is Jak.2:24:

    U ziet dus nu dat een mens uit werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit geloof. HSV

Deze wordt door Kohlbrugge zo uitgelegd dat we daardoor onderwezen zouden worden om onze zonden te kennen en te belijden. Daar blijft het bij. Hij vraagt dan: heeft zulk een bekeerde mens goede werken? En op merkwaardige wijze antwoordt hij eerst duidelijk en categorisch: neen. Om er dan aan toe te voegen: hij wéét niet dat hij ze heeft, maar God ziet ze wel. Dat moet dan het 'zien' zijn in deze tekst (‘u ziet dus...’).

Een andere moeilijk door Kohlbrugge uit te leggen tekst is Jak.2:22:

    Ziet u wel dat het geloof samenwerkte met zijn werken en dat door de werken het geloof volmaakt is geworden? HSV

Dat zou volgens hem betekenen dat God de mens zo ziet. Die zegt alleen maar: ik ellendig mens, verder komt hij niet. Maar God zegt: u bent gerechtvaardigd door Christus.
Bij zijn verklaring van Rom.7: 24 horen we over vers 25 (na de woorden ‘ik ellendig mens’ de geloofsuitspraak ‘ik dank God door Jezus Christus’) nauwelijks iets over de verlossing van de zonde en de door Hem geschonken heiligmaking. Toch is die dank de inleiding tot het hele rijke hoofdstuk 8 over het leven door de Geest en de eerstelingen van de Geest.

Dat de mens zelf wel zijn goede werken ziet, is volgens Kohlbrugge dan ook onmogelijk. Toch zegt de door hem zo hoog geprezen Heidelbergse Catechismus, dat de uitwerking van onze goede werken mag zijn, dat wij uit de vruchten van ons geloof zeker mogen zijn, antw. 96. Maar Kohlbrugge laat dit bij zijn uitleg van deze plaats weg.
In zijn verklaring van het werk van de Heilige Geest noemt hij als vrucht van de Geest dat Hij de gelovigen bindt aan het evangelie van Gods vrije genade, zonder de werken. Dat zouden volgens hem dan de vruchten zijn van het ingeplant zijn in de wijnstok Christus.

Kohlbrugge 2

Ook die andere lutherse dwalingen inzake de kerk zien we bij Kohlbrugge terug. Hij roept uit dat het de prediking van het evangelie van vrije genade is die overal in de wereld plaatsvindt en dat daar de kerk van Christus is. Dat zou de eenheid van de gelovigen zijn, ook al zijn zij verspreid over allerlei kerken. Maar Christus heeft ons geleerd waarin die eenheid gevonden wordt:

    En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt, Joh. 17:22-23.

Die bestaat toch in het doen van de geboden van Christus met een ongedeeld hart, zie ook Matt. 28:19; Openb.12:14;14:12. Daarom worden ook de tien geboden elke zondag in de kerk voorgelezen. Daarom is het dat God ons de tien geboden scherp laat prediken, Heidelbergse Catechismus, zondag 44.

Deze twee Lutherse zaken, namelijk de opvatting over de kerk en over de heiligmaking, hebben blijkbaar de overtuigingen van de broeders, die deze brochure hebben uitgegeven, gestempeld met betrekking tot de gehoorzaamheid van het geloof en hun ruime opvatting over de kerk.
Daarom werkt de beschuldiging, als zouden wij geen oog gehad hebben voor het evangelie van vrije genade, als een pijl, die terugkomt. Hun wanbegrip over dat evangelie van vrije genade blijkt nu hen te hebben geleid op dwaze wegen.

De ondergrondse veenbrand

Hoewel de vijf voormalige ambtsdragers binnen de kerkenraad van Zwolle zich dat vermoedelijk niet bewust waren, was hun kritiek op de prediking, hun weigering zich volgens de kerkelijke regels te gedragen en hun afkeer van het Schriftuurlijk overeenkomstig de belijdenis spreken over de kerk een gevolg van hun gevangen zitten in de dwalingen van onder andere Kohlbrugge.
Waarschijnlijk is hun dat pas later duidelijk geworden en hebben zij het daarom in hun brochure ook zo geduid. Het is de oude zonde van de eigenwilligheid, die als een ondergrondse veenbrand in de kerkenraad en in de gemeente woedde totdat eindelijk de vlammen er uit sloegen.

Uitgaande van het hierboven kort aangegeven gedachtegoed van Kohlbrugge waaraan de heengegane broeders zich hebben verbonden, geven we hier in het kort weer hoe dit doorwerkt in de visie op de prediking, de doorgaande reformatie, de wet en de kerk. Dit zal later breder aan de orde komen:
de prediking: het kritiek blijven oefenen op prediking van Gods geboden en over de heiligmaking;
- de doorgaande reformatie: komt in feite niet meer aan de orde, wanneer de gelovige niet verder komt dan het: ik, ellendig mens!
- de wet: wanneer in de prediking van Gods geboden wordt opgeroepen naar Gods wet te leven meent men dat dit een zekere eigen gerechtigheid en zelfrechtvaardiging inhoudt. Daarbij vergeet men de Schriftuurlijke waarheid dat Christus ons uit genade door Zijn Geest naar Zijn evenbeeld vernieuwt, zodat wij mogen ervaren de vrijheid van het gehoorzaam zijn aan de wet;
- de kerk: de afkeer van de Schriftuurlijke taal inzake de ware en de valse kerk en van Gods geboden inzake de kerk en het zich voegen bij de ware kerk.
Met name betreft dit de dwaling dat de kerk in feite overal zou zijn waar het evangelie van vrije genade gepredikt wordt. Een dwaling die Gods gebod inzake de reformatie van de kerk en het zich voegen bij de kerk krachteloos maakt. Die dwaling is wereldwijd verbreid over alle tijden. Zij is immers nog altijd een dochter van de moederzonde in het paradijs, waar de mens zelf wilde beslissen over goed en kwaad, de zonde van de eigenwilligheid.
Bij verschillende presbyteriaanse kerken in onze tijd treedt deze dwaling nog heel duidelijk aan het licht doordat men daar stelt dat de kerk overal te vinden is waar het evangelie van de rechtvaardiging uit het geloof zonder de werken gepredikt wordt. Daar vindt men de kerk, ongeacht de vraag of Gods gebod inzake de kerk gehoorzaamd wordt. Die dwaling heeft in die kerken geleid tot een open avondmaalstafel en een open kansel – dat kan ook niet anders.

Opmerkelijk is verder dat in het barthianisme, dat in onze tijd weer in opkomst is, de realiteit van de heiligmaking en van het leven als christen afgewezen wordt.

Een belijdenis op een stuivertje

Om dit alles verder te verduidelijken gaan we nu in op wat in de brochure onder 1.3 gegeven wordt als een samenvatting van de gereformeerde leer. Daar komt verder duidelijk uit waarin de daarin beschreven opvattingen afwijken van Schrift en belijdenis. In die samenvatting worden de artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis verkort weergegeven. Zij schrijven dat dat de belangrijke punten van de gereformeerde leer zijn.
In een korte samenvatting van de geloofsbelijdenis is het uiteraard van belang om de kern ervan weer te geven en dat wat men minder belangrijk vindt weg te laten.
Het is ontdekkend om te zien hoe in de brochure de belijdenis op hun eigen manier wordt samengevat. De eerste artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over God, de schepping en onderhouding van de wereld, de mens en de zondeval worden samengevat in drie korte paragrafen. De belangrijke artikelen over de openbaring van God (2-7), totaal zes artikelen, worden in één korte paragraaf weergegeven.

Maar dan komt verder nog een opmerkelijke beperking. Over het werk van Christus lezen wij in een korte paragraaf van zes regels wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis in 10 artikelen belijdt!
Het past uiteraard in het schema van de verkorting van de inhoud van het evangelie tot alleen de ‘vrije genade’ dat het werk van Christus in de heiligmaking niet genoemd wordt. En al evenzeer dat bij de vermelding van het werk van de Heilige Geest de zes artikelen over de kerk niet genoemd worden. En dat terwijl zelfs de hele korte samenvatting van ons geloof in de apostolische geloofsbelijdenis als eerste van het werk van de Heilige Geest belijdt: ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk.

Dan volgt nog een paragraaf over 'het einde van de wereld' en ten slotte een paragraaf over het verbond. Daarin wordt alleen gesproken over de beloften van het verbond en totaal niets over de eis van het verbond. Alleen dat de Heilige Geest het geloof in de belofte van het verbond bewerkt, maar de belijdenis dat Hij het is Die onze heiligmaking bewerkt, ontbreekt.

De richting die in dit eerste deel gewezen wordt en waarin de afgescheidenen voortaan geleid zullen worden, is een eenzijdige prediking van alleen een versmalde verlossing. Een evangelie van vrije genade - maar wel van ‘incomplete genade’ oftewel een halve waarheid! Immers geloof zonder werken is een dood geloof.

* Uitgave onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad van De Gereformeerde Kerk te Zwolle e.o. met medewerking van A. Admiraal, A. van Egmond en dr. P. van Gurp.