Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Vrije genade en verantwoordelijkheid

Jaargang: 
3
Datum: 
29 apr. 2009
Nummer: 
16
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
505
Rubriek: 



Tegenstrijdig?

Wat heeft vrije genade te maken met verantwoordelijkheid? Moeten we niet zeggen dat het hier gaat om twee ongelijksoortige zaken die elkaar niet verdragen? Bij vrije genade spreken we over het werk van de Here zonder verdienste van onze kant. Vrije genade is genade die de Here schenkt om niet. Maar bij onze verantwoordelijkheid, spreken we toch over òns spreken en òns handelen, òns gedrag en daarmee over òns werk? Vrije genade is actie van Gods kant alleen, en onze verantwoordelijkheid vraagt toch actie van onze kant? Hoe blijft vrije genade dan nog vrije genade als onze verantwoordelijkheid ook een rol zou spelen bij onze zaligheid? Dat lijkt een tegenstrijdigheid in zich te dragen.

Toch staan in Gods Woord teksten als:

    Luk. 13: 24: Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen.
    Filip 2:12: Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven,
    2 Petr. 1:10: Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen.

Voegen deze teksten nu iets toe aan de onverdienstelijkheid van de genade? Is er dan toch iets van onszelf nodig voor onze zaligheid? Het is van belang om hier zuiver te blijven zien. Enerzijds om niet mee te gaan met de mensen die het activisme prediken en spreken over een maakbare wereld of een relevante of doelgerichte gemeente in de samenleving. Of met hen die vinden dat een echt christen niet meer zondigt en die een kerk met perfecte mensen voorstaan.
Maar het is net zo goed van belang dat we niet terecht komen in een sfeer van passivisme, van verkeerde lijdelijkheid.
Ook moet gewaakt worden tegen het al te gemakkelijk afdoen van prediking waarin de eis van het verbond klinkt, of waarin opgeroepen wordt tot bekering, als arminianisme / remonstrantisme of wetticisme / perfectionisme.
Steeds weer blijkt er in de kerk verwarring of misbruik te zijn m.b.t. de verhouding tussen de door God geschonken vrije genade en de verantwoordelijkheid van de mens.

Vrije genade

Wat verstaan we onder vrije genade? Laten we eerst deze vraag helder krijgen. Dan zullen we ook kunnen beantwoorden: wat hoort daar wel bij en wat hoort daar niet bij.
Genade gaat terug op een oorspronkelijk woord dat welwillendheid, toegenegenheid, vreugde inhoudt. Daarbij is te denken aan een koning die zich tegenover een beklaagde welwillend, goedgunstig betoont door hem of haar in het leven te laten (Ester 5:2). God bewijst in zijn onmetelijke goedheid genade aan mensen die de eeuwige dood verdienen. Dat geeft vreugde en blijdschap. We horen dat ook in de zegen van Num. 6: “De Here doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig.” Het is pure en onverdiende genade dat de HERE omziet naar zondige mensen. Genade staat daarom tegenover verdienste en recht (Rom. 4:4). Het is niet vanwege geleverd werk. Anders zou iemand er recht op hebben, het zou zijn verdiende loon zijn, dat de Here hem of haar goedgunstig is. Nee, vrije genade houdt altijd in: onverdiende gunst. Rom. 11: 5 en 6 spreken erover dat de Here een overblijfsel van Israël heeft gelaten naar de verkiezing der genade. ‘Naar de verkiezing der genade’ staat tegenover ‘door werken van de wet’, zoals de Farizeeën en Judaïsten dat leerden. De verkiezing der genade is Gods verkiezing die Hij naar Zijn welbehagen heeft vastgelegd voor de grondlegging der wereld (Ef. 1: 4,5). Dat er toch een rest werd behouden ligt dus niet aan die rest, alsof die rest zo goed was, of in ieder geval beter was dan anderen (DL, I, art. 7). Geen sprake van. God verkoos niet op grond van verdiensten van mensen. Maar naar Zijn welbehagen.

    En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anders is genade geen genade meer (Rom. 11:6).

Waarom kunnen we dan niets verdienen? Dat komt door de zonde en onze zondige aard. De zonde die ook in ons als gelovigen nog altijd overgebleven is. Het is dus de Hére die verkiest. Vervolgens is Híj het die roept. Van degenen die God roept zijn sommigen uitverkorenen, en die zullen aan Gods roeping gehoor geven. Anderen, die verworpen zijn, zullen dat niet doen. Als de mensen door de bediening van het evangelie komen en bekeerd worden, is dat ook geen verdienste van de mens, geen werk van de vrije wil van de mens, zoals de remonstranten leren, DL III/IV, art. 10:

    Men moet dit aan God toeschrijven: evenals Hij de Zijnen van eeuwigheid in Christus heeft uitverkoren, roept Hij hen in dit leven met kracht, schenkt hun geloof en bekering, verlost hen uit de macht van de duisternis en brengt hen uit de macht van de duisternis en brengt hen over in het rijk van Zijn Zoon. God doet dit alles, opdat zij de grote daden zouden verkondigen van Hem die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Here zouden roemen, zoals de geschriften van de apostelen op tal van plaatsen getuigen

.
In dat grote verlossingswerk van Christus staat de rechtvaardiging centraal: de vergeving en vrijspraak voor Gods aangezicht van alle zondeschuld. Die rechtvaardiging is uit vrije genade, en brengt alle schatten van Christus met zich mee als genadegaven: de gerechtigheid, en het eeuwige leven in heerlijkheid. Deze schatten zijn er voor zondaars: mensen die zich voor God onwaardige zondaars weten en hun zaligheid buiten zichzelf in Christus zoeken.
Rom. 3:23:

    Want allen hebben gezondigd en derven (dat is missen) de heerlijkheid Gods en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus

Vreugde en roem

God doet dit alles. In Christus, op grond van Zijn welbehagen, uit genade, zonder enige verdienste van onze kant. Als je dat vaststelt in geloof, dan kan dat je niet onbewogen laten. Dan mag en zal een onuitsprekelijke vreugde bezit van je nemen: de blijdschap in de Here. Waarmee je alle zegeningen als genadegeschenken uit de hemel mag gaan zien (Ef. 1:3-14). Dat brengt je tot het roemen in de Here. Het prijzen en danken van Hem vanwege Zijn rijkdom van genade.
Vrije genade behelst vergeving van zonde en het eeuwige leven met Hem, straks in heerlijkheid. Tot die vrije genade die God in zijn ondoorgrondelijke goedheid en liefde ons wil schenken in en door Zijn Zoon horen: verkiezing, roeping, geloof, rechtvaardiging, heiliging (ja, dat ook!), en als eindpunt verheerlijking (Rom. 8: 29, 30). Zo is de volkomen verlossing, die zijn voleinding vindt in de jongste dag, in alle onderdelen in Christus. Waarbij alle roem in jezelf of in een zondig mens is uitgesloten.
Dat roemen in God en in zijn vrije gunst alleen, het prijzen van Hem en al zijn weldaden is ook het grote doel waartoe wij in Christus verlost worden. Laten we dat nooit vergeten (DL III/IV, art.10, Ef. 1: 6,12,14)).
Tot dat roemen hoort ook het verlustigen in Gods wet (Ps. 56:11-14; Ps. 119). Lust en liefde om Zijn wil te doen, zullen hand in hand moeten gaan met het prijzen van de Here en Zijn Woord. Als het uiteindelijke doel in ons leven als geschapen kinderen van God.
Maar ook dát, die heiliging, zullen we mogen aanmerken als genadegave van de Here. Want zelfs de goede werken heeft de Here bereid, klaar gemaakt in ons door Zijn Geest, Ef. 2:10:

    Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

Verantwoordelijkheid

Zoals we tot nu toe hebben gezien is heel ons leven in de Here, onze verlossing, ons geloof, ons leven in het verbond, ons leven uit de vergeving van de zonde, ons leven naar Gods wil en tot Zijn eer, genade. Vrije genade. Niets daarvan is onze verdienste. Nee, ook niet ons geloof of onze heiliging. Maar hoe staat het dan met onze verantwoordelijkheid? We worden toch ook opgewekt tot geloofsgehoorzaamheid? Elke preek bevat toch een bevel tot geloof en bekering? Jazeker. Maar, en dat is belangrijk te beseffen, dat is geen bijdrage aan onze zaligheid in de zin van verdienste. Daarmee voegen we niets toe aan ons heil, aan onze verlossing. Maar wat houdt het dan in? Het houdt in dat de Here ons Zelf inschakelt om Zijn heerlijke genadegaven in ontvangst te mogen nemen en erin te mogen leven. Hij geeft ons geloof, maar vráágt van ons ook geloof (Ef. 2:9). Hij wil ons namelijk niet als stokken en blokken gebruiken (DL III/IV, art. 16). Hij wil van ons een levend geloof. Een geloofsleven waarin Zijn genade wordt getoond. Wat Hij ons geeft, wat wij dus niet zelf hebben bewerkt maar Hij, vráágt Hij nu ook van ons. Hij geeft Zijn Geest, maar vraagt ook om de vruchten van Zijn Geest (Rom. 8:1v, Gal. 5:13v, Ef. 4:17v, Jak. 4:5, 1 Petr. 1:13v etc.). Hij geeft geloof door Zijn Geest, maar eist ook geloof van ons, geloofsvertrouwen, geloofsgehoorzaamheid (Hebr. 4:1v, 11:19v, 12:18v). Als werken niet van de wet maar van geloof (Jak. 2:17-26) . Vruchten van de Geest die Hij in ons heeft gewerkt. Zo moeten we het ook verstaan als we bidden: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.” Dan zegt de HC van dat laatste: “zoals wijzelf ook als een bewijs van uw genade in ons opmerken, dat wij het vaste voornemen hebben onze naaste van harte te vergeven”, (zondag 51).

Onze goede werken zijn dus niet ònze eigen vruchten, maar bewijs van Gods genade in ons. Vruchten van de Geest van Christus, Die ons geschonken is als eerste gave (Rom. 8: 23). Er zit dus geen enkele verdienste in het getoonde geloof, dat uit genade geschonken is. Ook niet in onze goede werken, waardoor Christus uit genade in ons werkt (Joh. 15: 1-17).
Fil. 2:13 zegt:

    Want God is het, die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt

.
Dat ‘want’ slaat terug op de gehoorzaamheid die de Here door de dienst van Paulus eist van de Efeziërs. Dat kon de Here vragen juist omdat Hij het Zelf eerst in hen bewerkt had. Voor onze goede werken moeten wij dus eerder de Here danken, dan de Here ons. Als de Here ons toch loon geeft voor onze goede werken, genadeloon, dat kroont Hij door zijn genade daarmee zijn eigen gaven (NGB, art. 24).

Belofte en eis

Onze verantwoordelijkheid moeten we daarom zien als de eis van het verbond die onlosmakelijk verbonden is aan de beloften van het verbond. De eis die God aan ons stelt nadat Hij eerst Zijn rijke beloften van verlossing en eeuwig leven gegeven heeft. Zijn eisen die Hij stelt met als belofte ook, dat Hij ons al het nodige wil geven om aan Zijn eis te kunnen voldoen. Daartoe doet Hij ons Christus’ gerechtigheid toerekenen en zendt Hij op ons gebed ons de Heilige Geest die Christus voor ons heeft verworven.
Wat de Here nu van ons eist, bestaat uit twee zaken die in elkaars verlengde liggen:
(1) aannemen van al Gods beloften in Christus met een waar geloof en
(2) het leven in dagelijkse bekering vanuit het geloof in Gods beloften.
God geeft voor deze zaken alles wat nodig is, maar Hij vraagt ons ook steeds om geloof en goede werken van bekering.
Door het geloof in Christus worden wij gerechtvaardigd. Door het geloof als gave van God.
Niet als grond voor de rechtvaardiging, maar als middel om het te mogen ontvangen. En de Here wil zo in de weg van geloof en bekering àl zijn beloften aan ons vervullen. Zo heeft de Here dat in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid goed gedacht.

Dat de Here ons hart, ja ons helemaal – lichaam en ziel - vraagt, terwijl Hij ons van al het nodige naar lichaam en ziel voorziet, is zelf al reden tot grote vreugde! Ook dat is genade! Want we moeten wel heel goed zien Wie dit alles van ons vraagt: Onze liefhebbende en zorgzame Vader, die Zichzelf aan ons heeft gegeven en die zo ons Zijn Zoon tot een Verlosser en Zaligmaker heeft geschonken.
Tegelijk weten we dat ons leven voor de Here nog maar een klein begin is van de gehoorzaamheid die de Here van ons wil zien (HC zondag 44). Toch wil de Here dat wij ons zonder ophouden inspannen en God bidden om de genade van de Heilige Geest om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden. Maar we zullen het ernstig voornemen hebben niet slechts naar sommige maar naar al Gods goede geboden beginnen te leven. Dat is het leven uit het geloof, het leven uit de vrije genade van vergeving van zonden en gerechtigheid in Christus.
Door te leven uit deze genade “bevestigen” we zo onze roeping en verkiezing (2 Petr. 1:10)! Dat betekent: zo tonen we dat we werkelijk Gods rijke genade hebben ontvangen. Zo mogen we tegelijk in eigen leven opmerken de vruchten van de Geest, die ons de zekerheid geven van geloof en verkiezing.

Ja, daarin hebben we ònze verantwoordelijkheid, terwijl het om Gods vrije genade gaat. Is dit verband volledig met de menselijke logica te beredeneren? Nee, dat niet. Ook dit blijft geloof vragen. Maar zo horen toch naar Gods Woord Gods vrije genade èn onze verantwoordelijkheid bij elkaar. Als in Gods Woord geopenbaarde samenhangende belofte en eis van het genadeverbond.

Verwijten

Hoe komt het nu dat in de kerkgeschiedenis regelmatig beschuldigingen uitgaan over gereformeerde prediking en publicaties dat deze niet de vrije genade zouden verkondigen?
Ook tegenwoordig kun je dat horen. We kunnen die geluiden opvangen in de brochure uit 1925 van prof. dr. K. Schilder: Gereformeerd Farizeïsme; zijn de gereformeerden de farizeeërs van dezen tijd?, Meinema, Delft. We hoorden dat in de richting van predikanten die zich vrijmaakten in 1944. Toen werd de Schriftuurlijke verbondsleer door sommigen bestempeld als verbondsautomatisme. De hernieuwde oproep tot verbondsgehoorzaamheid en voortgaande reformatie, werd toen door sommigen als wetticistisch of remonstrants betiteld. Ook later kwamen vanuit de reformatorisch-bevindelijke hoek de zelfde verwijten van remonstrantisme en verbondsautomatisme. Vooral prof. K. Schilder heeft tijdens zijn leven veel te verduren gekregen, maar ook na zijn dood heeft men hem en zijn werken vaak niet goed verstaan. Ds. H.J.D. Smit kwam in 1994 tot zijn conclusie dat het bij Schilder ging om radicalisme, normatief idealisme dat ligt onder de verdenking van perfectionisme en niet vrij is van doperse trekken (zie W.G. de Vries: Kerk en confessie, Woord en Wereld no. 29, 1995. Gelukkig zijn deze conclusies door meerderen als misplaatst van de hand gewezen.
Vanaf de jaren negentig, zijn er overigens binnen de GKv wel degelijk vormen van verbondsautomatisme vast te stellen (De Bazuin, Jg 2 no 5). Maar die berusten niet op een vermeende overmatige aandacht voor de verbondsgehoorzaamheid, maar juist op een steeds verder wegvallen ervan.
Laten we deze ontwikkelingen binnen de GKv buiten beschouwing, dan zien we over de tijd uiteenlopende oordelen, die gemeen hebben het onterechte verwijt dat in de gereformeerde kerken de vrije genade teveel op de achtergrond zou staan en de eis aan de mens teveel op de voorgrond.

Hierboven hebben we de gereformeerde leer geschetst op het punt van de verhouding tussen vrije genade en verantwoordelijkheid, waarin m.i. Gods Woord en de gereformeerde belijdenisgeschriften worden nagesproken. Daaruit moge blijken dat deze leer juist op heerlijke wijze de vrije genade in Christus leert. Toch steekt ook nu van tijd tot tijd het genoemde verwijt de kop op. Hoe moet je nu dit soort verwijten wegen? En waar komen ze uit voort?
Naar mijn idee zijn er vier mogelijkheden.
(1) Het kan zijn dat sommige preken of publicaties – wellicht ten onrechte – een enkele maal de indruk zouden (hebben) kunnen wekken, dat er te weinig aandacht is voor de vrije genade van de rechtvaardiging. Maar daar staat ook nu zoveel Gereformeerde lectuur en prediking tegenover die dit verwijt weerlegt.
(2) Het kan ook zijn dat men niet beseft dat ook de heiliging van het leven pure genade is. Onderwijs daarin is dan geboden.
(3) Het kan zijn dat een individueel kerklid de vrije genade niet ervaart, ook al wordt die wel degelijk bij herhaling verkondigd. Zo iemand is misschien blijven steken in eigen onwaardigheid en ervaart de oproepen tot verbondsgehoorzaamheid als een verzwaring van de schuld. Dan is het nodig om pastoraal te helpen de weg naar Christus weer te vinden.
(4) Het kan ook zijn dat degene die met dit verwijt komt, de oproep tot bekering in de prediking naast zich neer wil leggen en de eis van geloofsgehoorzaamheid niet wil aanvaarden. Dan is er sprake van verblinding of onwil. Mogelijk ook verharding in een bepaalde zonde. Ook dan zal pastorale bearbeiding geboden zijn.

Laten we elkaar helpen om deze dingen te verstaan bij het heldere licht van de Schrift. Zodat we Gods rijke genade in onze levens te beter mogen ervaren en in praktijk brengen.