Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

De voldoening door Christus

Jaargang: 
1
Datum: 
17 jan. 2007
Nummer: 
2
Schrijver: 
Jaap Sikkens
ID:
8

Ook de serie over de Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat gewoon door. Toen we over artikel 20 spraken zeiden we al dat hoe verder we komen met het verlossingswerk, zoals beleden vanaf artikel 17 NGB, hoe verder het heilsplan van God zich voor onze ogen ontvouwt. We hebben gesproken over de belofte en de vervulling daarvan in Jezus Christus. We zagen dat onze Heiland echt God en echt mens is en ook moest zijn. De vorige keer merkten we op dat Gods rechtvaardigheid en Zijn barmhartigheid elkaar niet uitsluiten, maar juist heel duidelijk zichtbaar worden in de menswording van Zijn Zoon. En nog steeds zijn we over het heilsplan niet uitgesproken. Deze week staan we, bij de behandeling van artikel 21 NGB, stil bij de voldoening van Christus. We staan dus stil bij het werk dat Christus voor ons heeft gedaan in Zijn offer aan het kruis.

Ordening van Aäron

We belijden dat Jezus Christus een eeuwig Hogepriester is. Het priesterschap kennen we uit het Oude Testament. De eerste hogepriester is de Leviet Aäron, de broer van Mozes (Ex.28). Alleen de nakomelingen van Aäron morgen priesters wezen voor het heilig aangezicht van de HERE (vgl. Ex.29, Lev. 8, Num.3:3). Dit priesterschap naar de orde van Aäron gaat dus over van geslacht op geslacht, van vader op zoon.
De centrale taak van de priesters in het Oude Testament bestond uit het offeren voor de zonden van het volk. In het boek Leviticus wordt door de HERE aan zijn volk in detail voorgehouden hoe en wanneer ze wat moeten offeren. De priesters nemen het werk van de mensen die moesten offeren over zodra er bloed ging vloeien. Dit offeren is verzoeningswerk, de priesters zijn de bemiddelaars tussen God en Zijn volk.
De Israëliet die een offer wilde brengen, moest zijn hand op de kop van het offerdier leggen (vgl. Lev. 4: 24). De betekenis hiervan is dat hij dan eigenlijk wilde zeggen: wat er met dit dier gebeurt, zou eigenlijk met mij moeten gebeuren. Het dier werd gedood en geofferd in plaats van de offeraar, om zo de schuld te verzoenen. Want: “het bloed bewerkt verzoening” (Lev. 17:11).

Al de offers en de enorme stromen met dierenbloed kunnen natuurlijk nooit de zonden van een mens wegdragen (vgl. Hebr. 10:4). Dat hebben we ook de vorige keren gezien. Een mens of dier dat alleen maar een mens of dier is kan nooit de zonden dragen, zo stelde HC v&a 14. Daar komt nog bij dat de priesters die de offers brachten, eerst voor zichzelf moesten offeren vanwege hun eigen zonden. Maar op deze manier was de hele offerdienst een schaduw van het Licht, het was een heenwijzing naar het grote Offer, Jezus Christus aan het kruis voor de zonden van de mensen. Dus, Zíjn kostbaar bloed vergoten om óns te reinigen van onze zonden. De toorn van God over de zonde is door Jezus Christus gestild. Zijn straf bracht voor ons de vrede (vgl. Jes. 53: 6).

Ordening van Melchizedek

Maar wat we zojuist bespraken was het priesterschap naar de ordening van Aäron. Met artikel 21 NGB belijden wij dat Christus eeuwig Hogepriester van een andere orde is. Geen Hogepriester naar de orde van Aäron, maar naar de orde van Melchizedek.
Melchizedek was hogepriester van de Allerhoogste God en tijdgenoot van Abraham. Zijn naam betekent “koning der gerechtigheid”, en hij was koning van Salem, dat vrede betekent. Hoewel we in vergelijking met Aäron niet zoveel over Melchizedek in de Bijbel lezen (vgl. Psalm 110, Hebr. 5: 6, 10; 6: 20 en Hebr. 7), wordt ons vooral uit de brief aan de Hebreeën duidelijk wat het verschil is tussen beide priesterordes. Zo lezen we in Hebreeën dat Melchizedek zonder vader, moeder of voorgeslacht was (vg. Hebr. 7:3). Natuurlijk had hij wel een vader en een moeder, maar het wordt hier zo gezegd, om aan te geven dat zijn ambt als priester niet voortkwam uit afstamming en ook niet zou doorgaan op zijn nageslacht, zijn kinderen. Zijn aanstelling kwam rechtstreeks van God. Dit is anders dan bij de orde van Aäron. Daar ging het priesterschap wél over van vader op zoon.
De aanstelling van Melchizedek kwam rechtstreeks van God. Op dezelfde manier is ook de aanstelling van Jezus, als Hogepriester naar de orde van Melchizedek, direct van God. Dit wordt al geprofeteerd in het Oude Testament (vgl. ps. 110). En alleen op deze manier kon Jezus Christus Hogepriester worden, omdat geen van zijn ouders uit een priesterlijk geslacht stamde. De aanstelling van Jezus tot Hogepriester heeft God bekrachtigd met een eed: “de Here heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid.” (Hebr. 7: 21)

Een tweede verschil tussen de beide priesterordes is de ambtstermijn, dus de tijd dat het priesterambt bekleed kon worden. Het priesterschap van het huis van Levi hield op met de dood (vgl. Hebr. 7:23), maar Melchizedek is “zonder einde des levens” (Hebr. 7: 3). Dit wil hier zeggen dat Melchizedek zijn priesterschap ook niet bij zijn sterven over kon geven aan iemand anders. Niemand anders kon zijn werk overnemen. Hij nam het ambt mee de dood in. Hogepriester zijn naar de orde van Melchizedek betekend dus ook voor Jezus een aanstelling voor eeuwig (vgl. Hebr. 7: 21 en 24). En zo´n Hogepriester hadden we nodig om de toorn van God tegen de mensheid te dragen: heilig, zonder schuld of smet en gescheiden van de zondaren (vgl. Hebr. 7:26). En nu pleit Hij als Hogepriester voor ons bij de Vader met Zijn voorbede (vgl. v/a 31 HC, Hebr. 7:25). Zó moeten wij geloven dat Jezus Christus een eeuwig Hogepriester is, naar de orde van Melchizedek.

Alle priesterschap vervallen?

We zagen net dat het bij de offers in het Oude Testament steeds ging om de heenwijzing naar het offer van Christus. Steeds moest bloed vloeien om zo verzoening tot stand te brengen. En we zeiden al dat dit wijst naar het kostbaar bloed dat Hij heeft vergoten tot een volkomen verzoening van al ónze zonden.
Nu Christus, als Hogepriester, dus voor alle zonden, de last van de eeuwige toorn van God aan lichaam en ziel vrijwillig gedragen heeft, hoeft er voor de betaling van onze schuld nooit meer bloed te vloeien. Het priesterschap naar de orde van Aäron is dus niet meer nodig. De Roomse Kerk is het hier niet mee eens. Denk maar eens aan al die priesters die nog in dienst zijn van de Roomse Kerk. En naar hun mening hebben zij de macht om de zonden te vergeven, zoals ook de priesters uit het Oude Testament (denk hierbij aan de biecht).
Toch betekent dit niet dat álle priesterschap is vervallen. Integendeel! Bij de schepping werd iedereen geroepen tot het priesterschap, een volmaakt leven wijden aan Hem, Schepper van alle dingen. Deze eis voor een volmaakt leven geldt nog steeds! Alle mensen moeten hun leven offeren tot een Hem welgevallig dankoffer. Dus ook jij en ik worden geroepen tot de priesterdienst. Voor ons bestaat dit priesterschap er niet in om onze schulden te betalen, maar ons priesterschap staat in het teken van dankbare gehoorzaamheid en toewijding (vgl. HC v/a 32 en Rom. 12:1). Waar je ook bent (thuis, school, werk) en wat je ook doet (huiswerk maken, tv-kijken, internetten, boek lezen, sporten), alles moet zijn tot eer van Zijn Naam. De priesterdienst is dus niet iets van mooie woorden zonder dat we er iets mee doen in ons leven, maar we moeten bij álles, echt álles wat we doen ons afvragen of het kan bestaan voor Gods heilig aangezicht.

Eén offerande voor ál onze schulden

Na het gedeelte over het Hogepriesterschap volgt een gedeelte waarin het offer dat Christus heeft gebracht wordt beschreven. Hij is als lam ter slachting geleid en onder de overtreders geteld, terwijl Hij de enige zondeloze mens is geweest. Hij is van zijn Vader verlaten geweest. Hij heeft de immense last van Gods toorn tegen het hele menselijke geslacht gedragen. Door het verbond wordt jou en mij dit uit genade toegerekend. Het verbond, waar ook jij en ik in zijn opgenomen door de doop. We zijn in Christus gedoopt. Wij zijn door de doop begraven met Hem in de dood. En omdat wij “met Hem” begraven zijn, hebben wij ook deel aan Zijn opwekking uit de doden (belofte van het verbond). Dit betekent echter niet dat wij, omdat we gedoopt zijn, wel achterover kunnen hangen en lekker kunnen doen waar we zin in hebben. Juist niet, we worden nú al opgewekt tot een nieuw leven in Gods Koninkrijk. Ook hier blijkt dat wij Hém een leven van priesterlijke toewijding verplicht zijn (dat is de eis van het verbond).

Een ander middel? Al het andere is vuilnis!

Steeds weer en weer wordt in de NGB benadrukt dat er sprake is van een volledige verzoening. Juist tegen deze geloofsbelijdenis is in de (recente) kerkgeschiedenis aangeschopt. Misschien ken de je de naam Wiersinga die, in de 70-er jaren, het verzoenend offer van Jezus Christus loochende. Maar denk ook aan de Remonstranten of de Roomse kerk. Er zijn in de geschiedenis allerlei ingewikkelde theologische constructies bedacht om de “verzoening door voldoening”, de betaling van de schuld door het offer van Jezus Christus te ontkrachten.
Dit wordt veroorzaakt omdat het voor de mens ontzettend moeilijk is om van genade te leven. Juist de zonde in het paradijs, om te zijn als God en niet in afhankelijkheid te leven van God, zit nog altijd heel diep in het zondige vlees van de mens. En hoe vaak denken ook wij niet bewust of onbewust dat wij eigenlijk best wel “goed bezig zijn” voor de Here? En hoe vaak komt het voor dat we onze eigen zonden niet eens zien of kennen? Hoe vaak is het juist voor christenen een enorm moeilijke opgave om zich verre te houden van wereldse of goddeloze activiteiten? Iedereen weet hoe moeilijk het is om er een echt christelijke levensstijl op na te houden. Ook voor ons, die zondag aan zondag het evangelie van de genade mogen (!) horen, is het heel erg moeilijk, om gewoon gehoorzaam te zijn aan de Here.

Met artikel 21 NGB belijden wij echter dat “wij alles beschouwen als vuilnis, omdat de kennis van Christus Jezus, onze Here, alles te boven gaat”. In de eerdere uitgave van de NGB stond in plaats van vuilnis het woord drek. Alle overige kennis is viezigheid. Paulus drukt zich in Filip. 3:8 zo sterk uit om ons te laten zien dat het aankomt op de kennis van Christus. Gelukkig hoeven we niets te verdienen. Gelukkig heeft Iemand met Zijn leven voor de zonden betaald! Dáár komt het op aan in ons leven: Hém kennen als dé Zaligmaker, dé Middelaar, Verzoener van al je schulden. En wie gelooft zal door het offer van Hem tot eeuwige volmaaktheid worden gebracht! (Hebr. 10:14)