Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Vleespotten van Egypte

Jaargang: 
1
Datum: 
14 feb. 2007
Nummer: 
6
Schrijver: 
T.L. Bruinius
ID:
26
Rubriek: 

De kerk van Christus leeft in de woestijn. Daar heeft de Here zijn bruid naartoe geleid. “En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden”. (Openbaring 12: 6). Veilig voor de aanvallen van de satan. Totdat de bruidegom zijn bruid komt halen voor het grote eeuwige bruiloftsfeest. Maar dat leven in de woestijn is niet altijd gemakkelijk. Woestijnleven kan zwaar en hard zijn. Teleurstellend soms. Vooral als je van dat woestijnleven een andere verwachting had. En zeker als je het woestijnleven gaat vergelijken met wat je achterliet. Hoe kun je dan toch de tocht door de woestijn blijmoedig aan?

Bevrijd

De Israëlieten konden er van meespreken. Van dat zware leven in de woestijn.

    “Toen zij van Elim opgebroken waren, kwam de gehele vergadering der Israëlieten in de woestijn Sin, die tussen Elim en de Sinaï ligt, op de vijftiende dag van de tweede maand sedert hun uittocht uit het land Egypte. En in die woestijn morde de gehele vergadering der Israëlieten tegen Mozes en Aaron; en de Israëlieten zeiden tot hen: Och, dat wij door de hand des HEREN in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen.” (Exodus 16: 1-3).

Het is inderdaad een grote teleurstelling. O ja, de HERE had hen machtig uitgeleid. Grote tekenen had Hij gedaan in het land Egypte. De HERE bewees aan de Egyptenaren en aan de Israëlieten, zijn eigen volk, dat Hij de HÉRE was. Trouw aan zijn verbond en aan zijn beloften. Met grote kracht bevrijdde Hij het volk van de belofte, de kerk van het oude verbond, uit de slavernij van het heidense Egypte. Door Gods hand konden zijn kinderen door de Schelfzee trekken. Hun achtervolgers kwamen om. Vrij! Bévrijd!

Vlees en brood

Maar de vreugde en de dankbaarheid voor de bevrijding verdwijnen snel. Eerst is er, na een paar dagen reizen, gebrek aan water. Het water dàt er is, is giftig, niet te drinken. En als de HERE dan in die nood voorziet, en de reis gaat verder, dan ontstaat er gebrek aan eten. De Israëlieten zijn nog maar een week of zes onderweg als ze daarover beginnen te mopperen.
Geen wonder toch? Ze zijn nu wel vrij van de onderdrukking maar ze kwamen van de regen in de drup. Zonder eten kun je toch niet overleven in de woestijn? Ja, in Egypte was het leven ook hard. Maar ze hadden toch maar iedere dag vers brood. En vers vlees. En er was ook nog wel iets bij. Dat is nu over. Geen vlees. Geen brood. Honger!
En in het denken van de Israëlieten wordt de verdrukking in Egypte dan toch een tijd van overvloed, waar ze met een zeker verlangen aan terugdenken.

Och, ......

Vreemd. Nog maar een korte tijd bevrijd door de HERE, en nu al terugverlangen naar Egypte? Ja, sterker nog, nu al alle moed kwijt? Hoor, wat de Israëlieten zeggen: De HERE had ons beter in Egypte kunnen laten sterven. Dan hadden we tenminste op het eind nog wel goed eten gehad! En aan Mozes en Aäron, de ambtsdragers van de HERE, richten ze de beschuldiging: jullie hebben ons hier gebracht om te sterven!
Nog maar zes weken geleden zagen ze voor hun ogen Gods machtige hand. En nu? Och, waren we maar bij de vleespotten van Egypte gebleven. Dan zouden we ook sterven. Maar dan tenminste in een betere omgeving dan de woestijn.

Ongeloof

We kunnen het ons goed voorstellen. Als je eerst zo blij was met het nieuwe leven , en een tijdje later zie je alleen nog maar de dood voor ogen ...... Ja, dan is de teleurstelling groot. Maar die teleurstelling is nog geen excuus voor de woorden van de Israëlieten. Want in plaats dat ze de HERE eerbiedig aanroepen, en Hem, die machtige en trouwe God, smeken om hulp, slaan ze de HERE als het ware in het gezicht! Waren we maar bij de vleespotten van Egypte gestorven!
Dat is toch de taal van het ongeloof. De taal van mensen die toch het zicht op het werk van de HERE snel zijn kwijt geraakt. Zondige taal.

    “Doch spoedig vergaten zij zijn daden en wachtten niet op zijn raad; zij werden met lust bevangen in de woestijn en verzochten God in de wildernis.” (Psalm 106: 13, 14).

Kanaän

De Israëlieten vergeten iets heel belangrijks. Ze kijken teveel naar wat voor ogen is. Die lege, doodse woestijn. Maar ze vergeten wat de HERE beloofd heeft. Die woestijn, dat is niet de eindbestemming. Zeker niet. De eindbestemming,dat is Kanaän. Dat is het beloofde land, overvloeiend van melk en honing! Dat prachtige land, rijk en vruchtbaar, waar het leven goed zal zijn. Dat prachtige land, dat de HERE zelf voor zijn volk klaar zal maken. Dat goede land, waar Hij zelf zijn volk zal beschermen. Dat land waar Gods volk helemaal niets tekort zal komen.
Ja, dat vergeten ze. Ze kijken de verkeerde kant op. Ze zien achterom,en dan valt het allemaal lelijk tegen. Is dit het nu, het leven waarvoor de HERE ons heeft bestemd?
Maar ze zouden juist naar vóren moeten kijken. De HERE is met zijn volk onderweg! Daar, vooruit, daar ligt het rijke land van de belofte. En als je dat ziet, als je dat gelóóft, dan weet je zeker dat de HERE je niet zal doen omkomen in de woestijn. Dan ben je misschien wel veel kwijtgeraakt. Dan is het leven in de woestijn echt wel moeilijk. Maar dan weet je: het is slechts tijdelijk.

Voor hen uit

Doordat de Israëlieten ongelovig achterom kijken verliezen ze ook nog iets anders uit het oog. Ze verliezen uit het oog wat het betekent dat de HERE met hen meegaat. Iedere dag zien ze de wolkkolom. Iedere nacht zien ze de vuurkolom. De HERE is bij zijn volk! Zelf gaat Hij voorop.

    De HERE ging voor hen uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en des nachts in een vuurkolom om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan. Zonder ophouden bleef de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts aan de spits van het volk.” (Exodus 13:21,22).

Zo ging Christus zelf met hen door de woestijn. Zichtbaar. In een voortdurend teken van Gods nabijheid. Van zijn vaste beloften.
De Israëlieten hadden zich biddend tot de HERE moeten richten. Hem moeten smeken om in hun nood te voorzien. Zo vraagt de HERE dat van zijn volk. En dat volk mocht weten dat de HERE zich ook zou láten verbidden. Had Hij niet eerder hun geroep om hulp gehoord en verhoord? De HERE zal voorzien in alles wat onderweg nodig is. Maar in hun ongelovige houding komen de Israëlieten niet tot gelovig gebed. Integendeel, ze geven zich óver aan hun teleurstelling en angst. Ze gaan mopperen en klagen en beschuldigen.

De HERE heeft zijn volk wel beschaamd doen staan. Ondanks geklaag en verzet en ongeloofshouding heeft Hij zijn volk verzorgd. Met alles wat nodig was. Manna en vlees. En:

    “Veertig jaar liet Ik u door de woestijn trekken; de klederen die gij droegt zijn niet versleten evenmin als de schoenen aan uw voeten.” (Deut. 29: 5).

Proef

In Exodus 16 lezen we twee keer dat de HERE zijn volk op de proef stelt. De HERE wil zien of zijn volk Hem werkelijk wil dienen en liefhebben. Of zijn volk werkelijk luistert naar Gods woorden en daar gehoorzaam uit wil leven.
Ja, het woestijnleven was een beproeving. De HERE bereidde in de woestijn zijn volk voor op het leven met Hem in het beloofde land. En het kwam er op aan dat de Israëlieten volhardden in het geloof. En “amen” bléven zeggen op Gods Woord. Juist in de beproeving.
Het is aan de genade van de HERE te danken dat ze in hun ongeloofsdenken niet onder gingen.

Vandaag

De kerk van Christus leeft in de woestijn. We mogen het nog veel concreter zeggen: wíj leven in de woestijn. De vleespotten van Egypte hebben we achter ons gelaten. Veel gaven we op: grote gemeenten, bloeiend verenigingsleven, een sterk kerkverband, predikanten op de kansel, gereformeerd onderwijs, iedere week verse preken, zendingswerk, tal van bladen, heel veel broeders en zusters om ons heen met wie we het werk in de kerk konden delen, volop gelegenheid voor vriendschappen, verkeringen en huwelijken binnen de kerk, en .......
Ja, als we terugkijken, dan missen we nu veel. Dan raken we gemakkelijk teleurgesteld. Misschien zelfs wel verbitterd. Het leven in de woestijn is een beproeving.
Maar dan is er ook vandaag het grote gevaar dat we in dezelfde zonde vallen als eens de Israëlieten. Dat we in onze teleurstelling maar blijven kijken naar die vleespotten en dat brood, dat we eerst hadden. Dan kan de beproeving zo gemakkelijk verzoeking worden. Dan zouden we zo gemakkelijk, misschien wel heel onbewust, toch de HERE beledigen. Dat mag niet. Dat hoeft ook niet. Ja, het komt onder ons voor, meer dan sommigen misschien denken, dat de teleurstelling over ons klein zijn, over onze beperkte mogelijkheden en zwakke krachten, dat die teleurstelling dreigt te gaan overheersen.
Daar is maar één middel tegen. We geloven en belijden toch dat de HERE ons heeft bevrijd uit het net van afval en schriftkritiek en onschriftuurlijke besluiten? We geloven en belijden toch dat de HERE in de beproeving zèlf de volharding schenkt? We zijn er toch volkomen zeker van dat we in de woestijn veilig zijn en dat het woestijnleven maar tijdelijk is? We weten en vertrouwen toch volkomen dat de Here Christus al Gods beloften heeft vervuld? We geloven en belijden toch dat wij in alle weldaden van Christus delen?
Laten we dan de vleespotten van Egypte de rug toekeren. Voorgoed. En laten we de goede kant opkijken. Vóóruit! We zijn op weg. Naar het beloofde land. De bruiloft van het Lam ligt voor ons. Een overvloed die we ons met ons kleine menselijke verstand niet eens kunnen voorstellen.

Voor ons uit

De Here Christus zelf is ons vooruit gegaan. In de Hemel werkt Hij voor ons. Ja, de Here is bij ons, onderweg, de hele reis. Hij weet wat wij nodig hebben. Wat wij ècht nodig hebben. En Hij zal ons niet onthouden wat goed is voor ons. Op ons gelovig gebed zal Hij acht slaan. En, naar zijn belofte, in alles voorzien.

    “ Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus. Onze God en Vader nu zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen.” (Filippenzen 4: 19,20).

Gods daden gedenken, dankbaar zijn voor bevrijding, al onze nood, onze zorg, onze teleurstelling en moeite, in gebed aan de Here voorleggen, dat is nu onze opdracht. Ons geduldig overgeven aan Gods raad. Onszelf toevertrouwen aan de leiding van de Heer van de kerk. Zó op weg naar Kanaän.

    “... en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.” (Rom. 9:33b).

Blijdschap en moed

Als we dat maar goed zien en vasthouden, de belofte van Kanaän, het beloofde land dat voor ons ligt, en de zekerheid van Gods nabijheid, onderweg door de woestijn, dan kunnen we de beproeving doorstaan. De HERE heeft het zelf beloofd. De HERE is zelf zijn werk aan ons begonnen. Hij heeft zelf ons vastgehouden in zijn reformatie-werk. En onze God laat het werk dat Hij begon nooit meer los.
Geen vlees? Geen brood? Alleen maar doodse woestijn? Hoezo? Kijk dan even verder. Dan vind je moed. Dan vind je blijdschap. Dan heb je nu al zicht op het einde van de reis.
Dan kunnen we samen gelovig “amen” zeggen op al wat de HERE ons geeft.
Omzien naar de vleespotten van Egypte?
Nee, met blijdschap en goede moed op weg naar Kanaän. En onze HERE zal in alles voorzien.