Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Verwerf wijsheid

Jaargang: 
1
Datum: 
08 aug. 2007
Nummer: 
28
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
125

Het begin der wijsheid is: verwerf wijsheid en verwerf inzicht bij al wat gij bezit.(...) Mijn zoon sla acht op mijn woorden, neig uw oor tot mijn uitspraken.(Spr.4:7,20)

Het begin van de wijsheid

In de vorige overdenking stonden we stil bij de ‘tucht’ die voor geloofsopvoeding nodig is. Tucht van ouders en andere opvoeders. Deze ‘tucht’ is in het Spreukenboek, maar ook elders in de Schrift, de methode van het onderwijs. Daaronder vallen orde en discipline, goede leiding met gezag door ouders en andere opvoeders. Belangrijk is dat ouders dit gezag ook werkelijk uitoefenen. Dat ze zich ten volle inzetten om hun kinderen voortdurend en systematisch te onderwijzen. Maar tegelijk ook, dat kinderen zich laten gezeggen: zij moeten het gezag aanvaarden. Daarvoor is nodig dat ze eerbied en ontzag hebben voor hun ouders. Dit is weer onlosmakelijk gekoppeld aan eerbied en ontzag voor de HERE, de vreze des HEREN. Deze vreze is zelfs de allereerste voorwaarde voor elke geloofsopvoeding en daarmee van elke gelovige keuze in je leven. De vreze des HEREN is daarom het begin van de kennis, van de wijsheid (Spr.1:7;9:10).
Als je dat eenmaal leert inzien en de eerbied voor de HERE in je hart is gekomen, dan ontstaat er ook verlangen naar méér wijsheid. Dan vraag je zelfs je ouders, je opvoeders, je ouderlingen om onderricht, om advies. Dan ga je ook zelf lezen in de Bijbel. Om in de vreze des HEREN te kunnen wandelen. Om je leven zo in te richten, dat het de HERE welbehaaglijk is. Dat is wandelen met God.
En als je daarbij ook ziet, dat je leven ervan afhangt (4:4,13,22), dan wil je àlles weten hoe je dat moet doen. Dan wil je de wijsheid ‘verwerven’, kopen staat er letterlijk in vers 7, door koop verkrijgen. Dan houdt het niet op bij een enkele wijze les, maar dan wil je werkelijk àlles weten. Dan laat je zelfs graag andere dingen schieten, om die wijsheid, dat levensinzicht in het verbond, in bezit te krijgen. Want dat is het beste wat een mens op aarde kan krijgen.
Zo heeft Salomo dat ook van de HERE afgebeden, toen de HERE hem vroeg wat Hij hem zou geven. Toen vroeg Salomo geen geld en geen rijkdom maar levenswijsheid. Die levenswijsheid heeft de HERE hem toen rijkelijk geschonken, maar als beloning rijkdom bovendien. Ook wij moeten de wijsheid van de HERE afbidden. Jacobus schreef dit in zijn brief:

    Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden.(Jac.1:5)

Dat we daarin tekortschieten, is maar niet af en toe. Dat is herhaaldelijk en voortdurend. Daarom moet in ons gebed ook voortdurend een bede zijn om de wijsheid van boven. Het begin, het vertrekpunt van het leven in het verbond vraagt dus eerbied en ontzag voor de HERE en de gezagsdragers, ons voortdurend gebed om, en ons verlangen, onze honger naar die wijsheid.

Het oor dat hoort

Bij dat laatste hoort ook onze inzet om goed te horen, om aandachtig te luisteren. Vers 20 is een oproep daartoe. Maar dat staat hier nu al voor de derde keer in dit hoofdstuk (4:1,10,20). En in de voorafgaande hoofdstukken komen we die oproep ook steeds weer tegen. Het is zelfs een hoofdonderwerp, en maar niet een opmerking als: nu weer luisteren, want de les is weer begonnen. Nee, het betreft hier zelf al een heel belangrijk onderdeel van het onderwijs! Want er zit heel veel aan vast. Heel het onderwijs dat in Spreuken gegeven wordt is voor niets, helemaal voor niets, als er niet echt met aandacht geluisterd wordt. We kennen dat wel, dat we onze kinderen iets zeggen, waarbij ze zelfs kunnen knikken of ja zeggen zonder dat ze onze boodschap echt tot zich hebben genomen. Maar dat is geen ècht horen. Dat gaat het ene oor in en het andere weer uit. Er is dan geen aandacht. Het kan zijn dat je afgeleid bent. Maar dat mag hier niet, want dit onderwijs betreft niet iets onschuldigs of iets onbelangrijks. Het zijn woorden ten léven, die je niet naast je neer mag leggen. Die je niet alleen maar mag aanhoren. Zodat je daarna weer je eigen gang kunt gaan. Want dan verwerp je die woorden in feite. Dan raken ze je niet. Het is essentieel dat onze kinderen beseffen dat ze het geloofsonderwijs van hun ouders en andere opvoeders, niet zomaar over zich heen mogen laten gaan. Want anders spelen ze met hun leven. Daarom vraagt de vader hier ook van zijn zoon: “neig uw oor tot mijn uitspraken”. Neig je oor, dat is: buig je nu voorover en span je nu in om alles wat ik je te zeggen heb, op te vangen.
Hier wordt dus een heel actieve houding gevraagd. Maar dat gaat lang niet altijd vanzelf. Want ook voor onze kinderen geldt dat ze in zonde zijn geboren. Ook hun houding wordt bepaald door de zondige natuur. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat onze kinderen echt zullen hóren. Dat moet hen gegeven worden. Dat gold ook in de tijd van de Here Jezus toen Hij als Hoogste Profeet en Leraar onder zijn volk was. Toen moest hij constateren

    het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.

Gelukkig gold dat niet voor iedereen, niet voor de discipelen van de Here, daarom kon de Here Jezus ook zeggen: Mat.13:16

    Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen.

Het is een wonder van genade, ja van het werk van de HERE zelf als je kind aandachtig wil luisteren naar het onderwijs in de Schriften. Als hij of zij verlangt naar de levenswijsheid gebaseerd op Gods Woord. Daarom zegt het boek Spreuken zelf in 20:12

    Het oor dat hoort en het oog dat ziet, de HERE heeft beide gemaakt.

Het is de HERE, die de oren wil openen. Maar Hij vraagt van de ouders en allen die daarbij een taak hebben wel, dat ze hun kinderen daartoe opwekken. En dat ze daar ook hun gezag voor gebruiken. Dat hoort bij hun doopbelofte. Het is dus ook een plicht van de ouders. Ze zullen niet alleen de Here daarom moeten bidden, maar ook daadwerkelijk hun gezag daarvoor moeten aanwenden.