Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Vertrouwelijkheid en vertrouwen *

Jaargang: 
12
Datum: 
07 feb. 2018
Nummer: 
3
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1823
Rubriek: 

In de kerken zijn veel vragen over vertrouwelijkheid van gebeurtenissen, vergaderingen en besluiten. Wat mogen de kerkleden wel of niet weten? En, als sommige zaken vertrouwelijk gehouden worden, waarom? Hoort er geen volledige openheid te zijn? Hoe zit dat in de kerk? In dat kader lijkt het ons, redactie, in overleg met ds. De Marie, goed onderstaande artikel nog eens te plaatsen.

Vertrouwelijkheid

Vertrouwelijkheid en vertrouwen zijn twee begrippen die vaak met elkaar verbonden zijn. Zo behandelt een kerkenraad of een meerdere vergadering regelmatig vertrouwelijke zaken. Persoonlijke zaken die kerkleden betreffen. Onze reactie daarop moet dan zijn: die zaken zijn hun zeker toevertrouwd. Met andere woorden: we hebben er vertrouwen in dat de kerkenraad of de meerdere vergadering deze zaken niet alleen goed, naar de Schrift, zal aanpakken en afhandelen, maar we hebben er ook vertrouwen in dat daarin vertrouwelijk blijft, wat vertrouwelijk moet blijven. De betrokken ambtsdragers zijn immers aangesteld en bekwaam gemaakt tot dit ambtswerk. Ze hebben dat beloofd. Ze handelen ook daarin namens Christus.

 

We kennen ook de vertrouwelijkheid bij bepaalde beroepen: bv. een rechter, of een arts. Die kennen een beroepsgeheim. Dat beroepsgeheim is de plicht om te zwijgen over feiten en gegevens van derden, wanneer die bij het uitoefenen van het beroep aan het licht zijn gekomen. Dat wordt ook wel zwijgplicht genoemd. Het beroepsgeheim voor artsen en andere medische hulpverleners is geregeld in art. 457 van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek en in art. 88 van de wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Schending van het beroepsgeheim is bovendien strafbaar (art. 272 Wetboek van Strafrecht). De bedoeling is om de patiënt of cliënt te beschermen tegen misbruik van zijn persoonlijke gegevens door derden. Hij of zij moet de arts of andere hulpverlener kunnen vertrouwen, dat de verstrekte gegevens vertrouwelijk blijven. Wanneer een ander die gegevens zou te horen krijgen zouden ze hem of haar schade kunnen doen.

 

Nu, enigszins daarmee te vergelijken is het omgaan met persoonlijke zaken die een ambtsdrager of kerkelijke vergadering te weten komt van kerkleden. Dan kan het gaan om zonden of andere gevoelige zaken die een ander niet hoeft te weten. Het is ook beter dat die ander het niet weet, want er kan gemakkelijk een smet vallen over iemands naam. Een ander moet zich namelijk geen oordeel willen aanmatigen over zaken die hem of haar niet aangaan. En zeker als er iets ter ore is gekomen, wat eigenlijk niet had gemoeten, moet men daarover verder zwijgen. En degene die je het verteld heeft erop wijzen dat dit de goede naam van de naaste schaadt en dat hij zonodig de weg van Matt. 18:15v moet gaan. Maar ga je mee in het circuit van kwaadspreken dan doe je schade aan de naaste, in dit geval zelfs aan je broeder of zuster. Dat gaat in tegen de uitdrukkelijke wil van de Here. Want het heeft direct te maken met het negende gebod. De HC zegt in V&A 112 van het negende gebod:

dat ik ook niemand lichtvaardig en onverhoord veroordeel of help veroordelen.

 

We zouden naar analogie van het beroepsgeheim kunnen spreken over ambtsgeheim. Toch is deze term geen officiële kerkelijke uitdrukking, al wordt hij wel gebruikt. Het begrip zelf gaat terug op het negende gebod. Dat gebod geldt voor ambtsdragers maar net zo goed voor kerkleden. Een ambtsdrager moet extra zorgvuldig zijn vanwege zijn ambt. Juist ook t.a.v. het negende gebod. Daarom is deze speciale bepaling van ambtsgeheim niet een extra eis die aan ambtsdragers wordt gesteld bij hun bevestiging, zoals dat wel het geval is voor beroepsgeheim bij bepaalde beroepen (K. Harmannij: Ambtsgeheim, Dienst, jaargang 46, no. 6, 1998). Van ambtsdragers mag verwacht worden dat ze gezond in leer en leven zijn en dus in hun ambtswerk ook het negende gebod eerbiedigen. Dat zal bijvoorbeeld moeten uitkomen in de wijze waarop de ouderling omgaat met het vertrouwelijke wat hem tijdens het huisbezoek is toevertrouwd (Joh. Jansen, Korte verklaring van de kerkenordening, 1923, p. 106). Sommige zaken zal hij slechts summier rapporteren op de kerkenraad. Ook de diakenen zullen bij het spreken over persoonlijke financiële aangelegenheden extra terughoudend zijn ook op de brede kerkenraadsvergadering. En zelfs bij een kerkvisitatie is het vanwege het vertrouwelijke karakter niet gewenst om het notulenboek van de kerkenraad waarin over allerlei intieme en tere kwesties wordt gesproken, buiten de kring van de kerkenraad te bespreken (H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht II, p. 186). Dat geldt wel wanneer de visitatoren zelf vragen hebben bij een aanklacht m.b.t. de notulen of wanneer een meerdere vergadering geroepen is een uitspraak te doen in een appèlzaak. Maar ook daarbij zal dan door de betrokken visitatoren en afgevaardigden de grootste zorg aan de vertrouwelijkheid dienen te worden besteed. Overeenkomstig de wil van de Here.

Vertrouwen

Tegenwoordig hebben de mensen het gevoel dat ze overal hun mening over mogen geven. Dat ze daartoe geroepen zijn. Ze voelen zich dan beknot in hun recht op eigen mening als informatie wordt achtergehouden. Dat voelt bij hen niet goed. En al snel wordt beweerd dat er iets ten ónrechte wordt achtergehouden. Dat de hele zaak maar 'geheimzinnig' is. Dat het daarom wel niet zal deugen: er zal wel een luchtje aan zitten. Men vertrouwt het zaakje niet als niet klip en klaar alle feiten op tafel komen en ieder zijn eigen oordeel kan vormen.

Dat heeft ook alles met de huidige tijdgeest te maken. In de postmoderne tijd heeft ieder recht op zijn eigen mening. Men voelt zich mondig op alle terreinen. Dat betekent niet alleen dat jij zelf je eigen mening naast die van een ander mag stellen. Het betekent ook dat men afgeleerd heeft om iets aan te nemen van mensen die het bevoegde gezag hebben in een bepaalde zaak. Met als argument: dat gezag mag je best in twijfel trekken - het zijn toch ook maar mensen? En die twijfel wordt tot argwaan als er naar hun mening informatie wordt achter-gehouden.

 

Ook vertrouwen en gezag hebben alles met elkaar te maken. Het uitoefenen van gezag vraagt vertrouwen. Vertrouwen in een gezagsdrager heb je nodig om je aan diens gezag te kunnen onderwerpen. Als er geen ver-trouwen is, wordt het gezag niet aanvaard. Dan wordt dat gezag tegengesproken of op zijn minst in twijfel getrokken. Door wantrouwen onttrek je je aan het gezag dat over je is gesteld. Je brengt dat gezag in diskrediet. Gezag is tegenwoordig geen algemeen aanvaarde zaak meer. En het risico is groot dat ook wij dat teveel accepteren als een gewone zaak. Maar ten diepste is het revolutie tegen de Here die dat gezag verleent. Het is opstand tegen de Here die orde wil door leiding en bestuur.

 

Het erge is nu dat deze tendens van eigen mondigheid, het zelf rechter willen zijn, ook de kerken ernstig bedreigt. We hadden het al over de tijdgeest die ook ons niet voorbijgaat.

Maar er zou nog een factor te noemen zijn. De recente strijd om in de GKv de leugen te bestrijden en allerlei verkeerde ontwikkelingen aan de kaak te stellen betekende vaak ook een strijd tegen ambtsdragers en kerkelijke vergaderingen in de GKv. Die strijd en de daarbij gaande teleurstellingen, kan ertoe geleid hebben dat er weinig vertrouwen meer is in ambtsdragers en kerkelijke vergaderingen. Sommigen stellen zelfs dat de hele kerkelijke weg nutteloos is. Hiermee matigen ze zichzelf aan om onkerkelijke wegen te gaan, zoals het rondzenden van brieven waarin van alles over anderen geventileerd wordt.

 

In feite is ook dat een vorm van rebellie, verwerpen van gezag. Dat iemand gefrustreerd geraakt is door het verleden, mag wel gezien worden als een beproeving. Een beproeving om in alles toch gehoorzaam te blijven aan je ambtsdragers en waar nodig de aangewezen kerkelijke weg te gaan. Bij die beproeving komt dan de verzoeking om dat alles maar over boord te gooien. Om, als je het ergens niet mee eens bent, tegen het gezag van de ambtsdragers en kerkelijke vergaderingen in, eigen wegen te gaan. Met het idee dat je dan beter af bent. Je kunt zelfs het gevoel hebben, dat je dan het recht dient en zo de Here beter dient dan via de formele kerkelijke weg.

 

Die verzoeking betreft geen bijkomstigheid van het geloof, maar een essentieel onderdeel ervan. Want in dat geval erkent men namelijk niet meer dat het Christus Zelf is die zijn ambtsdragers gezag geeft. Christus mag van de gelovigen vertrouwen verwachten. Wanneer je gelooft, onderwerp je je aan Christus. Dan aanvaard je Zijn regering. Nu heeft het Christus behaagd om Zijn kerk te regeren door Zijn Woord en Geest d.m.v. zijn dienstknechten, de dragers van het bijzondere ambt (Ef. 4:11). Het is alleen om die reden, dus vanwege het hun door Christus verleende ambt, dat wij bijzonder achting voor ambtsdragers moeten hebben. We mogen niet zomaar wat over hen zeggen, of hen zomaar aanklagen. Uiteraard geldt dat wel bij duidelijk aantoonbare zonde, die aangewezen moet worden, maar wel in een zeer zorgvuldige weg (1 Tim. 5:17-21).

 

We zullen hen dus moeten vertrouwen, omdat we Christus vertrouwen. Het vertrouwen in de ambts-dragers en kerkelijke vergaderingen betreft dus geen ondergeschikte zaak. Het is tot ons behoud, want zij waken over onze zielen (Hebr. 13:17). Dat geldt ook wanneer de gemeente geconfronteerd wordt met vertrouwelijke zaken, waarover geen opening van zaken gegeven kan en mag worden. Dan wordt vertrouwen gevraagd. Geen onvoorwaardelijk vertrouwen, want Gods Woord blijft ook dan de toetssteen. Maar het gebruik van die toetssteen vraagt wel de grootste zorgvuldigheid.

Tucht en de gemeente

We willen twee voorbeelden geven waarbij het vertrouwen van de kerkleden op de gezagsdragers op de proef wordt gesteld bij een vertrouwelijke zaak.

De eerste is die van de tuchtoefening in de gemeente. Zeker bij geheime zonden geldt dat een ieder die daarvan weet, en zeker de kerkenraad, de plicht tot geheimhouding heeft. Maar ook bij openbare zonden kunnen er allerlei aspecten zijn die vertrouwelijk moeten blijven. Dat verklaart waarom een kerkenraad daarover zeer terughoudend is. Matt. 18:15-18 geeft aan hoe zorgvuldig er al in het begin moet worden opgetreden. Bij die zorgvuldigheid speelt zeker het in acht nemen van het negende gebod. Bij overgaan naar de ambtelijke tucht wordt 'stil' afgehouden van het avondmaal. Niemand wordt daarover ingelicht. Pas als er overgegaan moet worden tot afkondigingen wordt meer gezegd. Aanvankelijk zelfs zonder het noemen van de naam van de betrokkene. De zonde wordt slechts summier aangeduid. En als de tucht verder doorgezet moet worden vanwege verharding, moet eerst de classis instemmen met de gevolgde tuchtprocedure en met het afkondigen van de naam. Maar ook dan wordt alles slechts kort aangeduid.

Toch wordt de gemeente opgeroepen om voor de zondaar te bidden en om hem of haar op te roepen zich te bekeren. Heel deze procedure gaat uit van het vertrouwen van de gemeente in haar kerkenraad, die namens haar de tucht uitoefent. De gemeente zelf kan en mag niet alles controleren. Geen onderzoek doen naar allerlei feitelijkheden.

 

Alleen als er sterke twijfels zijn over de rechtmatigheid van de tuchtmaatregel, mag een kerklid wel een vraag stellen richting de kerkenraad. En dan handelen naar bevind van zaken. Moeilijk wordt het als degene die onder tucht staat zelf allerlei informatie gaat rondstrooien. Daarmee wordt dan door dat kerklid het negende gebod overtreden en het gezag van de kerkenraad aangetast. Dan gaat zo'n kerklid die onder tucht staat niet de aangewezen kerkelijke weg. Dat is in dit geval in beroep gaan bij de classis. Dan klaag je de kerkenraad aan bij de bevoegde rechts-instantie. Je besmeurt niet de naam van je eigen ambtsdragers temidden van de gemeente waarover zij zijn aangesteld.

 

Ook voor de andere kerkleden is dit een beproeving op het vertrouwen dat ze in de kerkenraad moeten hebben. Zorgvuldigheid en gebed zijn hier de eerste vereisten. Kerkleden anders dan de betrokkenen, zullen nooit mogen proberen van hun kerkenraad af te dwingen om voor hen opening van zaken te geven in een tuchtzaak, ook al komt er van het betrokken kerklid nog zoveel belasterende informatie. Voor de kerkenraad is het een beproeving, wanneer er onware verhalen worden rondverteld over de kerkenraad en daarmee gelasterd wordt. Hij zou de laster kunnen ontmaskeren door de ware stand van zaken openbaar te maken. Toch zal de kerkenraad zich ook dan moeten houden aan de geheimhouding van vertrouwelijke zaken. Zie hierover meer in J. Kamphuis: Om de heiligheid van de gemeente, Van den Berg, Kampen, 1986, met name pp 187-189.

Appèlzaak en de gemeente

Het andere voorbeeld van het vereiste vertrouwen bij vertrouwelijkheid komt van meerdere vergaderingen. Ook op deze kerkelijke vergaderingen zullen zaken aan de orde komen die van vertrouwelijke aard zijn. Zij betreffen dan één of meer leden van één gemeente. Het gaat dan om een zaak die niet speelt in de hele classis of het hele kerkverband maar binnen één gemeente. Dat wordt aangeduid als een 'particuliere' zaak. Dat duidt niet op een privé-aangelegenheid buiten het kerkelijke, maar op het feit dat deze zaak binnen de kerk niet iedereen aangaat. Het betreft geen 'algemene' zaak, die alle kerken aangaat.

 

Vandaar dat zo'n particuliere zaak bijna altijd van vertrouwelijke aard is. De meerdere vergaderingen zijn hierbij de aangewezen instanties van appèl, van beroep. Zij moeten de vertrouwelijk gegevens verzamelen van de betrokken leden zelf en van hun kerkenraad. Of van de betreffende kerkenraad en de bijbehorende classis. Daarin passen zij hoor en wederhoor toe om hun uitspraak zorgvuldig te nemen naar het negende gebod. Om recht te doen aan omstandigheden en bijkomende zaken. Het is aan die vergaderingen om vervolgens te komen tot de rechtspraak. Die zal moeten worden bekendgemaakt aan de kerken. De uitvoerigheid daarvan wordt overgelaten aan de meerdere vergadering.

 

In de weergave van het besluit zal de toetsing van de rechtsgang aan Gods Woord en de kerkorde mogelijk moeten zijn voor anderen. Ook zullen in het besluit zelf geen zaken mogen staan die strijden met Gods Woord of de kerkorde, zoals bij een leeruitspraak (appèlzaak inzake uitspraak Ds. D. Ophoff over de zondagsrust, GS Leusden 1999, art. 25).

Maar daartoe bepèrkt zich dan de toetsende activiteit binnen de kerken. Net als de niet betrokken kerkleden inhoudelijk geen kennis krijgen van vertrouwelijke zaken bij een tuchtgeval, zo geldt ook hier dat er geen vertrouwelijke zaken worden bekendgemaakt. Het blijft een zaak tussen de appellant en de tot rechtspraak bevoegde vergadering. Ook dat vraagt vertrouwen. Ook dat heeft te maken met het afgeleide gezag dat kerkelijke vergaderingen hebben. Ook dat heeft met het gezag van Christus te maken. En daarom mag en moet er vertrouwen worden gevraagd.

Vanwege de zorgvuldigheid naar het negende gebod zal ook hier geen opening van vertrouwelijke zaken mogelijk zijn aan derden.

 

Wil je dat toch, ook na uitleg en waarschuwing, dan gedraag je je als een bemoeial (1 Petr. 4:15), die zich mengt in zaken van een ander (W.G. de Vries: De Vrijmaking in het vuur, Woord en wereld, cahier nr. 12, p. 41). Dan respecteer je het negende gebod niet. Dan kweek je wantrouwen en tast je zo het gezag aan.

 

Wanneer kerkleden dit doen, zal hen daarop gewezen moeten worden. Het zal mogelijk ingaan tegen hun eigen rechtsgevoel, en het zal een omslag in hun denken vereisen.

 

Als kerkenraden dit doen, dan is het gevaar groot dat in eigen gemeente en mogelijk daarbuiten een gezagscrisis ontstaat die zeer schadelijk is voor heel het kerkverband. En daarom schadelijk voor alle kerkleden. De vertrouwe-lijke zaak wordt zo tot een splijtzwam. Onrecht wordt geclaimd. Onenigheid en opstand is het gevolg. De ernstige en verdrietige gevolgen daarvan zijn aanwijsbaar in het verleden: de zaak Kralingen in de vijftiger-jaren, en de ontwikkelingen rond de buiten-verband-kwestie in de zestiger jaren (W.G. de Vries, a.w.).

Met deze les van de geschiedenis heeft prof. J. Kamphuis in zijn Kerkelijke besluitvaardigheid, Vuurbaak 1970, behartigenswaardige woorden geschreven over het recht om te toetsen en revisie aan te vragen van synodebesluiten inzake appèlzaken. Dat recht komt alleen de betrokkenen zelf toe, en alleen hen die het besluit moeten uitvoeren. Zij kunnen bij aantonen van strijdigheid met Gods Woord of kerkorde, met een beroep op art. 31 KO, bij de bevoegde vergadering, bezwaar maken tegen hun veroordeling. Anderen hebben in vertrouwen hiervan af te zien vanwege de vertrouwelijkheid.

 

Een ieder blijve hier op de plaats en in de roeping, waarin hij is gesteld, opdat geen individualisme de rechtszekerheid in de kerk zal ondermijnen. De 'zaak' is toevertrouwd aan de betrokken meerdere vergadering; het dossier van de zaak is niet in andere handen en behoort daar in bepaalde gevallen zelfs in het geheel niet te komen (Kamphuis, p. 64).

 

Later heeft ook de generale synode van Heemse 1984/1985 hierover een duidelijk besluit genomen. Deze synode besloot dat er bij het opnemen van besluiten inzake bezwaarschriften ('gravamina') in de acta grote zorgvuldigheid in acht genomen moest worden. Daarbij dient immers rekening gehouden te worden met de bescherming van de betrokkenen (appellant en andere betrokkenen) overeenkomstig het negende gebod. Maar ook werd erop gewezen dat alleen zij die betrokken zijn bij de uitvoering van het besluit het recht hebben op bezwaar overeenkomstig art. 31 K.O.

 

Opname in de acta (c.q. handelingen) van besluiten inzake gravamina

Wanneer naar aanleiding van een gravamen in zaken die betrekking hebben op de eigen situatie van één of meer personen of van één enkele kerk - zaken van particuliere aard - een besluit wordt genomen, zal de generale synode in elk geval afzonderlijk beoordelen, of dit besluit in zijn geheel dan wel verkort in de acta of de handelingen moet worden opgenomen.

Indien een besluit verkort wordt opgenomen in de acta of in de handelingen zal het volledige besluit toegezonden worden aan de betrokkenen en opgenomen in het archief.

Gronden:

1. Naar de regel van artikel 31 K.O. vormen niet de kerkeraden binnen het ressort van de meerdere vergadering de appèl-instantie, maar de meerdere vergadering zelf is als appèl-instantie aangewezen. De afgevaardigden naar die vergadering hebben opdracht en volmacht om ,,hof van appèl" te zijn.

2. Het niet opnemen van besluiten in de acta en of de handelingen verhindert de kerken te voldoen aan haar roeping te toetsen, of in de rechtsgang naar de normen van de Schrift en de kerkorde gehandeld is.

3. Zaken van particuliere aard die in de weg van appèl op de generale synode tot beslissing gekomen zijn, behoeven als zodanig geen beoordeling door alle kerken of haar leden. Alleen als men op enigerlei wijze tot de uitvoering van de beslissing geroepen is, treedt de mogelijkheid van het ,,tenzij" van artikel 31 K.O. op.

4. Bij besluiten in zaken van particuliere aard is terughoudendheid in acht te nemen. Deze eis tot terughoudendheid heeft niet te maken met bevoogding of willekeur, maar beschermt de kerken tegen overschrijding van de grenzen van wat haar toekomt. De terughoudendheid is bovendien vereist in verband met de bescherming van de eer en de goede naam van appellanten en andere betrokkenen overeenkomstig het 9e gebod, waaraan ook kerkelijke vergaderingen gebonden zijn.

Vroegere synoden hebben eveneens deze terughoudend-heid betracht (Vgl. o.a. Middelburg 1896, art. 94; Arnhem 1902, art. 175).

 

(Heemse 1984/5, art. 124)

 

Deze zaken zijn ook aan de orde geweest bij de behandeling van revisieverzoeken m.b.t. de zaak Zwijndrecht op de synode van Zwolle.

Er wordt momenteel veel gesproken en er vindt veel

e-mail- en briefverkeer plaats. Laten we ons in dit alles erop beproeven of we onze Here Christus werkelijk gehoorzaam volgen op de plaats en in de roeping waar Hij ons heeft gesteld.

 

* Eerder gepubliceerd in De Bazuin, Jaargang 2, nummer 22, 4 juni 2008