Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Het Verbond in de Ban

Jaargang: 
3
Datum: 
25 feb. 2009
Nummer: 
7
Schrijver: 
H. Griffioen
ID:
470
Rubriek: 

In de periode van vijftien jaar, die aan de Vrijmaking van 2003 vooraf ging, veranderde er veel in de kerken. De liturgische veranderingen hebben bij ons misschien de meeste herinneringen achter gelaten.
Toch is het goed om nog eens een andere richting uit te kijken en te zien wat er in die tijd rondom de prediking gebeurde.
Er waren predikanten die niet meer over de Kerk preekten, eenvoudig omdat zij over dit onderwerp nieuwe gedachten hadden ontwikkeld.
Anderen, en dat waren de meeste, preekten niet meer over het Verbond. Het woord verbond werd taboe en na enige tijd helemaal niet meer genoemd. We zouden kunnen zeggen dat er een ‘Verbondsmoeheid’ optrad.
Waar de moeheid vandaan kwam? Misschien was het in de kerken gegaan als bij het volk Israël, men kreeg genoeg van het kostelijke manna, en men vond het hemelvoedsel maar ‘flauwe spijs’.
In de kerken die deformeerden werd niet meer gesproken over het Verbond. Bij de doopsbedieningen verdween de Psalm die sprak van: “het Verbond met Abraham, zijn vrind”.
Ds. J.C. Sikkel, die met de doleantie van 1886 weer gereformeerd geworden was, schreef over dit onderwerp in zijn boek: “Troost Mijn Volk”. Uit dit werk willen wij het een en ander opdiepen en zien hoe in vorige eeuwen de trouwe kerk van de Here over Verbondsvervreemding oordeelde en sprak.


De rijkdom van het Verbond

Ds. Sikkel schrijft in mooie bewoordingen over de beloften van het ‘Verbond des HEREN’, het zijn de beloften van de HERE, die het 'Volk des HEREN’ vertroosten.
Naast de beloften zijn er ook eisen, geboden en opdrachten die ons tot vermaning dienen.
De vertroostingen en vermaningen, beiden klinken in de ‘Kerk des HEREN’, wanneer daar verbondsmatig wordt gepreekt. Dat blijft zo, tot in lengte van dagen, tenminste als het volk trouw blijft en zich altijd weer opnieuw tot de HERE keert.

Ontrouw en afkeer

Maar als het kerkvolk ontrouw wordt, de HERE gaat verlaten, Hem de rug toekeert, ja Hem verwerpt, dan wordt alles anders, dan gaat Hij hen oordelen naar dat Verbond, hen dat Verbond verwijten! Dan wijst Hij verwijtend naar de ‘afspraken’ die overeengekomen zijn bij de verbondssluiting en Hij roept hen toe: “Bekeert u nú”
Maar als men zich niet bekeert, dan gaat het van ontrouw naar afdwaling en van afdwaling naar afval. Men heeft de oproep tot bekering geminacht en is zijn eigen gang gegaan.
Als dit verschrikkelijk gebeuren zich voltrekt en het kerkvolk volhardt in eigenzinnigheid en afval, dan mogen wij als betrokkenen of als toeschouwers nooit zeggen: “Hij, de HERE, heeft hen weggezonden, het is de HERE die niet verder met hen wilde”. Ds Sikkel zegt in “Troost Mijn Volk” deel 1:

    Nooit heeft Hij zijn Bondsvolk weggezonden. Nooit heeft Hij tot één der kinderen van zijn Volk gezegd: “Zoek Mij tevergeefs!” (blz. 299)

Als de Kerk deformeert, afdwaalt en volhardt in haar vrijzinnigheid, dan heeft de HERE daar géén schuld aan. Voor hulp en bijstand, voor terugkeer, konden zij altijd bij Hem terecht. Hij liet Zich altijd vinden, maar zij hebben niet gewild.
De gedachte dat het de mensen hun eigen schuld is wanneer zij verdwalen, en dat de HERE volkomen vrij-uit gaat, vinden we in Jesaja 50 vers 1:

    “Zo zegt de HERE: Waar toch is de scheidbrief uwer moeder, waarmede Ik haar verstoten heb? Of wie van mijn schuldeisers is het, aan wie Ik u verkocht heb? Zie, om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht en om uw overtredingen is uw moeder verstoten”.

Waar toch is de scheidbrief? Deze brief is nooit geschreven! Die is er nooit geweest! De HERE hééft Israël niet weggezonden, u bent zèlf van Hem afgeweken.
De HERE verbrak zijn verbond niet, maar het volk moest in ballingschap vanwege eigen zonden en overtredingen.
Nee, de HERE zendt niemand weg, ook zijn Kerk van het Nieuwe Verbond niet.
Maar als Zijn volk volhardt in het kwaad en de afval z’n gang laat gaan, dan zijn het dìe zonden die de Kerk ten onder doen gaan. Behoudens de rest, die door de gunst van de HERE het vaste spoor mag blijven volgen.

Verloochening van het Verbond

Het Verbond is zo vol rijkdom. De Gemeente van Christus heeft alle reden om te blijven bij haar volle waardering voor het Verbond.
De HERE omgeeft de Kerk met het Verbond, vormt met het Verbond een kring om de gemeente. Brengt de gemeente binnen de verbondskring en daarmee tot de volle rijkdom van Moeder.
Onze Moeder, het ware Jeruzalem, van haar ontvangen wij in de Gemeente liefde en zorg. In haar willen wij zijn en in haar verlengde, het Jeruzalem dat boven is, daarin willen wij eeuwig blijven!
Zou het bij zoveel ontvangen weldaden mogelijk zijn dat wij het Verbond vergeten? Dat wij ons afkeren van verbondsmatige prediking? Zouden wij zelfs zover kunnen komen, dat wij doen alsof er in de Schrift niets over het Verbond geschreven stond?
Als dat zo was, dan zouden we daarmee het Verbond verloochenen en dan zouden we daarmee onze voeten zetten op het spoor van vervreemding, verduistering en totale verarming.

    “De Kerk glijdt af, zinkt weg, schijnt ten onder te gaan. De levendigheid van haar leven wijkt. De genieting uit de schat des Verbonds wordt haar vreemd. Haar oog verduistert, zij mist de koestering, de gloed en de glans, de rijkdom en de weelde van het licht.” (301)

Afglijden en wegzinken, louter alleen vanwege ....... , ja waarom? Omdat men eens wat anders wil? Omdat men eens wat nieuws wil? Omdat men niet de moeite wil nemen om verbondsmatig te preken? We weten het niet, maar we hebben het na 1985 allemaal in de kerken meegemaakt. Het Verbond was niet meer in tel. Het verdween uit de preken. Er werd niet meer van gehoord. Het Verbond was in de Ban gedaan.

Gevolgen van de verbanning

Het is niet gering, afscheid te nemen van de prediking naar het Verbond. Het oog wordt verduisterd, de prediking wordt stuurloos en mist de bedoeling van de Schrift. De warmte verdwijnt, de veilige beschutting van het Verbond wordt vergeten. De glans en de rijkdom gaan verloren, het is alles verlies en verarming. De woordbediening krijgt steeds meer te lijden:

    “Het Woord schijnt te verstenen, het rimpelt in; verschrompelt, het wordt dor en oud. De kracht des Geestes in de bediening des Woords wordt niet gekend. De gaven van de Geest, in de toerusting der dienaren blijven weg”. (301)

De Woordbediening, die toch het centrum van de eredienst vormt, verliest het elan. Het worden praatjes van tien minuten, dan is alles gezegd. De predikanten verdorren, samen met het Woord. We kunnen zeggen: allerwegen is ‘de dood in de pot’.

    “In de gemeenschap der gelovigen is het geeuwerig arm. Tot bezieling der kerk schijnt het Woord onbekwaam. Het lichaam dreigt uiteen te vallen. Slechts in kleinere kring vindt men enige voeling” (301).

Geeuwerig arm wordt de gemeente, het wordt een groep van eenlingen. Een ieder heeft voor zichzelf iets dat hem aanspreekt. Waarom zouden ze nog samenkomen? Trouwens, wat de predikant en z’n preek aangaan, er zijn nog maar enkelen die de ‘nieuwe theologie’ van hun predikant onderkennen en er warm voor lopen. En voor het rijke Woord van God,

    “de Schrift, gelijk die slechts in Abrahams Tent, in Christus’ Gemeente, als het Woord van het Koninkrijk spreekt (...) verandert in een grauwe mistwolk, die rampzaligheid profeteert over de doden.” (301)

Wèg is de rijke kring, destijds door het Verbond rondom de gemeente getrokken.
In Abrahams tent ja, daar leefde het Verbond “met Abraham Zijn vrind”. Het was daar alles vastheid, beschutting en een gedragen worden door de HERE. Het Verbond was uitgangspunt, en Gods spreken rijk en beloftevol.
Maar in de ‘vernieuwende’ kerk, waar men doet alsof er geen Verbond bestaat? Daar blijft niet veel troost meer over. Daar zal men voortaan zèlf gaan uitzoeken wat men van God moet denken en hoe het er met Zijn dienst voorstaat. Daar staat men persoonlijk voor de uitdagingen, en maakt men zelf de keuzes. Daar wordt men als de “evangelischen”, die zèlf kiezen als het om het leven met de HERE gaat.
Als we het verbondsmatige verliezen, als in de prediking de bakens worden verzet, dan verandert gelukzaligheid in rampzaligheid en het leven in de dood.
En het kerkelijk leven, wat komt daar nog van terecht?

De kerk in verval

Waar de ‘veranderende’ kerk nog ongeschonden lijkt voort te gaan, daar is heel wat aan de hand, meer dan aan de buitenkant te zien is.

    “Zo sukkelt de gemeente voort (...) voor haar goede figuur alleen, voor haar uitwendige behoeften en belangen, voor de gewilde vorm (...) met knappe sprekers misschien; een paar mensen met geld; misschien een weeshuis en een armhuis als hoogste bezitting.” (301)

Veruitwendiging van de godsdienst, met enkele projecten van barmhartigheid, dat is de schrale balans van dat kerkelijk leven. Eens zo rijk, bezittend de weelde van het Jeruzalem, ons aller Moeder.
In de kerkgemeenschap die wij in 1944 verlieten, heeft het proces van veruitwendiging en verarming zich inmiddels geheel voltrokken. Zo zal het ook gaan, als de Here het niet verhoedt, met de ‘vernieuwende’ Kerk, die de Verbondsprediking losliet.
Er zijn dan nog allerlei activiteiten, dat wel:

    “Maar zonder te leven uit ‘de schat van het Verbond’. Zonder de weelde der Moeder. Zonder Jeruzalem, dat boven is, te realiseren op aarde.
    Dat geeft dan de Kerk zelfs op. Zij trekt er de schouders voor op, al houdt ze de kinderdoop nog aan. In de preek hoort gij er niet meer van.” (302)

Deze woorden, meer dan een eeuw geleden geschreven, geven haarfijn aan, hoe de stemming is in de ‘moderne’ Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt): kinderdoop, waarom eigenlijk? Volwassendoop laat toch veel beter zien, dat ‘ik’ zèlf mijn keuze gemaakt heb?
Ik heb zelf besloten de HERE van nu af aan, zo en zo te gaan dienen. De eigen keuze wordt de grond voor het optreden in de toekomst.
Hoe arm en schraal. Wie zal daarmee in de stormen van het leven stand kunnen houden?
De bodem is verdwenen onder het leven, niet alleen voor de enkeling, maar voor de hele gemeente.

De lege preek

De prediking zwijgt over de rijkdom van de kinderdoop. Trouwens heel het spreken versmalt en verarmt:

    “Terwijl de Dienst des Woords het Verbond verzaakt. Terwijl de Schrift geplunderd wordt voor het willekeurige leven, gelijk de Tempel, beroofd van haar goud. We brengen heel de schat van het heiligdom naar de lommerd, om weer een zondag door te komen met een lekkere hap”. (302)

De Schrift geplunderd naar eigen smaak, die levert nog wel een ‘lekkere hap’. Het consumentisme ten top. De verarmde kerk wordt als een MacDonalds, het levert op bestelling, voor ieder wat wils. Je gaat er heen om weer even op krachten te komen. Even wat goede woorden, en je bent tevreden.
Maar de HERE, is Hij in de dienst geëerd, zoals het in een eredienst past? Nee, Hem wordt niet de eer gebracht. Hij moet aanzien dat ‘de Schat van de Kerk’ geminacht en verkwanseld wordt. Het Verbond wordt ingeruild voor wat geen waarde heeft.
De preek die nog gehouden wordt mag de naam van Verkondiging niet meer dragen. Er wordt slechts geleverd “een zoete beker, een lief woord en wat gevoelige ogenblikken”.
Dat blijft er over, van wat eens de rijkdom van de Kerk was.

Weer thuis

Een lege prediking, verbondsmoeheid ..... Door de gunst van de HERE mochten wij de dorre plaatsen achter ons laten.
Hij doet ons weer week aan week genieten van een rijke Verbondsprediking.
Hij heeft “Zijn Bondsvolk uitgeleid als een Bruid, die haar versiersel draagt. Een Moeder wier kinderen leven”. (304)
Heerlijke verlossing. Wij zijn weer Thuis!

.