Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Vandaag

Jaargang: 
1
Datum: 
28 mrt. 2007
Nummer: 
12
Schrijver: 
T.L. Bruinius
ID:
57

In het vorige artikel in deze rubriek hebben we gezien dat belijden niet alleen een persoonlijke zaak is maar een zaak van heel de gemeente, van heel de kerk. De kérk is geroepen om te belijden. Om Gods Woord na te spreken. Om openlijk van dat Woord te getuigen. Dat belijden heeft de kerk in de geschiedenis vastgelegd in de belijdenisgeschriften. In de drie kleine algemene belijdenisgeschriften en in de zogenaamde Drie Formulieren van Eenheid. Die roeping om te belijden kwam tot de kerk wanneer de kerk werd aangevallen of bedreigd door valse leer. In het belijden van de kerk wordt, op grond van en in overeenstemming met Gods eigen Woord, de dwaling afgewezen en aan de waarheid van Gods Woord vastgehouden. Daarom horen de Drie Formulieren van Eenheid deel uit te maken van de grondslag van al onze kerkelijke organisaties. En van alle organisaties waarin we ons als gelovigen verenigen.
De belijdenis is voor de kerk een onopgeefbaar fundament.
In dit artikel willen we nog wat meer zeggen over de betekenis van de belijdenis, zonder aanspraak te maken op volledigheid.


Niets nieuws

Vaak wordt gezegd dat de belijdenisgeschriften van de kerk nogal tijdgebonden zijn. Begrijpelijk dat ze zo werden opgesteld in een bepaalde tijd. Maar nu, in onze tijd, niet meer van betekenis. In onze tijd zijn er andere dwalingen, ander problemen, andere vragen. Eigenlijk zou iedere generatie zijn eigen belijdenis moeten opstellen. Over de vragen van de eigen tijd.
En zo wordt het gezag van de belijdenis, als het amen van de kerk, verwezen naar de historie. Niet meer geldig voor ons, mensen van de eenentwintigste eeuw.
Nu zal het wel waar zijn dat iedere tijd zijn eigen vragen heeft. In onze tijd is bijvoorbeeld de vraag hoe we moeten omgaan met de techniek en met de ontwikkelingen in de medische wetenschap, veel meer aan de orde dan in de zestiende en zeventiende eeuw, toen de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB), de Heidelbergse Catechismus (HC) en de Dordtse Leerregels (DL) werden opgesteld. Dús geeft de belijdenis op die belangrijke vragen geen antwoord. Dús hebben we er niet zoveel aan. En dús moeten we misschien wel een nieuw geloofsartikel opstellen.
Allemaal heel logisch. Niets tegen in te brengen.
Tenminste ...... Is dat echt zo? Zijn die vragen van de eenentwintigste eeuw echt zo nieuw?
In de NGB lees ik meteen al in art. 1 over Gods almacht. Zegt dat dan ook niet meteen al iets over wetenschap en techniek?
In de HC lees ik in antwoord 94 dat ik alleen op God moet vertrouwen. Dan hoef ik het toch niet te verwachten van de stand van het wetenschappelijk onderzoek?
En in Zondag 40 HC lees ik over het zesde gebod. Dan ken ik toch de grenzen die de Here stelt als het gaat over leven en dood in onze tijd?
Er wordt in de behoudende gereformeerde kerkgenootschappen wel gewaarschuwd tegen de invloed van het evangelische denken. Zou daar niet eens een geloofsartikel aan gewijd moeten worden? Maar in art. 15 en 16 van de NGB wordt de leer van Pelagius, de leer van de vrije wil, al afgewezen. En de Dordtse Leerregels zijn er helemaal aan gewijd.
Als we goed nagaan wat de nieuwe vragen zijn van onze tijd, dan blijken het heel vaak oude vragen te zijn in een nieuw jasje. Het woord van de Prediker: `er is niets nieuws onder de zon`, is heel erg waar. Allerlei vragen over het gezag van Gods Woord, over de ambten, over de verkiezing, over de kerk, over het Verbond, over de sacramenten, over het gehoorzamen van de overheid, over het omgaan met je eigen lichaam, en vele andere, zijn altijd aan de orde geweest. In de eerste eeuwen van onze jaartelling, in de tijd van de Grote Reformatie, in de negentiende eeuw, en ook weer vandaag. We moeten achter de voor de hand liggende vragen kijken. Wat ligt daar nog onder? Dan blijken hedendaagse problemen verrassend oud te zijn. `Toen heb ik de Heer aangenomen!` Een echte evangelische uitspraak van onze dagen. Aantrekkelijk en gevaarlijk. Maar Pelagius zei het al in 400 na Christus. En de Remonstranten riepen het in 1618. De belijdenis van de kerk geeft al vele eeuwen hetzelfde schriftuurlijke antwoord.
De belijdenis niet meer van deze tijd? Gods Woord is van alle tijden. Evenals de zonden van de mensen. Ook voor onze eenentwintigste eeuw spreken de belijdenisgeschriften actuele en duidelijke taal.

Beeldvorming

De kerk heeft vaak last van verkeerde beeldvorming. Van laster. Van leugenachtige verhalen. Toen het nieuwe kabinet aantrad werd uit een bepaalde hoek alles `uit de kast` gehaald om dit kabinet, dat gezien werd als christelijk, onderuit te halen. De nieuwe christelijke bewindslieden zouden er op uit zijn om af te rekenen met de democratie. Om een christelijke dictatuur te vestigen. Dat was ongeveer de teneur. Als het niet met zoveel haat en duivelse arrogantie gebracht werd, zou het belachelijk zijn. Want christenen komen toch niet met geweld en dwang? Ze respecteren toch de overheid en de wetten? In die lasterlijke en hatelijke uitspraken voelt ook de wettige kerk van de Here zich aangesproken. Voor de lasteraars zijn immers alle kerken gelijk.
Guido de Brès, de opsteller van de NGB, wist er ook van. De gereformeerden in zijn tijd werden getekend als brutale ketters en revolutionairen. Als mensen die van Gods Woord niet wilden weten en die zich niet wilden buigen voor de koning. Pure laster. Maar het deed wel zijn werk.
Guido De Brès voegde aan de belijdenis een brief toe. Daarin legde hij uit dat de gereformeerden juist niets anders willen dan van harte de Here dienen naar zijn Woord. En dat ze juist de koning eerbiedigen en gerust en stil onder zijn bescherming willen leven. De koning kan het zelf lezen! Zie maar! En dan volgt de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Zo kwam hij op tegen laster. Voor een eerlijk beeld van de kerk. Ja, hij gaf een trouw getuigenis van het werk van de Here. Want wie de kerk van de Here lastert en aanvalt, die steekt zijn vuist op naar de Here zelf.

Zelfs heel dicht bij huis vindt die lasterlijke beeldvorming plaats. Onze kerken zijn er bijvoorbeeld tijdens de jongste vrijmaking van beschuldigd onze eigen inzichten boven Gods Woord te plaatsen. Bewezen werd de beschuldiging niet. Maar sommigen hebben wel een Farizeïstisch beeld van onze kerken getekend. Dan is het goed om de belijdenis te hebben. Altijd wanneer de kerk gelasterd wordt, altijd wanneer er onware verhalen over de kerk worden verteld, kunnen we wijzen op die belijdenis. Net als Guido de Brès. De belijdenisgeschriften behoren tot het fundament van de kerk. Daar mag iedereen ons aan houden. Zegt u dat we zo en zo zijn? Neem dan de belijdenis. Dit geloven wij. Dit leren wij. Dit zijn wij, door Gods genade. Dit is het juiste beeld. Ja, kerkleden zijn zondige mensen. Mensen die dwalen en struikelen. Wijs ons dan maar waar wij afwijken. Zodat we ons kunnen bekeren. Maar stop met het lasteren van de kerk van de Here.
Zo mag en moet de kerk, met de belijdenis in de hand, laster en verkeerde beeldvorming afwijzen. En wil iemand echt weten wie we zijn, wat De Gereformeerde Kerken leren? Laat hij de belijdenis lezen, de Drie Formulieren van Eenheid. Aan de belijdenis mag men de kerk kennen. Dat mag openlijk. Publiek. Guido de Brès richtte zijn boekje, de NGB, aan de koning. Aan de wettige overheid van zijn dagen.

De kerk van alle eeuwen

We hebben de uitdrukking al eerder gebruikt: `we belijden met de kerk van alle eeuwen....` Door de eeuwen heen ligt de leer van de kerk, de leer van de Bijbel, vast. In de belijdenisgeschriften wordt van die leer een overzicht gegeven. Een uitleg soms. Daardoor zijn de belijdenisgeschriften ook heel geschikt om de leer van de kerk steeds weer door te geven aan nieuwe generaties. Want wat daar in staat verandert niet. Voor iedere nieuwe generatie kerkmensen, voor ieder nieuw geslacht van gereformeerden, is die leer dezelfde. Steeds weer moet de opgroeiende jeugd, steeds weer moeten de jonge mensen in de kerk leren wat de leer van de kerk is. Zodat die leer bekend en bewaard blijft. Zodat de leden van de kerk vasthouden aan de waarheid van het evangelie, de geslachten door. Zo zijn de belijdenisgeschriften ook leerboeken. De Heidelbergse Catechismus is zelfs speciaal als leerboek geschreven. Als de kerk die geschriften laat liggen lijdt ze grote schade. Maar opnieuw oog krijgen voor de schat van de kerk maakt rijk. Wat een ontdekkingen deden onze voorouders ten tijde van de Afscheiding toen ze opnieuw de Dordtse Leerregels gingen lezen!

Wapenrusting

We vatten het nog eens samen. Waar dient de belijdenis van de kerk voor? Om de leer van de kerk vast te houden en te verdedigen. Om die te bewaren tegen dwalingen en valse leer. Om te ontdekken dat allerlei hedendaagse aanvallen op de kerk niet nieuw zijn maar van alle eeuwen. En al lang geleden weerlegd. Om tegen lasteraars te getuigen van de waarheid. Openlijk en publiek. Om ons aan iedereen te laten kennen. Om de leer van de kerk ongeschonden door te geven aan volgende generaties.
We zijn veel bezig met Bijbelstudie. Dat is goed en noodzakelijk. Maar de belijdenis moeten we ook niet laten liggen. Laten we de inhoud van de belijdenis, van de Drie Formulieren van Eenheid, maar bestuderen. En ons die inhoud eigen maken. Zodat we de kennis van de christelijke leer toevoegen aan onze wapenrusting. En daarmee toegerust, op de plaats die de Here ons geeft, meewerken aan het bouwen en verdedigen van de kerk. In onze tijd. Vandaag!

In een volgend artikel hopen we nog iets te zeggen over de betekenis van de belijdenis voor de eenheid van Christus´ kerk.