Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Valse profetie, een miskend gevaar (2, slot)

Jaargang: 
5
Datum: 
06 apr. 2011
Nummer: 
13
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
803
Rubriek: 

Ziet toe dat niemand u verleide! (...) En vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden,... Want er zullen valse christussen zijn en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden. Matt. 24: 4, 11, 24

Valse profeten in Israël

Door heel Gods Woord heen klinkt de waarschuwing voor het gevaar dat uitgaat van valse profeten. Dat gevaar wordt steeds groter naarmate wij dichter komen bij de wederkomst van Christus. Daarom waarschuwt de HERE er zo indringend tegen, wanneer Hij over de laatste dingen spreekt. Wij maakten de vorige keer (De Bazuin, jg. 5, nr. 9) een begin met deze zaak. Daarbij maakten we ook gebruik van wat dr. G.C. Aalders schreef in zijn dissertatie “De valsche profetie in Israël”. Juist wat in het oude testament hierover is opgeschreven, staat niet los van wat Paulus schreef in Rom. 15: 4:

    Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden.

Dat wordt voor ons onderwerp extra duidelijk, uit de al aangehaalde verbinding tussen oude en nieuwe testament, die Petrus legt:

    Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars
    zullen komen,... (2 Petr. 2: 1

In het vorige artikel stelden we het volgende vast:
- Valse profeten zijn pseudo-profeten: zij lijken in hun spreken en in hun gedrag sterk op de ware profeten van de HERE.
- Een extra probleem vormt dat zij ook goddelijk gezag opeisen, en zich beroepen op goddelijke openbaring. Ook zij zeggen te spreken “in de naam van de HERE”, net als de ware profeten.
- Dat zal verwarring geven als je hun spreken niet toetst aan Gods Woord en aan de uitkomst van hun voorzeggingen.
- De ware profeten beschuldigen hen terecht van leugens, bedrog en misleiding.
- Het volk gelooft en volgt in meerderheid toch juist de valse profeten en niet de ware profeten.
- Voor dit laatste is een belangrijke verklaring dat de valse profeten het volk naar de mond praten, waardoor het zich gevleid voelt.
- De ware profeten wijzen daarentegen vaak op zonden en nalatigheden bij het volk, en roepen op tot bekering. Daardoor zijn ze bij de meesten niet geliefd, en stoot men zich juist aan hen.

Oorsprong

Bij valse profeten gaat het in het oude testament in meerderheid om mensen die uit het volk zelf voortkwamen. Er zijn uitzonderingen zoals Bileam, maar verder waren ze vrijwel allemaal gewoon Israëlieten.
Voor een belangrijk deel waren ze ook gewoon voortgekomen uit profetenscholen, en hoorden dus tot de “profetenstand”. Deze scholen waren onder Samuël tot stand gekomen, zodat er hele scharen van profeten waren (1 Sam. 10: 10; 19: 20; 2 Kon. 2: 7,16; 4: 43) Daarbij zullen we mogen denken dat een deel van hen zich zal hebben voorgenomen in de dienst van de HERE bezig te zijn. Bij een ander deel zal het vooruitzicht op een goed inkomen een rol gespeeld hebben. Zo worden de valse profeten ook wel aangeduid als “broodprofeten”, wanneer ze meer letten op hun inkomen dan op hun roeping van de HERE (Amos 7: 12-15).
Maar hoe kan het dan dat deze profeten zich zo hebben ontwikkeld dat ze de HERE juist tegenspraken en Hem zo ontrouw werden?

Daarbij zullen we drie factoren moeten bedenken:
(1) de zwaarte van de opdracht die het profeet zijn van de HERE met zich mee bracht,
(2) de reactie van het volk, en
(3) de zondige begeerten in het hart van de profeten.
De opdracht die de HERE aan zijn knechten geeft, vraagt wel hun hele inzet. Het kan zwaar zijn wat de HERE vraagt, ook als ze Hem wel toegewijd willen zijn. Denk aan Mozes (Ex. 4: 10v), Jona (Jona 1: 3v), Jeremia (Jer. 1: 6; 20: 7v), Elia (1 Kon. 19: 1v). De taken van de HERE die Hij Zijn dienstknechten geeft zijn ook vaak beproevingen voor henzelf. Hun zwakte en hun tekort aan vertrouwen op de HERE kan ertoe leiden dat ze hun roeping verzaken. Ook een gelovige profeet zal daarom steeds hulp van de HERE nodig hebben en deze moeten inroepen om zijn taak te kunnen volbrengen, om trouw te kunnen blijven.

Spreek aangename dingen

Het volk wilde graag iets anders horen dan de profeten hen namens de HERE moesten zeggen. Van het gemor onder het volk ging ook een verzoeking uit. Dat zien we al bij Mozes (Ex. 14: 10v, 16: 2v; 17: 2v; Num. 11: 1v; 20: 2v). Het leidde ertoe dat Mozes tenslotte door het volk zelf het land Kanaän niet binnen mocht trekken (Deut. 4: 21v).
Daarnaast lokte het volk woorden uit die plezierig, aangenaam voor de oren waren, met weglating van vermaning tot gehoorzaamheid aan de HERE.
De HERE Zelf beoordeelde zo Zijn volk in Jes. 30: 9-11. Hij legde via Jesaja bloot wat het wilde horen van de profeten:

    Want het is een weerspannig volk, leugenachtige kinderen, kinderen die de wet des HEREN niet willen horen; die tot de zieners zeggen: Gij zult niet zien; en tot de schouwers: Gij zult voor ons de waarheid niet schouwen, spreekt tot ons aangename dingen, schouwt begoochelingen; wijkt af van de weg, buigt af van het pad, doet de Heilige Israëls weg uit onze ogen.

En in Amos 2: 12 zegt de HERE:

    Maar gij gaaft de nazireeërs wijn te drinken en geboodt de profeten: Gij moogt niet profeteren!

Gods eigen volk wilde dus de waarheid van Hem niet horen, was het oordeel van de HERE.
Het luisterde liever naar woorden die het aangenaam vond, en drong er bij de profeten op aan om dat te doen.
Zo dreef de profeet Micha de spot met de koningen Achab en Josafat, door hen te laten voelen, dat ze toch alleen maar wilden luisteren naar wat ze zelf wilden horen, ook al betrof dit de stem van een leugengeest (1 Kon. 22: 1-28).

Eigen wortels

Aalders noemt een aantal zaken van het eigen hart die de valse profetie in Israël in de hand hebben gewerkt. Als een heel belangrijke zaak ziet hij de zucht naar eigenwilligheid m.b.t. de toekomst. Men wilde graag eigenmachtig “waarzeggen” buiten God om. Men wilde kennis hebben van wat alleen aan God toekomt, met betrekking tot de dingen die komen. Die zonde gaat terug op de zondeval. Ook toen al wilde de mens, op ingeven van de slang, zijn als God, kennende goed en kwaad.
Het is opvallend hoe vaak in de Bijbel juist die eigenmachtige waarzeggerij van de valse profeten aan de kaak gesteld wordt (zie eerste artikel).

Daaraan gepaard ging ook grootheidswaan tegenover de HERE en Zijn trouwe dienaren (1 Kon. 22: 24; Jer. 28).

Dan waren er nog twee andere met elkaar verband houdende factoren. De eerste was uiting van Israëls ‘volksgeest’: Men wilde het volk vleien met dezelfde geest die ook in hen was.
Daarnaast was men uit op eigen voordeel, eigen eer en roem.
Zo speelde men in op de volksgunst tot eigen populariteit.

Kentekenen

Waaraan kunnen we deze valse profeten herkennen? Omdat er een grote gelijkenis is in optreden en gedrag met dat van de ware profeten, is dat niet altijd gemakkelijk. Het kan zijn dat het gedrag van zo’n valse profeet of dwaalleraar in strijd is met Gods Woord. Daar staan wel voorbeelden van in de Bijbel (2 Petr. 1: 21). Maar ook zullen er valse profeten zijn geweest en nog zijn, die een ”onbesproken gedrag” tonen.

Het vertonen van tekenen en wonderen zal zelfs voor valse profeten mogelijk zijn (Matt. 24: 24).
Wat betreft het nagaan van de uitkomst van gedane voorzeggingen (Deut. 18: 21, 22), de HERE wijst op het belang daarvan. Als blijkt dat niet uitkomt wat men heeft voorzegd, kan dat woord nooit van God zijn uitgegaan. Maar Det. 18: 22 is niet bedoeld om een altijd geldend criterium aan te wijzen. Wel om je af te wenden van leraars die dingen zeggen die niet blijken uit te komen.
Maar wat altijd wel mogelijk is, en daarom ook het ene harde beslissende criterium is, is de toets naar overeenstemming met Gods Woord. In het oude testament betrof dat de overeenstemming met het tot dan toe geopenbaarde Woord van God (Deut. 13: 1,2; Jes. 8: 19, 20; Jer. 28: 7-9).

Wij kunnen daarvoor gewoon de hele Bijbel gebruiken. Maar dan zullen we de Bijbel wel moeten kennen! Dat Woord is ons Evangelie, dat ons Christus leert, onze Hoogste Profeet en Leraar, die ons God de Vader en Zijn verborgen raad bekend maakt.
Van Hem leren we ook dat en hoe we dwaalleer moeten ontmaskeren, opdat we niet worden misleid. Om te kunnen blijven vasthouden wat we hebben, het zuivere Woord van God, en zo – door de bewarende hand van Christus - te kunnen standhouden in het uur van de verzoeking die over de hele wereld komt (Openb. 3: 10,11)
Het Woord van God kunnen we alleen bewaren tegen leugen en misleiding, als we het met een gelovig inzicht kennen. Dan alleen kan het ons zijn tot een zwaard van de Geest, als onderdeel van Gods wapenrusting (Ef. 6:17).

Gods naam ijdel gebruikt

Wij leven in een postmoderne tijd met de geest van tolerantie. Daarom is belangrijk te zien dat de Schrift ons leert dat de HERE geen valse profetie wil dulden. Voor Hem is niet bestaanbaar dat te midden van Zijn kerkvolk ware profetie zich rustig laat mengen met valse profetie. Wanneer de ware profeten zich keren tegen de valse profeten, dan doen ze dat dan ook in opdracht van Hem. Het is niet zo dat de ware profeten wel voor zichzelf moeten opkomen, als hun profetische woorden worden ontkend of tegengestaan. Nee, het is de HERE Zelf die door Zijn knechten de valse profetie ontmaskert, tegenspreekt, beschuldigt en veroordeelt. Zijn knechten lijden er wel onder, ze ondergaan niet alleen het verdriet dat het volk niet naar hen wil luisteren, en dus niet naar het Woord ten leven van de HERE. Maar ook ondervinden ze tegenstand en smaad van de kant van het volk, aangevoerd door hun valse leiders. Dat kan er zelfs toe leiden dat deze profeten door hen worden gedood (Matt. 23: 29-38; 1 Tess. 2: 15).

De HERE toornt tegen de valse profeten. Het is niet alleen eigenwilligheid in de dienst aan Hem, zonde tegen het tweede gebod. Het is vooral ook zonde tegen het derde gebod: men heeft de naam van de HERE ijdel gebruikt. Men heeft zich voorgedaan als Gods profeten, die in Zijn naam spreken. Door hun leugenachtig en bedrieglijk spreken hebben ze zo Zijn naam geschaad. Het derde gebod leert ons, dat de HERE dat niet onschuldig zal houden. Het volk dat deze valse profeten steunde en volgde staat zo schuldig, maar vooral deze valse profeten zelf. Het ja van de waarheid van Gods Woord, het ja van het spreken in Zijn naam verdraagt zich niet met het nee van de leugen die Gods Woord verdraait, waarmee Zijn naam ijdel wordt gebruikt.

Ja tegenover nee

Het is daarom een groot kwaad als in de kerk het ja van ware profetie en het nee van valse profetie naast elkaar voorkomen. Een kwaad in de ogen van de HERE. Want Hij heeft gezegd in het oude testament tot zijn kerk:

    Die profeet of dromer zal ter dood gebracht worden, omdat hij afval gepredikt heeft van de HERE uw God, die u uit het land Egypte geleid, en uit het diensthuis verlost heeft – om u af te trekken van de weg die de HERE, uw God, u geboden heeft te gaan. Zo zult gij het kwaad uit uw midden weg doen (Deut. 13: 5);
    Maar een profeet die overmoedig genoeg is om in mijn naam een woord te spreken, dat Ik hem niet gebood te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt- die profeet zal sterven (Deut. 18:20).

De kerk zelf heeft dus opdracht gekregen om het kwaad uit haar midden weg te doen (zie ook 1 Kor. 5). Maar als ze dat niet doet? Dan zal de HERE dat in ieder geval Zelf doen. Zijn oordeel over hen gaat heel ver: ze zullen geen deel hebben in Zijn koninkrijk. In Ez. 13: 9 spreekt de HERE dit zó stellig uit dat Hij Zijn naam daaraan verbindt:

    Mijn hand zal zijn tegen de profeten die bedrieglijke dingen schouwen en leugen waarzeggen; tot de kring van mijn volk zullen zij niet behoren, in het boek van het huis Israëls niet ingeschreven worden, en in het land Israëls niet komen, en gij zult weten, dat Ik de Here HERE ben.

Concreet betekent dit dat bij uitblijven van berouw en bekering over leugenachtige leringen, waarmee dwaalleeraars de kerk van Gods weg aftrekken, er door de HERE Zelf censuur over hen geëist wordt, ongeacht de mooie dingen die ze verder hebben gezegd. En ongeacht hoe mooi hun “nee” ook als “vrede” in de oren van het kerkvolk klonk. Door de HERE wordt geen nee naast ja geduld. Door Hem wordt niet geduld als er vrede verkondigd wordt waar opgeroepen moet worden tot bekering en berouw (Ez. 13:10; 2 Tim. 3:5)

Ook in het nieuwe testament wordt dit ons met de grootste stelligheid geleerd:

    Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, (u) een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt! Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, zeg ik thans nog eens: indien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt! (Gal. 1: 8,9)

De HERE, uw God, stelt u op de proef

In de kerkgeschiedenis en in onze actuele situatie herkennen we het bestaan van valse profetie en de verwoestende werking ervan als deze niet wordt onderkend en/of niet wordt uitgebannen. Maar ook voor de toekomst zullen we er steeds mee moeten rekenen.
De woorden van Joh. 4:1 zijn brandend actueel voor nu en voor de toekomst:

    Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan.

De vraag moet dan ook wel opkomen: wat is nu de bedoeling van de HERE dat Hij juist in Zijn kerk valse profetie laat opkomen? We willen daarmee niet aan de orde stellen dat God de bron van het kwaad is, want dat is uitgesloten (Jak. 1: 13). Maar er gaat niets buiten Zijn bestuur en leiding om. Dat geldt voor alles, maar zeker voor Zijn kerk die Hij toch als Zijn oogappel wil bewaren?
Ook op de vraag naar de bedoeling, heeft de HERE in Zijn Woord het antwoord gegeven. Het is een antwoord dat ons direct voor de HERE plaatst in onze band met Hem. Wanneer in Deut. 13: 1, 2 de HERE via Mozes waarschuwt tegen het optreden van een profeet onder de Israëlieten die een teken of wonder doet met de oproep om andere goden achterna te lopen en die te dienen, staat er:

    Want de HERE, uw God, stelt u op de proef om te weten, of gij de HERE, uw God, liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel. De HERE, uw God, zult gij volgen, Hem vrezen, zijn geboden houden en naar zijn stem luisteren: Hem zult gij dienen en aanhangen.

De HERE wil Zijn kerk beproeven of ze de goede keuze blijft maken vóór Hem en Zijn zuivere Woord en tégen de dwaalleraars met hun leugenachtige schijnevangelie.
Ook in het nieuwe testament wijst de HERE via Paulus op de beproeving die Hij legt in het vóórkomen van ketterijen in de kerk.

    Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan, 1 Kor. 11:19.

Die toetsingsplicht heeft een ieder, die het ambt van profeet, priester en koning mag bekleden.

Dit alles vraagt veel kennis van Gods Woord en aanhoudend gebed om wijsheid en inzicht in dat Woord. Er blijft voortdurend toetsing nodig van leringen, lectuur en uitspraken die in de kerk worden gedaan. Waar nodig zal tijdig vermaand moeten worden. Maar bij verharding zal censuur moeten worden uitgeoefend. Zo alleen kan de kerk kerk van Jezus Christus blijven, die trouw is aan Zijn Heer en Zich daarom richt op het zuivere Woord van Hem. Maar die daarbij ook alles verwerpt wat daarmee in strijd is (art. 29 NGB). Als de kerk dat verzaakt, is zij niet langer kerk van Jezus Christus. Dan zal reformatie nodig zijn. Terugkeer naar het gezonde Woord van God. Om dat te blijven bewaren.
Deze opdracht blijft van kracht totdat de Heer van de kerk terugkomt om al de zijnen te vergaderen en de leugen met de leugenaars volledig en voor goed uit te bannen (Openb. 21: 8, 27).