Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Aan uw jaren zal geen einde komen

Jaargang: 
12
Datum: 
07 feb. 2018
Nummer: 
3
Schrijver: 
T.L. Bruinius
ID:
1819
Rubriek: 

'U hebt voorheen de aarde gegrondvest,

de hemel is het werk van Uw handen.

Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;

zij alle zullen verslijten als een kleed.

U zult ze verwisselen als een gewaad

en zij zullen verdwijnen.

Maar U blijft Dezelfde,

aan Uw jaren zal geen einde komen.

De kinderen van Uw dienaren zullen veilig wonen,

hun nageslacht zal voor Uw aangezicht

bevestigd worden.'

(Psalm 102:26-29)

Psalm 102 is het gebed van een ellendige. In de oude Statenvertaling wordt gesproken van een 'verdrukte'. Leest u hem maar eens helemaal. De dichter bezwijkt, hij is overstelpt door ellende. Zo zegt vers 1 van de psalm het. Hij is verslapt en verzwakt. Zijn hart is als verdord gras, alle leven is eruit. Zijn hart krijgt geen voeding meer. Hij voelt zich als een eenzame vogel in de wildernis, van iedereen verlaten, echt helemaal op zichzelf aangewezen. Slapen kan hij niet. Rondom hem bevinden zich vijanden die spotten met zijn toestand. Hij verkeert in diepe rouw en ligt neergebogen op de grond, hij eet stof en as en als hij drinkt wordt het water vermengd met niet ophoudende tranen.

Als we dat op ons laten inwerken krijgen we een beeld voor ogen van een mens die inderdaad ten einde raad is en geen kant meer op kan. Een mens voor wie het leven weinig toekomst meer schijnt te hebben.

In die situatie klaagt hij zijn grote nood aan de Heere en schreeuwt hij om hulp.

Wat is er aan de hand?

Sion

In het vervolg van de psalm blijkt dat het de dichter niet om zichzelf gaat. O ja, hij verkeert in grote nood. Maar de oorzaak van die nood ligt niet in persoonlijke problemen. De moeite, het verdriet, de wanhoop worden veroorzaakt door de toestand van Sion. Door de situatie van de Kerk (vers 14-23).

Psalm 102 is waarschijnlijk gedicht tijdens de balling-schap of vlak na de ballingschap, als Jeruzalem en de tempel van de Heere nog niet herbouwd zijn. Sion ligt in puin. En het volk van Sion is gevangen. De vijanden van de Kerk zijn blij met dat puin en die gevangenschap. Ze lachen en ze spotten. Over Sion. Over Gods volk. Over de toestand van de Kerk.

Dat is de oorzaak van de grote ellende van de psalm-dichter. Het gaat hem niet om zichzelf maar om de stad van de Heere. Om het volk van de Heere. Om de éér van de Heere.

Zo is de grote nood van de psalmdichter de nood van Gods volk. En het lijkt wel of die grote nood onoplosbaar is. Het lijkt wel of er voor de Kerk geen toekomst is. Of de Heere zich voorgoed van Sion heeft afgewend.

Ja, dan is er met recht sprake van grote ellende.

Tijd

Maar dan blijkt dat Psalm 102 niet alleen maar een klaagpsalm is en niet alleen maar een noodkreet. De dichter heeft meer gezien. En... hij gelóóft! Hij gelooft het Woord van de Heere. Hij vertrouwt op Gods beloften. En hij ziet ook Gods Woord in vervulling gaan. 'Maar U, HEERE, U blijft voor eeuwig'! 'De gedachtenis aan U van generatie op generatie'! De Heere is genadig en barmhartig. Hij leidt Zijn volk volgens Zijn heilsplan. De dichter ziet het werkelijkheid worden. Nu, juist in die ellendige omstandigheden. De Heere doet Zijn Woord gestand. 'Want de vastgestelde tijd is gekomen'. Gods tijd is aangebroken.

Opnieuw heeft de God van Israël in de harten van zijn volk de liefde voor Sion gewekt. Gelovige liefde voor Gods huis en Gods stad. Die puinhoop, dat is dan toch maar de plaats die God tot woning heeft uitgekozen. De plaats waarvan Hij beloofd heeft dat het geen puinhoop zal blíjven. Waarvan Hij beloofd heeft dat de nieuwe tempel groter heerlijkheid zal kennen dan de oude! Gods volk gelooft het en wil weer aan het werk. De Kerk is door Gods genade terug bij Zijn Woord en wil weer bouwen.

Volgend geslacht

De Heere heeft wonderen gedaan. Hij heeft Zijn volk weer opgericht uit de dood. Hij geeft weer een heerlijke toekomst. Hij geeft leven aan de Kerk. En dat móet verteld worden. De dichter kan over dat wonder niet zwijgen. Hij màg niet zwijgen. De volgende generaties, het volk dat nog komt, moet weten van Gods grote werk. Van Gods genade en barmhartigheid. Opdat het leert de Heere te loven en te prijzen. Opdat het weet en gelooft dat de Heere het zuchten van Zijn gevangenen hoort. En zijn ten dode gedoemde kinderen bevrijdt. Opdat het leert om in heel het leven de Naam van God groot te maken. In Sion en in Jeruzalem zal Gods lof klinken.

De volken

En dan mag de dichter in zijn bidden een profeet worden. Dan komt hij te staan in die rij van profeten, in die rij van Jesaja en Ezechiël, van Hosea en Micha en Zacharia. De volken en de koninkrijken zullen komen. Ze zullen zich verzamelen om de Heere te dienen. Gods werk gaat door. Het heil voor alle volken komt. God werkt in die vernieuwing van Zijn volk, in die komende herbouw van Sion, aan de komst van de Messias. Hij werkt aan de voltooiing van de bouw van Sion. Aan de voltooiing van het geestelijke Sion, aan de voltooiing van Zijn gemeente en aan de komst van het nieuwe Jeruzalem waar onze Heere voor eeuwig zal wonen temidden van Zijn volk.

Dezelfde

'U hebt voorheen de aarde gegrondvest, de hemel is het werk van Uw handen. Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden; zij alle zullen verslijten als een kleed. U zult ze verwisselen als een gewaad en zij zullen verdwijnen. Maar U blijft Dezelfde, aan Uw jaren zal geen einde komen.' (vers 26-28).

Zo belijdt in dit gebed de psalmdichter zijn geloof. Zo spreekt Hij Gods Woord na. De Heere blijft altijd dezelfde. Onze God is onveranderlijk. Zijn Woord zal nooit leeg tot Hem weerkeren (Jesaja 55). De aarde en de hemel zullen vergaan. Geschapen door de Heere, verdorven door de mens, en daarom aan de vernietiging prijsgegeven. Wat de Heere gemaakt heeft, dat vervangt Hij in Zijn onvoorstelbare almacht ook zomaar weer. Als een stel versleten en niet meer bruikbare kleren vervangt Hij het geschapene. Maar onze Heere blijft! Hijzelf verandert niet! En dus Zijn Woord en Zijn beloften ook niet! Hij is begonnen met de vernieuwing van de schepping. Hij zal dat werk voltooien. Hij is aan het werk met Sion en Hij zal haar herbouwen. Hij is op weg met Zijn Kerk en nooit zal Hij dat werk loslaten. Want Hij is de eeuwige, onveranderlijke, de trouwe, altijd Dezelfde.

Zo belijdt de Kerk het ook in artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: 'Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er één God is, een geheel enig en éénvoudig geestelijk wezen. Hij is eeuwig, niet te doorgronden, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig...'

Bouwjaren

Het leven van de psalmdichter ligt in puin. De Kerk ligt in puin. Maar... 'aan Uw jaren zal geen einde komen'.

We leven in een periode die steeds meer lijdt aan de oordelen van de eindtijd. Rondom ons zien we hoe de schepping aan verval onderhevig is. En hoe de samenleving aan het verworden is tot het grote Babylon waar de anti-christ aanbeden wordt. We zien hoe de Kerk aangevochten en beproefd wordt. We zien hoe velen niet in staat blijken trouw te zijn. We ervaren, ieder op eigen manier en in eigen situatie, de gruwelijke gevolgen van onze val in zonde. De schepping 'verslijt', de mens blijft streven naar het gelijk zijn aan God.

Hoe moeten we daar nu naar kijken? Naar onze dagen? Alleen maar voortgaande afbraak? Alleen maar door-zettend verval? Een steeds verder verdwijnende Kerk? Puinhoop op puinhoop?

Nee! Nee, beslist niet! Ja, wel als we kijken met ongelovige ogen. Maar niet als we Gods eigen Woord laten spreken. En dan is daar die machtige Psalm 102. De dichter van Psalm 102 zag het en geloofde het: ja, deze wereld wordt inderdaad afgebroken. De puinhoop wordt opgeruimd. Maar dat is niet het einde. 'Aan Uw jaren zal geen einde komen'! Sion wordt weer gebouwd! Met groter heerlijkheid. Onze Verlosser is gekomen en komt weer. Sion wordt nog steeds gebouwd. Gods knechten hebben nog steeds behagen in haar stenen. Hij werkt dat zelf. En Hij, onze eeuwige God, blijft dat werken. De bouw gaat door.

De nieuwe stad verrijst. Ons erfdeel, onze plaats in die stad, is al vastgelegd. Voor eeuwig. Want aan Gods jaren zal geen einde komen.

Geen einde

Ook dat laatste vers van Psalm 102 is weer zo´n prachtige profetie. 'De kinderen van Uw dienaren zullen veilig wonen, hun nageslacht zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.'

De dichter ziet het straks werkelijkheid worden: Jeruzalem wordt herbouwd. God geeft terugkeer en mogelijkheden. Hij roept zijn knechten, Ezra, Nehemia, Jozua en Zerubbabel, om aan de bouw leiding te geven. Jeruzalem wordt weer de stad van de Grote Koning. Met sterke muren. Met een nieuwe tempel. God woont weer bij Zijn volk. En dat volk zal veilig zijn.

 

Ja, dat is ook onze toekomst. Dat was het en dat is het. Sion is sterk want de Heere woont er. De Kerk zal niet vergaan. En straks, dan is er het nieuwe eeuwige Sion. Een veilige plaats. Gods kinderen zullen voor Zijn aangezicht blijven bestaan!

De tijd gaat voort. Onze gebeden gaan op. De schepping zucht en kreunt. De gemeente van Christus verlangt naar de Jongste Dag. Hoelang nog?

Maar de noodkreet verandert in profetische lof. Want: 'aan Uw jaren zal geen einde komen'.