Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Tolerantie in de samenleving

Jaargang: 
3
Datum: 
24 jun. 2009
Nummer: 
24
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
532
Rubriek: 


    1 Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, 2 voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. 3 Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, 4 die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen.
    5 Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, (1 Tim. 2: 1-5)

De zaak rond de homoseksuele leerkracht op een school met de Bijbel te Emst heeft de gemoederen bezig gehouden. Minister Plasterk zag er aanleiding in om de homobelangenorganisatie COC aan te moedigen om de zaak aanhangig te maken bij de Commissie Gelijke Behandeling. De Raad van State heeft inmiddels haar advies gegeven aan de regering. Verdere bespreking in de tweede kamer moet nu nog volgen. Hoe het ook zal aflopen, hier is geen sprake van een incident. Kwesties rond acceptatie van homoseksuele leden of vertegenwoordigers van christelijke instellingen spelen al langer. En er zullen ongetwijfeld meer van dergelijke gevallen volgen. Daarnaast blijkt er recent een verschuiving te zijn opgemerkt in de interpretatie van de Algemene Wet Gelijke Behandeling, die bedoeld is om gevallen van discriminatie aan te pakken als verlengstuk van grondwet art. 1. Het RD van 12 juni j.l. heeft aan het tot stand komen van deze wet, de recente toepassing en het laatste advies van de Raad van State uitvoerig aandacht gegeven. De genoemde verschuiving blijkt de zoveelste ontwikkeling in een proces. Een proces dat met een positief klinkende term ‘tolerantie’ genoemd wordt. Sommigen zien hier een groot goed in: een verworvenheid die teruggaat op de door Willem van Oranje bevochten godsdienstvrijheid. De CU-senator Lagerwerf-Vergunst vond destijds zelfs dat de wet in het verlengde lag van Gods wet. Intussen vragen meerderen zich af of deze wet van tolerantie niet juist leidt tot toenemende intolerantie.
In dit hoofdartikel willen we deze zogenaamde tolerantie nader bezien. Is het een groot ‘goed’ of een groot ‘kwaad’?

Willem van Oranje: de ware religie

In de tijd van de tachtig-jarige oorlog was er sprake van een overheid die werd aangestuurd door de pauselijke macht. Een overheid, in de figuur van de Spaanse koning, die met geweld de roomse godsdienst wilde opleggen en de reformatie de kop wilde indrukken. Staatsinmenging in zaken van geloof, godsdienst en kerk. Gebruik van het zwaard om de gewetens te knechten. Daartegen kwam de prins van Oranje in opstand. Als een rechtvaardige opstand waartoe hij zich zag geroepen in gehoorzaamheid aan de Here. Hij vocht voor gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid. Maar met welk doel? Verdraagzaamheid? Tolerantie? Ja, maar niet als een op zichzelf staande zaak. Niet in de zin zoals een Erasmus dat in die tijd als een humanistisch goed heeft gezien. Naarmate zijn geloof groeide door de reformatie, zag hij duidelijker dat het ging om de eer van God. Daarvoor was die vrijheid nodig. Om de ware religie te bevorderen. Het doel van Oranje was niet gelijkheid door nivellering van godsdiensten. Zijn doel was een scheiding tussen staat en godsdienst die dienstbaar was aan de vrede. Een vrede, waarbij God in Christus tot Zijn eer moest komen. Die overtuiging van Oranje stond onder invloed van de Reformatie. Hij deelde die met zijn vriend Marnix van Sint Aldegonde, de dichter van het Wilhelmus.
Ook het afzweren van de koning van Spanje van koning Philips II in 1581, nadat de prins vogelvrij was verklaard, stond in het kader van het Gode meer gehoorzaam zijn dan de mens. Daarom was hij geen revolutionair maar in principe anti-revolutionair.
Daarvan getuigt ook het volgende couplet (15) van het Wilhelmus:

    Voor God wil ik belijden,
    En Zijner grote macht,
    Dat ik tot genen tijde,
    De koning heb veracht,
    Dan dat ik God, de Here
    Heb moeten obediëren (= gehoorzamen)
    In der gerechtigheid!

Van de achterliggende principes is in de geschriften van Luther en Calvijn meer te vinden. Die zijn voor ons nog steeds belangrijk voor een juist zicht op de rol van de overheid en onze houding tegenover de overheid. Zeker nu er al meer een God- en kerkvijandig klimaat gaat ontstaan, is het belangrijk te weten hoe we ons als kerk van Christus moeten opstellen. Luther is bij zijn onderscheid tussen staat en kerk blijven steken in zijn schema van natuur en genade, van lichaam en ziel. Daarin hoorde de overheid bij de natuur. Ook de uiterlijke zaken van de kerk hoorden daarbij zoals de kerkregering. Zo kon Luther aanvaarden dat de overheid de hoogste positie van het ambt innam. Ook Melanchton hanteerde een dergelijke scheiding. Voor hem waren er naast goddelijke wetten die dienden tot het heil van de gelovigen, menselijke wetten die van ondergeschikte orde waren.

Calvijn: de eer van God

Calvijn en zijn opvolger Beza kwamen verder in een Schriftuurlijke visie op de verhouding kerk en staat. Calvijn was niet voor een totale scheiding tussen de terreinen van kerk en staat. Alsof hiervoor verschillende normen zouden gelden. Maar wel zag hij vanuit de Schrift dat er onderscheid was in taak en bevoegd gezag. De overheden mochten hun van God gegeven gezag niet misbruiken door ‘tirannieke geboden’ op te leggen of ‘goddeloze bevelen’ te geven. Hier geldt dat bij afwijking van Gods Woord in het beleid van de overheid richting de onderdanen, Gode meer gehoorzaamheid toekomt.
E. van Middelkoop citeert in dit verband een aantal keer uit de commentaren van Calvijn in zijn Reformatie en tolerantie, uitgegeven in 1985 door de Willen de Zwijgerstichting te Apeldoorn.
Rom.13:5: Niet vanwege menselijke afspraken of noodzakelijkheden in de wereld moet de overheid worden gehoorzaamd, maar omdat wij gehoorzaamheidsplicht hebben tegenover God. Onrechtvaardig handelen van deze overheden doet aan de gehoorzaamheidsplicht zelf niets af. Als ze òns maar niet dwingen om tegen Gods Woord in te handelen.
Dan. 6:22: Daniël heeft niet gezondigd tegen de koning toen hij het goddeloze bevel van Darius niet gehoorzaamde. Het is goed om het volgende citaat eens rustig te lezen en te overdenken:

    “We weten hoe aardse machten worden ingesteld door God, maar zulks volgens deze wet, dat Hijzelf Zich in niets te kort doet, maar alleen boven iedereen uitsteekt. Alle magistraten worden gedwongen in het gelid te gaan staan, en al wat er aan uitnemendheid in de wereld is moet onderworpen zijn aan Zijn glorie. Aangezien Daniël geen gehoor kon geven aan het edict van de koning zonder God te verloochenen — zoals wij al eerder hebben gezien — beging hij geen misdaad tegenover de koning door trouw verder te gaan met zich vroom te oefenen in het dienen van God op de manier, waarop hij dat gewend was: Hij liet namelijk niet na om dagelijks tot Hem te bidden. En om dit nog duidelijker te zien moet men onthouden, wat Petrus zegt: 'Vreest God, eert de koning' (1 Petr.2 : 17). Deze twee geboden hangen nauw met elkaar samen. Het ene kan niet van het andere losgemaakt worden. De vreze Gods moet dus vooropgaan, opdat koningen gezag verkrijgen. Want als iemand God passeert en begint met eerbied (te tonen) voor een aards vorst, dan handelt hij (totaal) verkeerd, aangezien dit niets anders is dan het omkeren van heel de orde der natuur. En daarom, laat men God in de eerste plaats vrezen, en laten aardse vorsten een eigen gezag hebben, althans — gelijk gezegd — zo'n gezag, dat God boven alles uitsteekt. Daniël verdedigt zich dus terecht door te zeggen, dat hij tegenover de koning geen kwaad begaan heeft. Want hij heeft — gedwongen als hij was aan Gods bevel te gehoorzamen — nagelaten, wat de koning in strijd daarmee beval. Immers aardse vorsten doen afstand van hun macht, als ze opstaan tegen God. Ja, wat meer is: ze verdienen niet tot het getal der mensen gerekend te worden. En daarom, men moet eerder hun koppen bespuwen dan aan hen te gehoorzamen, als ze zich zo hoogmoedig gedragen dat ze Zelfs God van zijn recht willen beroven, en als het ware Zijn troon willen bezetten, als konden ze Hem uit de hemel wegsleuren.

Hand. 17:7:

    Indien overigens de godsdienst ons dwingt om de tirannieke geboden te weerstaan, welke ons verbieden om Christus de verschuldigde eer en Gode zijn dienst te bewijzen, dan kan men toch volgens recht getuigen, dat wij de macht der koningen niet aanranden. Want zij zijn niet zo hoog verheven, dat zij als de reuzen God van zijn zetel mogen trekken. Naar waarheid was de verdediging van Daniël (Dan. 6 : 22): tegen den koning heb ik geene misdaad gedaan; hoewel hij toch het goddelooze bevel niet opgevolgd had; want hij had aan het sterfelijk mensch geen onrecht gedaan, doordat hij God boven hem gesteld had. Zoo moeten wij den overheden ter goedertrouw hunne schatting betalen, en bereid zijn tot alle burgerlijke gehoorzaamheid; maar indien zij met hun stand niet tevreden, ons van de eere en den dienst van God willen afbrengen, zoo is er geen reden, waarom iemand zou zeggen dat wij hen verachten, omdat Gods gezag en majesteit voor ons hooger staat (dan de hunne).

De norm voor de samenleving

Het is duidelijk dat Calvijn Christus als de Koning der koningen zag in wiens dienst de overheid staat. Als dienares van God moet zij zich onderwerpen aan Gods Woord en wet. Niet alleen aan de tweede tafel maar ook aan de eerste. De overheid moet de samenleving zo ordenen dat de kerk haar Here kon dienen.
We voegen nog één citaat toe uit de commentaren van Calvijn. Namelijk die op 1 Tim. 2:1-5, de tekst die in onze intro boven is geciteerd. Uit het citaat blijkt dat het ware doel van een welgeordende samenleving niet zozeer is de gerustheid van dit leven zelf. Maar de verering van God, waarop heel de schepping en de samenleving gericht moet zijn. Het gebed voor de overheid om een leven in stilheid en gerustheid, in vrijheid en verdraagzaamheid, staat niet op zichzelf. Het is een gebed dat juist op de dienst aan de Here, de ware dienst overeenkomstig Zijn Woord, is gericht. Tolerantie is daarom geen doel in zichzelf maar een noodzakelijk middel om als vrije burgers God te kunnen dienen. Deze vrijheid moet afgebeden worden als gunst van de Here.

    Want wij moeten altijd deze grondreden behouden: Dat de overheden van God verordend zijn om de religie in gemeene gerustigheid en eerbaarheid te bewaren, niet anders dan gelijk de aarde verordend is om voedsel voort te brengen. Zoo dan, gelijk wij voor het dagelijksche brood biddende, God bidden dat Hij de aarde door zijnen zegen vruchtbaar make, alzoo moeten wij in die weldaden, waarvan boven gesproken is, dat gewone middel aanzien, hetwelk God door zijn voorzienigheid verordend heeft. Hiertoe dient ook dit: Zoo wij deze weldaden, welker toediening Paulus aan de overheid toeschrijft, niet genieten, zoo komt het door onze schuld: want de toorn Gods maakt ons de overheden onnut, gelijk zij de aarde onvruchtbaar maakt. Daarom komt het ons toe zulke straffen af te bidden, waarmede onze zonden gestraft worden. Bovendien worden de prinsen en alle overheden desgelijks van hun ambt vermaand. Want het is niet genoeg, dat zij een iegelijk recht doende, alle onrecht verhinderen en den vrede onderhouden: tenzij zij ook arbeiden om de religie te bevorderen, en door eerlijke discipline de zeden te schikken. Want het is niet zonder oorzaak, dat David ze vermaant den Zoon te kussen, en dat Jesaja zegt, dat zij voedsterheeren der gemeente zullen wezen. Daarom hebben zij zichzelven niet te flatteeren, zoo zij vergeten te helpen den dienst Gods te beschermen.

Het gaat bij deze vrijheid niet om een recht van de mens. Het betreft geen humanistisch beginsel. Het is vrijheid, rust en orde om de Here te kunnen dienen, om Hem te kunnen belijden en eren in een godvruchtig leven naar Zijn Woord.

Verlichting en mensenrechten

Na de tijd van de Reformatie kwam de tijd van de Verlichting met mensen als Locke (eind 17e eeuw) en Rousseau (18e eeuw). En vervolgens de Franse revolutie. Groen van Prinsterer (19e eeuw) heeft als geen ander het ongeloofskarakter ontzenuwd van de Verlichting. Want in deze ontwikkeling stond de menselijke rede centraal. Als autonoom denken van een autonome mens, die zichzelf tot wet heeft gemaakt. Hoogmoedig en los van God. Opeisend de onvervreemdbare rechten van deze mens in volmaakte vrijheid. Hier spreekt de mens die in opstand komt tot God. En die zijn onafhankelijkheid van God claimt. Zijn tolerantie is daarbij niet op de ander gericht, ten behoeve van de ander. Maar deze tolerantie is individualistisch op zichzelf gericht als zelfhandhaving. Revolutie noemt Groen dit. Opstand van de zelfstandige mens, die een humanistische tolerantie predikt.
We kunnen daar niet al te uitvoerig op ingaan. Maar hier moet worden gezegd dat juist déze humanistische tolerantie vanuit het menselijke vlak bepleit en als ideaal verkondigd, de basis is voor de huidige grondwet en de huidige grondrechten. Juist omdat de bepleitte rechten niet die van God zijn, maar van de mens zonder God, leidt deze huidige tolerantie tot onverdraagzaamheid. Omdat ze zich niet onderwerpt aan het koningschap van Christus en niet gericht is op de eer van God.
Waar de bevochten vrijheid destijds op was gericht, nl. op de ware godsdienst en de verheerlijking van God als Schepper en Verlosser, daar zal de huidige humanistische tolerantie botsen op de kerk met haar dienst aan de Here. Dan zal de samenleving zich al meer verzetten tegen de wet en norm die God ook haar gesteld heeft. Dan zal de zgn. tolerantie leiden tot ware intolerantie. Nu, dat is precies wat nu aan de orde is m.b.t. tot de zaak van de homoseksuele leerkracht. Zo is tolerantie geworden tot een vals evangelie van de autonome mens.

Wanneer de samenleving zo haar eigen weg gaat, dan wordt ze de samenleving die beschreven staat in Rom.1:18-32. Het is de samenleving die door de Here wordt overgegeven aan haar eigen schandelijke lusten. Tegelijk betekent dat verscherping van de vijandschap tussen de draak met zijn trawanten en het zaad van de vrouw, de kerk. Het is uiteindelijk de samenleving van het beest uit Openb. 13, waar “niemand kan kopen en verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest, of het getal van zijn naam heeft.”

Getuigen

Wat staat de kerk te doen wanneer ze door de overheid wordt gedwongen dingen te doen of na te laten, die tegen Gods Woord ingaan? Ze zal moeten blijven bidden èn getuigen (1 Petr. 3:15)! Niet zozeer pleiten op de vrijheid die de humanistische grondwet haar toegedacht heeft. Maar getuigen uit Gods Woord van Christus’ Koningschap! Van Gòds recht en eer! Van Zijn heil en verlossing van het gericht (Openb. 11)!
De vijandschap die ons van de wereld te wachten staat, brengt ons wellicht in een andere positie dan die van de godsdienstoorlog van de 16e eeuw. Toch kunnen we juist van die tijd leren. Het is namelijk opmerkelijk dat juist onze Nederlandse Geloofsbelijdenis oorspronkelijk door Guido de Brès is gebruikt als politiek stuk (zie P. Jongeling: Terwille van het Koninkrijk, Uitgave Stichting Geref. Gezinsblad, 1958, pag. 12-16). Voorzien van een geleidebrief wierp hij in 1561 dit stuk over de muur van het kasteel te Doornik, waar Filips II verbleef. In art. 36 wordt verwezen naar de voorbede voor de overheid van 1 Tim. 2 “dat de Here haar bestuurt op al haar wegen, zodat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid”. De geleidebrief getuigt niet van vrees voor de overheid, maar van gelovige vrees voor de Here:

    Maar wij houden de vreze Gods voor ogen, verschrikt door het dreigende woord van Jezus Christus, die zegt dat Hij ons verloochenen zal voor God Zijn Vader, als wij Hem voor de mensen verloochenen. Waarom laten wij onze ruggen afranselen, onze tongen afsnijden, onze monden breidelen en het gehele lijf prijs geven aan het vuur? Omdat wij weten dat wie Christus wil volgen zijn kruis opnemen en zichzelf verloochenen moet.

Laten we getuigen nu het nog kan. Op de plaats die we nog innemen. Met de mogelijkheden die ons zijn gelaten. In het heden der genade. Ter waarschuwing èn tot heil van deze samenleving.
Als kerk hoeven wij deze samenleving en de overheid dan niet te vrezen. Ook mogen we erop vertrouwen dat de Here Zelf ons zal helpen te spreken wat we moeten spreken (Luk.12: 11, 12).
“Het Woord – zij zullen ‘t laten staan,
wat zij ook ondernemen.
Hij gaat ons met Zijn Geest vooraan,
Hij komt ons kracht verlenen.” (Gez. 34)