Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Te vroeg en te smal in 1892 (2)

Jaargang: 
5
Datum: 
01 jun. 2011
Nummer: 
21
Schrijver: 
A. van Egmond
ID:
856
Rubriek: 

Was de Vrijmaking van 2003 wel voldoende gefundeerd. Was het wel het werk van de Here? Riep Hij op dat moment wel weg uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt?
Men beroept zich om deze vraag ontkennend te beantwoorden o.a. op het zogenaamde ‘Beding’ dat door de Afgescheiden Kerken in 1891 werd opgesteld en door de Dolerende Kerken in 1892 werd aanvaard waardoor de Vereniging van 1892 gestalte kon krijgen. Is dat beroep terecht?
In het vorige nummer maakten we een begin met de beantwoording van deze vraag. In dit nummer het vervolg

3. Werd er van de kant van de dolerenden ruimte gevraagd om de Afscheiding niet als werk van de HERE te mogen beschouwen?

Gezien het gestelde onder punt 2 zal deze vraag met ‘nee’ beantwoord kunnen worden. De opgestelde Concept-acte met daarin de bovengenoemde verklaring werd immers eenparig aanvaard door de voorlopige synode van de dolerenden in 1889 te Utrecht.

4. Wilden de afgescheidenen met het door hen in 1891 opgestelde Beding, dat door de dolerenden werd aanvaard, inderdaad de benoeming van de Afscheiding en de Doleantie als werk van de HERE ter vrije discussie stellen?

Gezien het onder punt 1 en 2 genoemde is het niet logisch en daarom niet aannemelijk dat dit de bedoeling van de afgescheidenen is geweest. Er was daar immers helemaal geen reden toe omdat men over en weer elkaars reformatie erkende als een genadig werk van de HERE en, blijkens de Concept-acte, voor beide reformaties ook samen de HERE dankten.
We zullen het gestelde in het Beding m.b.t. de Afscheiding als een werk Gods m.i. dan ook op andere wijze moeten beschouwen om recht te doen aan het daarin gestelde.
Het beste kunnen we dat doen door, net zoals ds. H. Bouma doet op de pagina’s 130/131 in zijn boek ‘De Vereniging van 1892’, de betreffende passage uit het Beding en wat de commissie van de Haagse synode (van de dolerenden) hierover opmerkte naast elkaar te zetten.

Beding synode afgescheidenen

“Zij erkent ‘het belangrijke verschil dat tusschen separatie en doleantie bestaat, hoewel zij zelf ‘vast’ staat ‘in de overtuiging dat de scheiding van 1834 en vervolgens een werk Gods was, zoowel recht- als plichtmatig naar Zijn Woord en de Gereformeerde belijdenis’;
‘de doleantie met haar Kerk- en Rechtsbeschouwingen voor rekening latende van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken’.
Zij is ‘nochtans bereid om in weerwil van dat onmiskenbaar verschil toch met het oog op en krachtens de eenheid in Belijdenis en Kerkregeering althans te pogen om tot Vereeniging te komen en kerkelijk samen te leven’.

Oordeel commissie dolerenden

Zij is, “het belangrijke verschil tusschen de beide methoden van reformatie.........”erkennende”, ook harerzijds bereid, “zich op het standpunt te plaatsen, dat beide groepen, zonder elkander hierin te oordelen, haar eigene pracktijk en de daarmee samenhangende kerkrechtelijke beschouwing, voor eigen rekening nemen”.

Met name door de passage van de commissie van de dolerenden blijkt duidelijk waar het in deze passage van het Beding om gaat. Niet om de vraag in het midden te laten of de Afscheiding als zodanig wel het werk van de HERE was geweest maar om de kwestie van de methode hoe de reformatie van de kerk het beste gestalte kan krijgen. Daarover was onder de afgescheidenen diepgaand verschil van mening. Sommigen vonden ook de wijze van reformeren zoals die door de dolerenden gestalte had gekregen legitiem. Er waren echter ook afgescheidenen die deze wijze van reformeren onjuist achten. En van de kant van de dolerenden werd, zoals zij dat noemden, de methode van de afscheiding, zeker in eerste instantie, afgewezen.
Met bovenstaande passage in het Beding werd het verschillend denken over de methode van reformatie, zoals toegepast bij de Afscheiding en de Doleantie, voor rekening gelaten van beide onderscheiden kerkengroepen. Maar wel zo dat de Afgescheidenen vasthielden aan hun visie dat de scheiding van 1834, ook in de methode, een werk Gods was, zowel recht- als plichtmatig naar Zijn Woord en de Gereformeerde belijdenis.
In die vrijheid staande konden de afgescheidenen dan ook stellen dat zij de Doleantie met haar Kerk- en Rechtsbeschouwingen voor rekening lieten van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken. Daar zat nl. een stuk erkenning in dat de reformatie van de kerk op verschillende wijze tot uitvoering kan worden gebracht.

5. Welke voorwaarde wordt door anderen aan DGK gesteld om zich met hen te verenigen?

Opzettelijk formuleer ik de vraag als bovenstaand. De suggestie wordt nl. nogal eens gedaan als zou van DGK-zijde voorwaarden worden gesteld aan anderen voor toetreden tot het kerkverband. Zo zou erkenning van de Vrijmaking van 2003 als uitgesproken werk van de HERE een sjibboleth zijn bij DGK, zie hiervoor de website Eeninwaarheid.nl.
Ik meen echter dat hiermee de zaak wordt omgekeerd. Niet DGK stelt een voorwaarde maar anderen doen dat. En wel heel concreet als men vooraf stelt:
Wij zijn van mening dat de Vrijmaking van 2003 te vroeg en op een te smalle basis was en kunnen haar niet erkennen als het werk des Heren.
Is deze ruimte in de DGK aanwezig voor gewone leden en ambtsdragers?

Als voorwaarde voor toetreden tot DGK wordt hiermee dus gevraagd om binnen DGK het mogelijk te maken:

Dat de HERE niet gezamenlijk gedankt hoeft te worden voor zijn bewezen genade bij de jongste reformatie(s) van Zijn kerk.
Dat de jeugd van de kerk m.b.t. het onderwijs over de jongste kerkgeschiedenis geleerd mag worden dat de Vrijmaking van 2003 een werk van de HERE is en daartegenover dat deze Vrijmaking te vroeg en op een te smalle basis was en daarom niet een werk van de HERE.

In verband met het stellen van deze voorwaarde vooraf wordt de geschiedenis van de afgescheidenen en dolerenden aangevoerd. In mijn eerdere punten heb ik er al op gewezen dat dit niet terecht is.
Door de laatste synode van DGK werd ook in de brief aan Dalfsen gewezen op het grote belang van het in gedachtenis houden van het werk van de HERE in de kerkgeschiedenis.
Ik citeer uit de brief aan de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk (dolerend) te Dalfsen:

"Concreet betekent dit dat wij geroepen zijn om de Here dankbaar te zijn en te blijven voor Zijn jongste werk van Reformatie en onze kinderen daarvan te vertellen, thuis en via het catechetisch onderwijs. Opdat ook zij hun vertrouwen blijven stellen op de Here hun God en Zijn werken niet vergeten. Aan deze Schriftuurlijke roeping dienen wij in heel ons kerkelijk leven trouw te zijn en te blijven omdat de eer van onze God ermee gemoeid is."

D.J. Bolt reageerde hierop in zijn artikel ‘Ruimte in de DGK 2 ?’ als volgt:

“Het lijkt er sterk op dat hier toch wel gebonden wordt: zó moet je de vrijmaking van 2003 zien, dat vraagt de Here van je en anders wordt zijn eer tekort gedaan en komt zijn toorn over je.
Eerlijk gezegd huiver ik hiervoor terug. Is hier niet teveel het kerkelijk handelen synoniem geworden met het werk van God? Is daar wel voldoende besef dat ons handelen vol met zonde en tekortkoming is? En dat ons gehoorzaam handelen altijd beperkt is, ook in 'tijden en gelegenheden'? Er zit toch ook altijd een menselijk (af)wegen van heel de kerkelijke situatie in om de moeilijke vraag te beantwoorden: wat vraagt de Here nu: de strijd nog voortzetten, of afscheid nemen? Daar kan voor het aangezicht van de Here toch wel eens een verschillend antwoord op worden gegeven? Zonder dat het ene als goddelijk en het andere als satanisch wordt veroordeeld?”

In verband met deze ‘huiver’ van Bolt wil ik graag in gedachtenis brengen hoe eens prof. P. Deddens Schriftuurlijk schreef over het gedenken van Reformaties in het blad De Reformatie, jaargang 32, pagina 338 onder de kop; ‘Aspecten van Kerkelijke Reformaties’. Ik citeer uit het slot van zijn artikelenreeks het volgende:

“Voor de hand ligt de obligatie of het geheel der verplichtingen, die voor ons uit de reformatie der kerk voortvloeit; we kunnen daarover dus kort zijn.

1e. Niemand verschone bij zichzelf of bij anderen het gebrek aan kennis van de grote daden des Heren in de uitleidingen van zijn kerk. Het vergeten van die daden roept Gods toorn op (Psalm 78). En met feitenkennis alleen kunnen we niet volstaan; we hebben in de leidingen van Zijn kerk te zien de glans van Gods deugden, om Hem groot te maken, Hem aan te hangen en te vaster op Hem te vertrouwen.

2e. De reformaties der kerk leren ons duidelijker dan ooit zien, dat de kerkzaak Gods zaak is; ze verplichten ons alle kleinmoedigheid te laten varen. Bij de reformatie van de 16e eeuw bleef het overgrote deel van het kerkvolk achter; idem bij de Afscheiding en Doleantie; idem bij de Vrijmaking. We rekenen niet en we tellen niet; Gods correctie van Elia’s rekening waarschuwe en beschame ons (1 Kon.19:10,14,18). Maar men denke ook aan het woord van Augustinus: “Er zijn veel wolven binnen, veel schapen buiten” (de kerk op aarde).
Doch als iemand schamper zou vragen: zó weinigen, en toch de pretentie, de kerk te zijn?- dan zouden we hem kunnen wijzen op Christus’ woord: “Hoe, beproeft ge deze tijd niet?” Sinds lang heeft de macht van afval en ongeloof ingezet; in verhouding tot het totaal zien we met zeer weinigen, zoals de Schrift leert, tegemoet de dageraad en de blinkende Morgenster.

3e. Waar de zaken zó staan, wordt elk, die Gods roepstem in de reformatie van Zijn kerk volgde, te dringender verplicht, hen die achterbleven, door woord en wandel te vermanen, zich van onschriftuurlijke bindingen en van hiërarchie vrij te maken. En wandel (Mat.5: 16; 6:13-20). ’n Ieder van ons zij doordrongen van de innige begeerte, die deed bidden: laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Here! (Ps.69:7). Lokte wat wij naar buiten te zien gaven, altijd anderen aan? Hoe kwam het, dat verschillen soms zo spoedig bij ons het karakter konden aannemen van geschillen? Stond de onderlinge polemiek merkbaar in het teken van Schriftuurplaatsen als Efeze 4:1-6, 5:21, 6:18, Filipp.3:15,16? En als onderlinge, onomwonden kritiek ons nodig bleek, was het dan duidelijk dat het broederhart getuigenis gaf? Of spraken soms ook wel achterdocht, groepsverbondenheid, eer- of heerszucht een woordje mee?
Verontschuldigingen accepteert de Here niet.
Onze roem is niet dat wij de ware kerk zijn. Onze roem is ook niet, dat bij ons de zuivere leer is. Onze roem is alléén in de Here, die ons zóveel gunsten en zóveel licht schonk. En naar het licht is de plicht.

4e . Niet minder rust deze verplichting op ons, dat wij hebben toe te zien, het werk Gods in de reformaties van Zijn kerk, en nu denk ik speciaal aan Zijn werk in de Vrijmaking, niet in meerder of minder mate door onze levenspraktijk te bagatelliseren. De Here verwaardigde ons gewaar te worden, dat machthebbers (die zich hun macht aanmatigden tegen Gods wil), die door een valse binding (dus tegen Zijn wil) en door hun afhoudingen, weringen, schorsingen en afzettingen (tegen Zijn wil) bezig waren de kerk van haar fundament af te voeren; Hij waarschuwde ons, in die raad en handel niet te bewilligen, noch ons daarbij neer te leggen – Hij maakte ons vrij, en leidde ons uit. Wij zijn geneigd, altijd weer “horizontaal” te zien en te oordelen; dan wegen en beoordelen wij mensen; misschien gaan we vergelijken, met het resultaat, dat we menig vrijgemaakte vooral niet “beter” vinden dan menig lid van de gebonden kerken. En ’t gevolg kan zijn, dat we in het verkeer met de laatsten doen, alsof er niets gebeurd is. Daartegen hebben we om Gods wil te waken en te waarschuwen.

5e . Wijl de kerkzaak Gods zaak is, hebben wij ook de toekomst van Zijn kerk in Zijn handen te laten. Ik hoorde: “De achtergeblevenen in de gebonden kerken zijn toch onze broeders. Laten we tegenover hen wat soepel zijn. Ook de achtergeblevenen in de Herv. Kerk verenigden zich 60 jaar later toch met de Afgescheidenen”. Als met “soepelheid” bedoeld wordt: stoot ze niet in hoogheid af – akkoord. En zeker zijn bedoelde achtergeblevenen onze broeders. Maar dan ongehoorzame broeders. De apostel Paulus spreekt van ongehoorzame broeders in andere zin als volgt: “Maar indien iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent dien, en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde; en houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder” (2 Thess.3:14,15). Bij de Vereniging in 1892 beleed Kuyper schuld, dat hij niet veel en veel eerder gebroken had met het instituut der Herv. Kerk. – Onze enige roeping is getrouw te zijn, en de toekomst laten we aan de Here over. Tot die roeping behoort ook het vermanen en het niet-vermanen; dit laatste niet uit hoogheid of afkeer, maar om de ongehoorzamen beschaamd te maken.

6e . De noodzakelijkheid, elkander op te wekken Gods grote daden met Zijn kerk in gedachtenis te houden, blijkt duidelijk uit de Schrift: de navolgende geslachten, die daarvan geen getuigen waren, vergeten gemakkelijk, zie bijv, Richteren 2:6-11. In korte tijd kan verloochend worden wat van de Here was in een reformatie. Wat was de Doleantie anders dan een wederkeer van menselijke dwaling en menselijke aanmatiging tot Christus en Zijn Woord? En toch, geen 60 jaar later, door de zonen, een binding van de gewetens aan onschriftuurlijke menselijke formules en een weder-invoering van de door devaderen zo gehate en gesmade onschriftuurlijke hiërarchie.

7e . Liggen we onder de verplichting Gods daden in de uitleiding van Zijn kerk te gedenken, dan mogen we ook aan de mensen, die Hij daartoe als Zijn instrumenten gebruikte, niet voorbijgaan. Doorgaans schenkt de Here aan die voorgangers veel gaven en veel wijsheid. Daarom kunnen we niet dan tot eigen schade verwaarlozen wat mensen als Luther en Calvijn, Kuyper en Schilder geschreven hebben. Vanzelf niet om hen blindelings te volgen. Ook zij maakten fouten. Zelfs zien we in de historie, dat wegens onvoldoende onderzoek hun misvattingen soms meer dan hun “goede leer” worden nagevolgd, denk b.v. aan Kuyper’s gevoelen over de pluriformiteit, de veronderstelde wedergeboorte, de gemene gratie. Daarom hebben we de regel te volgen: toetsing van ’t geen ze schreven aan het Woord des Heren, of deze dingen alzo zijn. Evenwel: studeren, bij het licht van Gods Woord.
Want het Woord des Heren, en dat alleen, overwint.

Conclusie uit bovenstaande

Willen we de zegen van de jongste Reformatie van de kerk van onze Here Jezus Christus niet verspelen, dan zullen we ‘nee’ moeten zeggen tegen hen die zich met ons willen verenigen maar deze Reformatie van de kerk willen blijven bestempelen als ‘te vroeg’ en ‘te smal’ en geen ‘werk van de HERE’.
Opdat wij, naar Romeinen 15:5 en 6, ook in het gedenken van het ‘werk van de HERE’ in de kerkgeschiedenis, als leden van Christus’ kerk eensgezind van hetzelfde gevoelen zijn en eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus verheerlijken. Want Hem alleen komt de eer toe voor Zijn trouw en Zijn genade in elke Reformatie van de kerk.