Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Te vroeg en te smal in 1892 (1)

Jaargang: 
5
Datum: 
25 mei. 2011
Nummer: 
20
Schrijver: 
A. van Egmond
ID:
880
Rubriek: 

Was de Vrijmaking van 2003 wel voldoende gefundeerd. Was het wel het werk van de Here? Riep Hij op dat moment wel weg uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt? Sommigen/velen horen we daar ontkennend over spreken. Zij menen dat de Vrijmaking van 2003 ‘te vroeg’ en ‘te smal’ was. Daaraan wordt gekoppeld dat men daarom deze Vrijmaking niet kan en wil erkennen als een ‘werk van de HERE’.
Hoewel er soms wel toenadering wordt gezocht tot De Gereformeerde Kerken stelt men dan als voorwaarde voor eventuele toetreding dat men vrij moet zijn om van de Vrijmaking van 2003 te zeggen dat dit niet een ‘werk van de HERE’ was.

In twee delen wordt in deze rubriek een artikel van broeder A. van Egmond geplaatst met betrekking tot de waardering en benoeming van de Vrijmaking van 2003 in het licht van de kerkgeschiedenis . Onderstaand het eerste deel.

Beding

Men beroept zich hiervoor o.a. op het zogenaamde ‘Beding’ dat door de Afgescheiden Kerken in 1891 werd opgesteld en door de Dolerende Kerken in 1892 werd aanvaard waardoor de Vereniging van 1892 gestalte kon krijgen.
Volgens hen die zich op dit ‘Beding’ beroepen werd van de dolerenden nl. ook niet als voorwaarde voor de Vereniging gevraagd om de Afscheiding van 1834 als ‘werk van de HERE’ te erkennen. De betreffende passage uit het ‘Beding’ waar men naar verwijst luidt als volgt:

    “Zij erkent ‘het belangrijke verschil dat tusschen separatie en doleantie bestaat, hoewel zij zelf ‘vast’ staat ‘in de overtuiging dat de scheiding van 1834 en vervolgens een werk Gods was, zoowel recht- als plichtmatig naar Zijn Woord en de Gereformeerde belijdenis’;
    ‘de doleantie met haar Kerk- en Rechtsbeschouwingen voor rekening latende van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken’.
    Zij is ‘nochtans bereid om in weerwil van dat onmiskenbaar verschil toch met het oog op en krachtens de eenheid in Belijdenis en Kerkregeering althans te pogen om tot Vereeniging te komen en kerkelijk samen te leven’.

Vijf vragen

In een aantal vragen en antwoorden wil ik proberen een antwoord te vinden op de vraag of dit beroep op de situatie rond de afgescheidenen en dolerenden terecht is. Dit in het licht van hoe de afgescheidenen (De Christelijke Gereformeerde Kerk) en de dolerenden (de Nederduitsche Gereformeerde Kerken) in de jaren voor de Vereniging van 1892 over en weer spraken over de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886.

In verband hiermee komen 5 vragen aan de orde, te weten:

Waren er van afgescheiden kant redenen om de benoeming van de Doleantie als werk van de HERE ter vrije discussie te stellen?
Waren er van de kant van de dolerenden redenen om de benoeming van de Afscheiding als werk van de HERE ter vrije discussie te stellen?
Werd er van de kant van de dolerenden ruimte gevraagd om de Afscheiding niet als werk van de HERE te mogen beschouwen?
Wilden de afgescheidenen met het door hen in 1891 opgestelde Beding, dat door de dolerenden werd aanvaard, inderdaad de benoeming van de Afscheiding en de Doleantie als werk van de HERE ter vrije discussie stellen?
Welke voorwaarde wordt door anderen aan DGK gesteld om zich met hen te verenigen?

1. Waren er van afgescheiden kant redenen om de benoeming van de Doleantie als werk van de HERE ter vrije discussie te stellen?

De vraag wordt in deze vorm gegoten omdat wel wordt gesteld dat de afgescheidenen met het door hen opgestelde Beding de benoeming van de Afscheiding ter vrije discussie lieten. Indien dit nl. zo is dan geldt dit eveneens voor de Doleantie die immers met haar Kerk- en Rechtsbeschouwingen voor rekening werd gelaten van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken.
Van belang hierbij is daarom de vraag hoe de afgescheidenen aankeken tegen deze Doleantie. Zagen zij dit als een werk van de HERE of niet? Het antwoord op die vraag is te vinden in het officiële antwoord, de Missive, dat de synode van de afgescheiden kerken in 1888 deed toekomen aan de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, zie Handelingen van de Synode der Afgescheiden Kerken in 1888, artikel 133. In de Missive die de synode deed uitgaan naar de dolerenden lezen we o.a.:

‘Wilt daaruit dan afleiden, Broeders, hoe ons aller oog en hart naar U werd heengetrokken, toen het in 1886 door de ontfermingen onzes Gods tot een vernieuwde breuke met het Ned. Herv. Kerkgenootschap kwam. Zeker, wij kunnen, maar wij willen het U ook niet verhelen, er was van den aanvang af verschil in beoordeeling over de wijze, waarop de reformatie door U werd ter hand genomen. Gevoelens, meeningen en gedachten liepen onder ons verre uiteen. Maar de reformatorische beweging zelve, die in 1886 uitbrak tot bevrijding der Gere-formeerde belijders uit een onchristelijk kerkverband, werd door allen als een heuglijk verschijnsel, als eene tweede scheiding, als een werk van Gods trouw en barmhartigheid begroet.(vetgedrukt AvE)’

Hoewel er onder de afgescheidenen verschillend werd aangekeken tegen de wijze van reformatie door de dolerenden was er eenstemmigheid onder hen over de vraag of ook deze reformatie wel uit God was. De reformatorische beweging zelve werd immers, zo wordt gesteld, door allen begroet als een werk van Gods trouw en barmhartigheid.
Deze eenstemmigheid is onder de afgescheidenen gebleven. We zouden daarbij kunnen zeggen; hoe kan het ook anders! Waar er immers terugkeer is naar Gods Woord is er altijd sprake van het werk van de HERE.

2. Waren er van de kant van de dolerenden redenen om de benoeming van de Afscheiding als werk van de HERE ter vrije discussie te stellen?

De vraag wordt zo gesteld omdat de indruk wordt gewekt dat de afgescheidenen in het door hen opgestelde Beding de benoeming van de Afscheiding vrij zouden laten. Interessant is dan de vraag of de dolerenden daar aanleiding toe hadden gegeven. Ofwel, hadden de dolerenden na hun Doleantie in 1886 ergens aangegeven dat zij de Afscheiding van 1834 niet als een werk van de HERE konden beschouwen.
Voor een antwoord op deze vraag zullen we enkele citaten geven van de dolerende broeders die betrekking hebben op de Afscheiding die vanaf 1834 had plaatsgevonden.

Op het Synodaal Convent van de dolerenden in 1887 erkende deze vergadering dat de dolerenden “als de laatst-ontkomenen en die dus het langst volhard hebben in den verkeerden weg, de grootste schuldenaren zijn’ en zich ‘het diepst hebben te verootmoedigen”.
“En eindelijk, dat het niemand past of voegt, vittend of bedilziek in de ingewanden van anderer groepen verleden te woelen, maar dat wij allen hebben te zien op aller eenparige belijdenis en de door allen erkende eenheid van kerkelijke ordening. Dankende wij God en den Vader, dat Hij in zijne oneindige barmhartigheid én vroeger in veler anderer én nu in onze harten de bereidvaardigheid, om ons onder het juk Christi te stellen, door zijnen Heiligen Geest verwekt heeft”
, zie hiervoor het boek ‘De Vereniging van 1892’ door ds. H. Bouma, pagina 18 en 19.

Van dolerende zijde was in 1889 een Concept-acte opgesteld met het oog op de ineensmelting van de kerkverbanden van de afgescheidenen en dolerenden. Door de dolerende synode van 1889 werd deze Concept-acte ongewijzigd aanvaard. Deze Concept-acte werd door de afgescheiden kerken echter uiteindelijk terzijde gesteld omdat er twee punten in stonden die voor hen onverteerbaar waren.
Na enkele inleidende woorden staat de volgende verklaring die de dolerenden en de afgescheidenen voor hun rekening moesten nemen:

Te dien einde verklaren zij:
1°. elk voor zich geen andere bedoeling te hebben gehad, noch te hebben, dan om de Gereformeerde Kerken dezer landen, die, door de zonden onzer vaderen en onze eigen schuld, allengs van haar glans beroofd en verbasterd waren, onder 's Heeren genade wederom tot openbaring naar den Woorde Gods te brengen;
2°, over en weder te erkennen, dat in het herstel der Gereformeerde Kerken, in zooverre zulks een vrucht was van de bekende gebeurtenissen uit de jaren 1834 en 1886 (ondanks eigen schuld en zonde en in weerwil van veel gebrekkigs, dat menschenhand er in mengde) eeniglijk te verheerlijken is de ontferming, de macht en de trouwe onzes Gods. Op grond waarvan zij, God dankende voor de genade èn in 1834 èn in 1886 aan de Kerken onzer vaderen betoond (vetgedrukt AvE), niet aarzelen, over en weer de Kerkformatiën, gelijk ze thans ten gevolge van deze beide geestelijke opwekkingen in het leven traden, en als Gereformeerde Kerken onder haar Kerkeraden bestaan, te erkennen als wettige openbaringen van het Lichaam van Jezus Christus in deze landen;
3°. dat zij beiderzijds, in gehoorzaamheid aan Gods Woord en ter voldoening aan den eisch van art. 27 en v.v. onzer Belijdenis, elken band tusschen zich en het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap, gelijk dit sedert 1816 optrad en nog in zijn organisatie krachtens zijn besturen en reglementen voortbestaat, voor eens en voor altoos, en alzoo finaal verbroken hebben;
4°. dat er, bij beider gemeenschappelijken oorsprong uit de Gereformeerde Kerken onzer vaderen, bij beider onvoorwaardelijk breken met het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap, en bij beider gelijke bedoeling wat Belijdenis, Liturgie en Kerken-ordening aangaat, nochtans een onmiskenbaar onderscheid bestaat in de wijze, waarop zij tot reformatie van de verbasterde Kerken gekomen zijn. Een onderscheid, dat wel hoofdzakelijk voortspruit uit den onderscheiden loop der historische gebeurtenissen in 1834 en 1886, maar toch ook zeker verschil van zienswijze insluit ten opzichte van de beste wegen, om bij zoo diep gezonken toestand der Kerk tot reformatie over te gaan; welk verschil zij niet wenschen te verbloemen, maar duidelijk te constateeren.
Echter onder de bijvoeging, dat zij over en weder, voor wat het wezen der zaak aangaat, het breken met bovengenoemd Kerkgenootschap èn in 1834 èn in 1886 stellen als in gehoorzaamheid aan Gods Woord te zijn geschied (vetgedrukt AvE). En in elk geval oordeelende, dat beider uiteenloopende zienswijze over den modus quo te rekenen is tot die dingen, die men in elkander dragen zal, en die nimmer vrijheid kunnen schenken, om of de eenheid der Kerken te verscheuren of haar weer saamsmelten te verhinderen.
En het is in gebondenheid aan deze verklaring (die zij zonder achterhoudendheid en in oprechtheid als voor het aangezicht van den Kenner der harten afleggen) dat zij het herstel van de Kerkelijke eenheid wenschen te beproeven, op deze navolgende grondslagen:

Uit deze verklaring en door de aanneming hiervan door de voorlopige synode van de dolerenden blijkt, net als bij de afgescheidenen, dat er bij alle verschil van mening over de wijze van reformatie er eenstemmigheid was over de vraag of de afscheiding van 1834 een werk van de HERE was. De verklaring spreekt immers over het danken van God voor zijn genade én in 1834 én in 1886 betoond. En de verklaring houdt ook in dat over en weer wordt gesteld dat het breken met het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap én in 1834 én in 1886 is geschied in gehoorzaamheid aan Gods Woord.
(Belangrijk om te noteren is dat door de synode van de afgescheiden kerken alle 4 punten van deze verklaring met grote meerderheid van stemmen werd aangenomen).

Conclusie n.a.v. bovengenoemde twee punten

Geconcludeerd kan worden uit bovengenoemde twee punten dat er na de Doleantie van 1886 eenstemmigheid is geweest met betrekking tot het werk van de HERE in de Afscheiding en de Doleantie. Voor beide reformaties werd door beide partijen de HERE dank gebracht vanwege Zijn betoonde genade.
Verschil van inzicht, en soms heel diep, was er wel over de wijze, de methode van reformatie.

Wordt vervolgd