Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Tégen wie de geboden van God bewaren

Jaargang: 
7
Datum: 
22 mei. 2013
Nummer: 
24
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1197
Rubriek: 


Scholen mogen leraren straks niet meer ontslaan of weigeren omdat ze homoseksueel zijn. D66 heeft 7 mei 2013 samen met VVD, PvdA, SP en GroenLinks een wetsvoorstel ingediend dat een einde wil maken aan mogelijke discriminatie van homoseksuele leraren. Volgens de huidige wet mogen scholen voor bijzonder onderwijs geen medewerkers ontslaan of weigeren op grond van het enkele feit dat iemand openlijk homo is of een homoseksuele relatie heeft, maar nog wel als er bijkomende omstandigheden zijn. Volgens het RD van 10 maart hebben de indieners van het wetsvoorstel voor ogen om het gaatje dat in de wetgeving was (wel als er bijkomende omstandigheden zijn) overgebleven, te dichten. Om zo alle homos de gelegenheid te geven uit de kast te komen, waarbij het gevaar van ontslag ook op christelijke scholen voor hen niet meer bestaat. Het gaat hier om een wetsvoorstel waarvan verwacht wordt dat het in de Eerste en Tweede Kamer een meerderheid zal krijgen.

De betekenis van bovengenoemd bericht lijkt misschien minder groot nu wij zelf geen eigen scholen hebben. Maar dat zou een ernstige vergissing zijn. Want deze actie is een teken aan de wand hoezeer de wetteloze maatschappij en politiek zich antichristelijk gaat opstellen.

De wereld gaat het de kerk steeds moeilijker maken om in gehoorzaamheid aan de Here in alle rust en waardig-heid een godvruchtig leven te leiden. Als zodanig is dit weer een nieuw bewijs van onverdraagzaamheid tegen de kerk van Christus in Nederland sinds de Tachtigjarige Oorlog. Hoever gaat dit? Straks mag in de kerk ook niet meer Schriftuurlijk gehandeld worden t.a.v. de plaats van de vrouw in de kerk, en mag er geen kerkelijke tucht worden uitgeoefend aan praktiserende homoseksuelen, biseksuelen of transgenders.

Draak tegen overigen

Met het verwereldlijken van grote kerkinstituten en het volledig afkalven van de christelijke politiek, lijkt er nu ruim baan te zijn ontstaan voor deze antichristelijke krachten in onze samenleving. Na het algemeen en onbeperkt invoeren van de koopzondag, wat ingaat tegen het vierde gebod, is nu het tolereren van zonde tegen het zevende gebod aan de orde.

Toch moeten we daar niet vreemd van opkijken. Gods Woord heeft het ons op veel plaatsen laten weten, dat ons verdrukking te wachten staat. De apostel Petrus laat ons dat zelfs ter bemoediging weten (1 Petr. 4:12,13):

Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring zijner heerlijkheid.

In Openb. 12 wordt ons geopenbaard dat de draak oorlog voert tegen de kerk, om precies te zijn: tegen de overigen van haar nageslacht die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben. Zo wordt de kerk in de laatste bedeling gekarakteriseerd: tegenover de wetteloze wereld bewaart zij de geboden van God en heeft zij het getuigenis van Jezus. En juist dáárom voert de draak oorlog tegen de kerk. Hij wordt erdoor geprikkeld, want de draak wil dat de kerk niet langer Gods geboden bewaart, maar zich aanpast aan de wereld die al in zijn greep is. En hij wil dat het getuigenis van Jezus wordt opgegeven, dat de Waarheid van Gods Woord de mond gesnoerd wordt.

Die overigen van het nageslacht van de vrouw kunnen zijn de andere kerkleden dan de Christus, namelijk de christenen die leden zijn van de christelijke kerk, terwijl haar Hoofd Boven is. Maar de overigen van het zaad van de vrouw kan ook betekenen: de overgeblevenen, het overblijfsel dat door Gods genade trouw mag blijven.

Ook als de tijd aanbreekt en hoever weg is die tijd als we het bovenstaande in rekening brengen? dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest, of het getal van zijn naam heeft (Openb. 13:17).

Die overigen worden dan als de kerk van Christus de twee getuigen van Openb. 11 uiteindelijk zelfs gedood: ze is dan vrijwel onzichtbaar geworden. Heel de wereld (zij die op de aarde wonen) juicht daarom, men geeft elkaar geschenken, zo blij is men dat het getuigenis van de kerk verstomd is (Openb. 11:10). De wereld heeft het ervaren als een pijnlijke marteling dat de kerk hen vermaande en waarschuwde voor Gods oordelen.

De vraag is of we daar al iets van bespeuren bij de uitschakelingtactiek van een partij als D66?

Bewaren

In dit artikel willen we aandacht besteden aan het bewaren van Gods geboden. Juist nu het een situatie lijkt te worden voor de kerk van barsten of buigen, juist nu zullen we onze hulp bij God moeten zoeken en bij Zijn Woord. Want het bewaren van Gods geboden staat tegenover de wetteloosheid, die steeds sterker vorm krijgt.

Dat vraagt nu nadrukkelijker dan ooit dat we weten wat het betekent om Gods geboden te bewaren? Moeten we dan terug naar wetticisme? Of gaat het hier om conservatisme?

Wat wordt bedoeld met het bewaren van Gods geboden als kenmerk van de kerk in haar strijd tegen de draak?

Het bewaren van Gods geboden is in Openb. 12:17 verbonden met het getuigenis van Jezus. Die combinatie komen we ook op andere plaatsen in Openbaring tegen, waarbij voor het bewaren van Gods geboden dan staat: het bewaren van Gods Woord (Openb. 1:2,9; 6:9; 20:4). Naast Openb. 12:17 wijzen 6:9 en 20:4 op de consequenties van het bewaren van Woord en getuigenis: ze worden geslacht en onthoofd! Openb. 6:9:

En toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden.

Openb. 20:4:

En ik zag de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God, en die noch het beest noch zijn beeld hadden aangebeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd () hadden;

Het getuigenis van Jezus hebben

Omdat we dus het bewaren van Gods geboden, van zijn Woord dienen te verbinden aan het hebben van het getuigenis van Jezus, gaan we eerst na wat dit laatste betekent. Het kan opgevat worden als het hebben van het getuigenis over Jezus, zoals de apostelen dat hebben overgeleverd. Het hebben van het getuigenis van oor- en ooggetuigen over hun Heiland.

Maar het kan ook betekenen het getuigenis dat ze van Jezus hebben ontvangen.

Jezus Christus was de getrouwe getuige, Hij heeft getuigd van God de Vader, van zijn liefde, zijn macht en heerlijkheid. Hij heeft getuigd ook van het Koninkrijk der hemelen, van zijn Zoonschap van God de Vader en van de Waarheid. Op dat getuigenis is Hij zelfs gedood als de getrouwe getuige.

Gezien het verband geven we de voorkeur aan de eerste uitleg: het getuigenis óver Jezus, dat de kerk naar buiten moet brengen. Het getuigenis over Hem als redder en rechter van deze wereld. In zijn naam moesten de apostelen prediken bekering tot vergeving van de zonden aan alle volken (Lucas 24:47). Zij waren daarbij getuigen van deze dingen (Lucas 24:48). De kerk heeft hun getuigenis mogen hebben in Gods opgetekende Woord om dit uit te dragen. Om zo het recht van Christus op deze wereld te verkondigen, als heil voor een ieder die het zal aannemen en als aanklacht voor een ieder die het zal verwerpen.

Daarop sluit ook het getuigen van de kerk aan in Openb. 11:3,6. De twee getuigen, die de kerk vertegenwoor-digen tussen Hemelvaart en wederkomst (1260 dagen), wijzen op de wederkomst met het gericht des Heren. Juist het getuigen van het evangelie van Christus naar buiten levert de kerk haat en vijandschap op in deze wereld. Het is het getuigenis dat er nog behoud is in Christus van het oordeel van God. Nu, juist dit geluid wil de satan met alle geweld doen verstommen.

De geboden bewaren

Zo wordt ook duidelijk wat de betekenis is van het bewaren van Gods geboden en Gods Woord. We willen graag op een drievoudige betekenis van dat bewaren wijzen. Bewaren in de betekenis van tot gelding brengen.

Als eerste: bewaren is niet conserveren. Het is niet opsluiten. Bewaren is in de eerste plaats de zuiverheid ervan behouden. Niets ervan afdoen, niet eraan toevoegen (Openb. 22:18).

Bewaren is vervolgens het laten horen. Immers Gods Woord alleen beschouwen als een historisch document betekent dat we het Woord, ja God zelf, minachten. Het is zijn boodschap, ja zelfs zijn levende stem tot ons in onze situatie als kerk van vandaag. Heel zijn Woord hebben we nodig tot ons behoud.

Dus naast zuiver houden is, moet het Woord gepredikt worden en aangenomen worden.

Maar nog is de betekenis van het bewaren niet uitgeput. Want het bewaren betekent ten slotte vooral: functioneren, het zó laten leven waarvoor het bedoeld is. Gods Woord keert nooit ledig terug. Het beweegt tot actie. Door Gods Woord is de schepping tot stand gebracht. Door Gods Woord is de herschepping een feit. Gods Woord aan ons is de Christus die verkondigd wordt. Dat betekent nu dat Gods Woord van ons bezit moet nemen. Dat het ons moet veroveren. Dat het ons moet beheersen. Gods Woord bewaren is dan vooral dat we het overdenken èn eruit leven.

Als we zo zien dat we Gods Woord moeten bewaren, als kracht tot behoud, als Woord ten leven, dan is ook duidelijk waarom het hier gelijk staat met het bewaren van Gods geboden. Gods Woord bewaren is niet alleen zeggen: Here, Here. Zoals Jezus zei als het gelovig antwoord op de wetteloosheid (Matt. 7:21-23):

Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.

Wij kunnen als kerk wel godsdienstig zijn en intussen in eigenwilligheid Gods Woord toch niet bewaren. Gods geboden worden zo in veel kerkgenootschappen naar het tweede plan geschoven. Men zegt liever dat het gaat om de stijl van het koninkrijk en vult dan vervolgens zelf in hoe die stijl moet zijn. Ja, de geboden horen daar wel bij, maar die moet je in hun context zien. Zo worden die geboden van God niet meer bewaard. Ze beheersen de mensen niet meer. Maar worden krachteloos gemaakt.

Bewaren is in Gods liefde blijven

Waar wij in deze wereld bang voor moeten zijn is niet dat de wereld het ons moeilijk maakt om Gods Woord te houden om zijn bevelen te doen en zijn geboden te onderhouden. Maar dat we door zijn geboden ten onder te houden, niet meer in Gods liefde zouden blijven (zie ook Matt. 10:28).

Het bewaren van Gods geboden heeft daarbij niets te maken met het verdienen van onze zaligheid. Maar het is blijk van onze dankbaarheid, onze wederliefde, het zijn de vruchten van ons geloof als een levend geloof door Christus Geest.

Het is weer onze Heiland zelf geweest die daar zo nadrukkelijk op gewezen heeft.

Denk aan het beeld van de wijnstok en de ranken (Joh. 15). Jezus zou gaan sterven voor de zijnen, maar zijn offer zou alleen voor hen zijn, als ze Gods Woord zouden bewaren. Daartoe bad Hij toen ook zijn hogepriesterlijk gebed (Joh. 17).

Wat opvalt is dat Christus bij zijn uitleg van het beeld van de wijnstok zo nadrukkelijk spreekt van het bewaren van zijn geboden:

Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde (Joh. 15:10).

Ook bij het zendingsbevel aan zijn apostelen zegt Christus m.b.t. hen die tot zijn discipelen worden gemaakt:

en leert hen onderhouden al wat ik u bevolen heb (Matt. 28:19).

Het is duidelijk dat de betekenis van het bewaren van Gods geboden niets te maken heeft met conservatisme, maar ook niets met wetticisme. Bij een levend geloof zullen we steeds moeten schuilen bij Christus bloed, juist vanwege onze overtredingen van Gods geboden. Maar ook dat behoort bij het bewaren van Gods geboden: we handhaven ze voor ons eigen leven, waardoor we onze zonden zien. We vragen vergeving voor en willen strijden tegen die overtredingen. En we handhaven de tucht wanneer er wordt voortgeleefd in die overtredingen.

Hier geldt wat de apostel Johannes tot ons zegt (1 Joh. 2:3-6):

En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij zijn geboden bewaren. Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn. Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, als Hij gewandeld heeft.

Met de uitdrukking het bewaren van Gods geboden en hebben van het getuigenis van Jezus wordt daarom als geheel bedoeld het leven uit de beloften in Christus, het leven naar de eis van het genadeverbond, het leven tot Gods eer. Het is een leven in de gezindheid van Gods Geest naar zijn Woord.

Het kenschetst hoe de ware kerk van Christus in deze wereld staat. Alleen zo kan ze standhouden in de verzoeking die op haar afkomt. De verzoeking om zich toch maar op punten aan te passen aan wat anderen nu van ons eisen. Of om het hele geloof tot een aangepast geloof te maken, zoals dat al zoveel gebeurt onder christenen. Maar dan onteren we God en eren we de satan. Dan zijn we afvallig en verliezen we de liefde van God.

Nee, om stand te kunnen houden moeten we allereerst naar God en Christus toe om de kracht van de Heilige Geest af te bidden. Om onverminderd te kunnen blijven leven uit Gods heerlijk Woord en zijn geboden te kunnen doen. Om zo getuigend in leer en leven uit te mogen zien naar de wederkomst van Gods Zoon op de wolken.

Zo hoeft het genoemde wetsvoorstel ons niet te verschrikken. Zo kunnen we als kerk met vaste voet verder, zoals Hendrik de Cock zei: ziende op het gebod en blind voor de toekomst.