Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Stel alle ambten open voor de vrouw (3)

Jaargang: 
11
Datum: 
22 feb. 2017
Nummer: 
4
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1713
Rubriek: 



GKv rapport van deputaten M/V en ambt

In de vorige twee artikelen hebben we een samen-vattende weergave gegeven van het deputaten-rapport M/V en ambt (Samen dienen) dat behandeld wordt op de GS Ede 2017. We hebben het rapport aan het woord gelaten met haar eigen woorden om zoveel mogelijk recht te doen aan de deputaten. Het is nu tijd om ons commentaar te geven.

Twee lijnen of één Bijbelse grondlijn?

De deputaten zijn veel Schriftplaatsen langsgelopen. Ze hebben geprobeerd daarin een lijn te ontdekken. Ze komen uit op twee lijnen. Ze herkennen een harde lijn van ondergeschiktheid van de vrouw, die teruggaat op de vloek van Gen. 3:16 en die wordt teruggevonden in de Romeinse cultuur in de tijd van de apostelen. Daarnaast herkennen ze een genadige lijn van gelijkwaardigheid, deze zou teruggaan op de schepping. In Christus zou deze tweede lijn de eerste moeten overwinnen. De deputaten doen hun best om dit laatste aan te tonen, maar moeten verzuchten dat toch ook bij Paulus en Petrus twee lijnen herkenbaar blijven, zij het in een zekere 'gelaagdheid'. Ze spreken de verwachting uit dat de genadige lijn van de gelijkwaardigheid door de leiding van de Heilige Geest alsnog de overwinning krijgt op de eerste lijn.

Deze benadering gaat geheel voorbij aan het gegeven dat er slechts één lijn is die normatief is en dat is de grondlijn die door God zelf is ingesteld bij de schepping (Gen. 1 en 2).

Het is de scheppingsorde waarin man en vrouw samen als beeld van God geschapen zijn om Hem te vertegenwoordigen en te eren in een twee-eenheid. Ze zijn beiden als Gods beeld, Gods schepsel en Gods kind gelijkwaardig voor God (Gen. 1:27). Ze passen als zodanig bij elkaar (Gen. 2:23,24). Maar in deze twee-eenheid zijn ze niet gelijk aan elkaar. Ze hebben elkaar lief en hebben elkaar nodig om hun taak als beeld van God te kunnen uitvoeren (1 Kor. 11:11,12). Maar juist daarom heeft God hen verschillend geschapen, met al direct een onderschikking van de vrouw aan de man: zij is omwille van hem geschapen (1 Kor. 11:9). Dat is niet negatief maar juist positief voor de vrouw: het is haar tot eer (1 Kor. 11:5,15). En zo is het God tot eer, want zó heeft God het gewild, zo was het zeer goed (Gen. 1:31, 1 Kor. 11:12, 1 Tim. 2:13).

Er is door God verschil aangebracht in volgorde (Gen. 2:18-24), dat zich uit in verschil in rangorde (1 Kor. 11:2,7-10). Er is verschil in positie, gaven en taken. De vrouw is gegeven als hulp tegenover de man: op hem gericht, om hem bij te staan en aan te vullen en te volgen. Ondergeschikt, maar niet slaafs. De man is eerst-verantwoordelijke, hij is het hoofd en gaat voorop. Later werkt de Heere deze verhouding door Zijn apostelen Paulus en Petrus verder uit in Ef. 5:22-33, Kol. 3:18,19, Tit. 2:4-6 en 1 Petr. 3:1-7.

Adam werd ook als eerste door God ter verantwoording geroepen na de zondeval, ook al probeerde hij het af te schuiven naar zijn vrouw (Gen. 3:9,12). 1 Tim. 2:14 waarschuwt dat de vrouw in haar ondergeschikte positie niet weer de leiding neemt zoals Eva dat deed bij de zondeval.

De eenheid van de Schrift

Wie de Schrift ziet als één boek geïnspireerd door één eerste Auteur komt niet met de gedachte van twee verschillende lijnen als de Schrift die zelf niet aanwijst. De Schrift kent geen innerlijke tegenstrijdigheid. Er kunnen daarom niet twee tegengestelde lijnen tegelijk spelen in de instructies die de apostelen namens de Heere geven voor gezin en kerk.

Voor de positie van man en vrouw bestaat er een heel duidelijke eenheid in de Schrift.

Daarom kunnen ook nieuwtestamentische teksten gebruikt worden voor de uitleg van de oudtestamentische en andersom: de Heilige Schrift is haar eigen uitlegster!

Het is juist de ene Bijbelse grondlijn die loopt vanaf de schepping, waarnaar de Heere Jezus terugverwijst in Matt. 19:3-12 en Marc. 10:2-12. Ook de apostelen Paulus en Petrus doen dit wanneer zij spreken over de positie van man en vrouw in gezin en kerk. Nergens is er een verwijzing naar de cultuur waarin men leeft als normgevend. Integendeel, de voorschriften betreffen juist correcties op verkeerde invloeden. Steeds verwijzen ze naar de ene grondlijn of naar Gods Woord en wet.

Voor wat betreft het gezin lezen we die verwijzing in Ef. 5:31 (voor de passage Ef. 5:22-33), Kol. 3:18 (voor Kol. 3:18,19), Tit. 2:5 (voor Tit. 2:4-6) en 1 Petr. 3:6 (voor 1 Petr. 3:1-7).

Voor wat betreft de posities in de kerk lezen we die verwijzing in 1 Kor. 11:9,11 (voor 1 Kor. 11:1-16), 1 Kor. 14:34,36 (voor 1 Kor. 14:34-40) en 1 Tim 2:13,14 (voor 1 Tim. 2:9-15). Kennelijk is het nodig dat de Bijbelse orde steeds weer met klem wordt voorgehouden tegen het vlees en de tijdgeest in!

Gelijkwaardigheid en onderschikking

Ja, de vloek van Gen 3:16 heeft een stempel gedrukt op de praktijk van de onderlinge verhoudingen. Ze werkte bijvoorbeeld door in de praktijk van de scheidbrief. Maar deze praktijk was geen norm maar een gevolg van de zonde (hardheid van het hart). De Heere Jezus Christus heeft daarom deze scheidbrief met kracht afgewezen en zo de norm van Gen. 1 en 2 weer hersteld (Matt. 19 en Marc. 10). In Hem zijn ook de posities van man en vrouw weer hersteld. Dat heeft Hij zelf ook getoond tegenover de vrouwen die Hem steeds omringden en met wie Hij contact opnam.

Zo is de gelovige vrouw ook helemaal gelijkwaardig aan de gelovige man voor wat betreft de genade die Christus schenkt, als kind van God in Hem en erfgenaam van het eeuwige leven (Gal. 3:28; 1 Petr. 3:7). Dit zal ook moeten uitkomen in de wijze waarop de man zijn vrouw liefheeft en bejegent (1 Petr. 3:7; Ef. 5:25v, Kol. 3:19). Maar nogmaals: deze gelijkwaardigheid doet niets af van de ongelijkheid van man en vrouw die God zelf heeft aangebracht. Voor de man geldt dat hij als hoofd verantwoordelijkheid moet nemen en invullen. Van de vrouw wordt gevraagd toewijding en onderdanigheid aan de man zoals aan de Heere (Ef. 5:22; Kol. 3:18; Tit. 2:5).

De deputaten stellen de ondergeschiktheid van de vrouw tegenover haar gelijkwaardigheid, maar zo wordt het Schriftgezag aangetast. De door hen voorgestelde gedachte van twee lijnen is overigens geen nieuw idee. We lezen al in 2003 van twee tegengestelde lijnen in de Schrift in het rapport Vrouwelijke Ouderling en Predikanten? van de Nederlands Gereformeerde Kerken, die vanaf 1994 de vrouw in het ambt hebben toegelaten (eerst het diakenambt, in 2004 alle ambten).

Maar deputaten gaan verder. Zij stellen dat nu de tijd zou zijn gekomen, waarin de Heilige Geest ons de onder-schikking van de vrouw doet overwinnen. We zouden de vrouw nu genadig ruimte voor het ambt moeten gunnen. Deze suggestie doet denken aan het principe van 'voort-gaande inspiratie'. Dat duidt meer op hoogmoed van de mens, dan op nederige onderwerping aan de Schrift.

Het is zeker niet 'genadig' te noemen als we de vrouw een positie toedelen, die tegen Gods wil is en haar tot oneer is (1 Kor. 11:5,7,13; 1 Tim. 2:15).

Praktijk en ambt

Ook al is in het rapport de term nieuwe hermeneutiek angstvallig vermeden - is dat vanwege de afkeuring van het vorige rapport? - wij menen dat de nieuwe hermeneutiek er wel degelijk een grote stempel op heeft gedrukt. Dat blijkt enerzijds uit de manier waarop de nieuwtestamentische teksten over gezag van de man het verwijt krijgen, dat ze beïnvloed zijn door de Romeinse cultuur. En anderzijds blijkt dit uit de manier waarop de huidige praktijk van actieve vrouwen met gaven in de kerk, een ombuiging van de uitleg van deze teksten zou rechtvaardigen.

Verder, waarom gaan de deputaten voorbij aan het feit dat door Jezus Christus en Zijn apostelen alleen mannelijk ambtsdragers werden aangesteld en geen vrouwelijke? Dat er ook profetessen voorkomen, is daarmee niet in tegenspraak. Want dit gegeven laat zien dat de Heere een ieder verschillende gaven schenkt. 1 Kor. 12:27-30 leert ons juist dat het hebben van gaven, charismata, nog geen toegang tot het ambt rechtvaardigt.

Toch zoeken de deputaten tegen de achtergrond van de praktijk van actieve 'talentvolle' vrouwen in GKv-gemeenten, naar ruimte in de Schrift voor toelating tot het ambt voor deze vrouwen.

Een van de andere pijlers waarop ze denken deze ruimte gevonden te hebben, is hun nieuwe uitleg van de zgn. zwijgteksten. Met name hun uitleg van 1 Kor. 14:34 is heel curieus te noemen.

Bij zoveel verschillende uitleggingen van deze tekst, weten ze er eerst niet goed raad mee.

Maar dan komen ze toch nog met een nieuwe vondst: de reden dat vrouwen in de erediensten moesten zwijgen was misschien dat ze toen te weinig kennis hadden! Dat 'misschien' verdwijnt vervolgens in hun betoog om te eindigen in de vaste stelligheid dat de 'zwijgteksten' altijd verkeerd uitgelegd zijn! De uitleg van 2000 jaar kan nu opzij: de huidige talentvolle vrouwen die wel kennis hebben, mogen nu wel spreken!

Daarmee is in volle tegenspraak dat Paulus in zijn argu-mentatie in 1 Kor. 14 maar ook in 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2 gewoon de ene Bijbelse grondlijn doortrekt. Paulus brengt daarbij zelfs zijn gezag als apostel en dat van het Woord van God naar voren (1 Kor. 11:1,2; 1 Kor. 14:36,37).

Breuk

Ook andere 'gezagteksten' krijgen in dit rapport een nieuwe uitleg. Volgens deputaten zeggen deze teksten niet zozeer dat de man gewoon gezag heeft, maar dat de vrouw niet 'de baas mag spelen' over de man. Maar, zo wordt daaraan toegevoegd, ook de man mag niet de baas spelen over de vrouw. Zo wordt de gezag-structuur die God in de schepping heeft aangebracht genivelleerd.

Ja, de man krijgt bij het ambt nog wel de 'koppositie', maar wel alleen binnen de kerkenraad. Daarbuiten zijn het niet de ambtsdragers afzonderlijk die gezag hebben, maar is het de kerkenraad in zijn geheel (collectief) die gezag heeft over de gemeenteleden, zo stellen de deputaten.

Maar door deze 'ontmanteling' van het gezag wordt het apostolische bevel dat iedere man hoofd is van de vrouw (1 Kor. 11:3,4), en dat de vrouw moet luisteren in alle onderdanigheid (1 Tim. 2:11), weggeredeneerd.

In het slothoofdstuk met argumentatie voor de adviezen aan de synode wordt de zaak door deputaten nog verder teruggebracht: het letten op verschillen tussen man en vrouw achten ze 'geen vruchtbare route'. Ze achten het belangrijker om te zoeken naar de gaven die aan een individuele man of vrouw gegeven zijn om invulling te geven aan een gezamenlijke opdracht. Gaven en roeping dienen een plek te krijgen.

We vatten onze bezwaren tegen dit rapport als volgt samen:

1. Het rapport heeft de ene grondlijn van de scheppings-orde m.b.t. de positie van man en vrouw losgelaten.

2. De eenheid van de Schrift is bij de uitleg van Bijbel-teksten genegeerd.

3. De in het rapport genoemde gedachte van twee lijnen in het onderwijs van de Schrift suggereert een tegenspraak die vreemd is aan de Schrift.

4. Vanuit het oogpunt van gaven en gezamenlijkheid worden de Schriftteksten die wijzen op gezag van de man en ondergeschiktheid van de vrouw, van hun inhoud beroofd.

5. De ruimte die het rapport toedicht aan de vrouw om in het ambt te mogen dienen, gaat in tegen de klaarblijkelijkheid van de Schrift.

De deputaten erkennen dat ze in hun advies om alle ambten open te stellen een breuk met het verleden aanbrengen. Maar ernstiger is dat ze hiermee breken met Gods Woord. Er wordt van afgedaan en er wordt aan toegevoegd. Dat laat de Heere niet ongestraft (Deut. 4:2, Openb. 22:18,19).

Ons gebed is of de Heere de ogen wil openen van de kerkleden van de GKv, een keer wil brengen in dit menselijk denken, en een terugkeer wil bewerken naar Zijn Woord.