Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Psalm 98:4

Jaargang: 
7
Datum: 
24 apr. 2013
Nummer: 
20
Schrijver: 
-
ID:
2031

In Psalm 98 moet, zo zegt dichter, een nieuw lied gezongen worden.
Er zijn namelijk wónderen gebeurd.

Wat voor wonderen zijn dat dan?
Het is niet zo dat de dichter één bepaalde gebeurtenis bedoelt. Het is, zo laat hij blijken, een wonder dat de Here God altijd bereid is om Zijn volk te hulp te komen.
Wij kunnen denken aan de vergeving van onze zonden. En aan het eeuwige leven dat de Here ons belooft: geluk dat nooit ophoudt en altijd durende vrede voor door Hem uitgekozen mensen. Uitverkorenen, noemen we dat in de kerk.

Waarom moet er eigenlijk een nieuw lied gezongen worden?

Als je dat wilt begrijpen, moet je eerst even terug naar het begin van de wereldgeschiedenis. Naar Adam en Eva, dus. Zij laten zich door de satan verleiden. Maar de Here zoekt hen op. In Genesis 3:9 vraagt de Here: “Waar zijt gij?”. Zo maakt de Here een nieuw begin.

Zo maakt de Here alles nieuw. De aarde juicht, tot in de uithoeken toe. De zee doet mee. En ook de mensen op het land. De rivieren stromen plotseling een stuk enthousiaster; de snelle stroming klinkt als applaus. Bergen heffen een groot Geestdriftig gejoel aan. Dat lees je in deze Psalm.
Maar hoe moet je je dat voorstellen? En wat zie je er eigenlijk van in je eigen leven? Antwoord: iedere dag gaat de zon weer op; er begint een nieuwe dag en er komt weer een nieuw begin.
Als je om je heen kijkt, kun je het óók zien. Het is lente. Er komt weer meer groen in de natuur. De Here laat zien: er komt weer een nieuw begin.

En er is nóg wat. In de kerk zeggen wij nooit: vandaag is ’t weer het oude liedje. Nee, daar zingen we een nieuw gezang. Met dat nieuwe gezang vragen we om de hulp van de Heilige Geest. Want wij willen voorkómen dat wij steeds maar terugvallen in dezelfde fouten. Wij strijden tegen de zonde.
Weet je nog dat we vorige week een stukje van de Nederlandse Geloofsbelijdenis hebben gelezen? Dat gaan we nu weer doen.  Want in artikel 29 staat: “Zij die bij de kerk horen, zijn te kennen aan de kenmerken van de christenen, namelijk aan het geloof en hieraan dat zij, na de enige Heiland Christus aangenomen te hebben, de zonde ontvluchten en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet naar rechts of naar links afwijken en hun oude mens met zijn werken kruisigen. Dat wil echter niet zeggen dat er geen grote zwakheid meer in hen zou zijn, maar door de Geest strijden zij daar elke dag tegen, hun leven lang”.
Kinderen van God blijven liefst zo ver mogelijk bij de zonde vandaan. Zij willen eerlijk en rechtvaardig zijn. Zij willen Jezus Christus altijd volgen. Dat is moeilijk. Want wij zijn zondig.
Daarom heeft Psalm 98 echt met de kérk te maken. Want daar maken we, door Gods genade, elke dag een nieuw begin.

De Here gaat verder.
Hij maakt zelfs een nieuwe wereld.
De dichter stelt zich voor hoe de Here dat gaat doen. Hij zegt: er komen twee nieuwe steunpilaren onder de wereld. De ene heet: recht. En de andere heet: gerechtigheid.
In de nieuwe wereld is alles mooi. Alles is perfect. De zonde kan daar niets meer bederven.
Daar gaan wij samen naar toe. Is dát niet prachtig?