Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Psalm 119:66

Jaargang: 
8
Datum: 
15 jan. 2014
Nummer: 
2
Schrijver: 
B. de Roos
ID:
1943

Vandaag leren we het laatste vers van de langste psalm.

Die lange psalm is een loflied op Gods Woord. Een lofzang op Gods wet.

 

'Geef dat ik eeuwig u mag toebehoren', zegt de dichter.

Hij wil altijd bij de Here zijn. In de hemel, maar ook al op de aarde. En dat is niet gemakkelijk. De belangrijkste tegenwerker is, zoals bekend, de zonde. En daarom wil de dichter geholpen worden. De wet van God moet hem in het goede spoor houden. De Goddelijke voorschriften voor het leven moeten ervoor zorgen dat hij, in alles wat hij doet, past in het verbond dat God met hem gesloten heeft.

Want dan gaat de hemel open. Dan is de dichter uit-eindelijk welkom in de woonplaats van God. En daar wil de dichter naartoe.

Zo verwijst deze psalm ook naar Jezus Christus. Hij was het die voor al zijn kinderen de weg naar Gods troon vrij maakte!

 

Er zijn wel mensen die zeggen dat Psalm 119 een beetje ouderwets is. Want die psalm gaat over de waarde van Gods wet. Die mensen zeggen: Jezus bevrijdt ons van de wet. Daar hoeven wij ons dus niet meer aan te houden.

Hebben die mensen gelijk? Nee, die mensen zien iets over het hoofd.

We worden niet gered als we ons netjes aan de wet houden. Maar als we naar Gods wet leven, laten we wel onze dankbaarheid zien. Kijk maar eens in Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus.

 

Als het goed is, zijn de wet van God en onze dankbaar-heid in ons leven onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Kinderen van God bereiden zich voor op een toekomst waarin zij God eeuwig zullen danken en loven. Psalm 119 is dus helemaal niet ouderwets.

De dichter van Psalm 119 vergelijkt zichzelf met een dwalend schaap. Een schaap dat door de eigenaar opgezocht moet worden.

In Lucas 15:4-7 vertelt Jezus de gelijkenis van het verloren schaap. Zoek dat Schriftgedeelte maar eens op.

De dichter van Psalm 119 weet ook dat hij opgezocht moet worden.

Hij beseft dat hij zich steeds weer moet bekeren. Hij moet zich iedere dag weer omkeren, met zijn gezicht naar de Here toe.

Wij moeten ons realiseren dat de Here ons steeds weer vast moet pakken om ons de goede kant op te leiden. Als wij met Hem meegaan, dan komen we goed terecht.

Laten wij dus maar niet net doen alsof wij zelf wel kunnen uitmaken hoe onze godsdienst eruit moet zien.

De Here leert ons hoe wij voor Hem moeten leven. Want Hij heeft ons uitgekozen om zijn kinderen te zijn. Laten we ons maar aan Hem toevertrouwen!