Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Psalm 105: 21

Jaargang: 
0
Datum: 
01 jan. 2008
Nummer: 
0
Schrijver: 
R. Antonides-Beijes
ID:
2056

In de Bijbel eindigt Psalm 105:45 met het woord – Halleluja. Dat woord komen we vaker tegen in de Psalmen. Weet je nog wat het betekent?

Halleluja betekent ‘ loof de Here’!  Met deze woorden begint Psalm 105 ook. Deze Psalm is dus duidelijk een lofpsalm.  Gods naam wordt geprezen en groot gemaakt door te zingen van de grote daden van God aan zijn volk Israël. Dit heeft alles te maken met het verbond dat God heeft gesloten met Abraham. En dat verbond was voor Abraham èn zijn nageslacht.

God heeft aan Abraham beloofd dat hij en zijn nageslacht Gods volk zouden zijn en dat ze het land Kanaän zouden krijgen om daar te kunnen wonen. Dit verbond van God met Abraham heeft een belofte (dat wat hierboven staat) maar ook een eis. Iets wat God van Abraham en zijn nageslacht vraagt, ja, eist! Het is dus niet vrijblijvend.  De eis van Gods verbond is: dat het volk God moet gehoorzamen en Gods naam eer geven in alles wat hij doet. Dan zou God trouw blijven aan zijn belofte – dat Israël altijd het uitverkoren volk van God zal blijven en hij in Kanaän mag wonen.

En daar gaat Psalm 105 over – de grote verbondsdaden van God aan het volk Israël. Laten we naar een paar voorbeelden uit deze Psalm kijken.

De Psalm begint met het verbond aan Abraham, later wordt het vernieuwd met Isaäk en ook nog met Jakob. Dan zingen we over hoe Jozef in Egypte komt. Daar wordt hij onderkoning en op deze manier zorgt God voor redding van zijn volk uit de hongersnood. Want Jakob en zijn familie gaan bij Jozef wonen waar wél genoeg te eten is. Tijdens zijn jaren in Egypte groeit Gods volk (Jakob en zijn familie) tot een heel groot volk. Ze worden nu slaven in  Egypte. En weer stuurt God verlossing voor zijn volk. Door Mozes worden ze uit Egypte geleid. Farao en de mensen van Egypte worden gestraft met de 10 plagen. Ook tijdens hun reis in de woestijn stuurt God altijd redding voor zijn volk.  Ze krijgen brood en vlees en water. Dit komt je vast wel bekend voor – de vele Bijbelverhalen die je thuis en op de Bijbelschool hebt gehoord. Wij moeten ze niet zien als alleen maar mooie verhalen om naar te luisteren. Het zijn voorbeelden om ons te leren hoe groot Gods liefde is en hoe trouw God is aan wat Hij heeft beloofd. Als wij daarvan zingen dan loven wij de naam van God en geven Hem eer voor zijn verbondsdaden. En daarom past het om ‘Halleluja’ te zingen! En dat gaan we doen deze week met het leren van vers 21. Ik denk dat je dat vers nu best wel begrijpt. Er staan nog een paar moeilijke woorden in. Gunst betekent iets dat je geeft. En nu weten we dat God het volk Israël het land Kanaän heeft gegeven. Dat had God beloofd. Nu moet Israël aan de eis voldoen. Israël moet God gehoorzamen door Gods wet te volgen (betrachten) en dat trouw volhouden (standvastig) op al hun wegen. Dan kan het niet anders of ze gaan zingen: Looft, Halleluja, looft de Heer!