Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Professor J.Kamphuis 1921-2011

Jaargang: 
6
Datum: 
18 jan. 2012
Nummer: 
2
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
979
Rubriek: 


Na het overlijden van professor Kamphuis willen we in ons kerkblad zijn nagedachtenis eren en onze grote dankbaarheid uiten voor zoveel wat de HEERE in het verleden door deze dienstknecht aan Zijn kerken heeft willen schenken.
Hij werd op 22 december 1921 geboren en groeide op in een degelijk, gereformeerd gezin, waar hij van jongs af aan betrokken werd bij de opbouw van Christus’ kerk.
Hij begon zijn studie in Kampen 1942, waar ik hem toen ontmoette. Dat resulteerde in een vriendschap en hartelijke eensgezindheid, die vele jaren heeft geduurd.
Hij werd in 1948 predikant in de gemeenten te Ferwerd en Hallum in het hoge Noorden van Friesland. Na de kerken van Bunschoten-Spakenburg en Rotterdam-Delfshaven te hebben gediend werd hij na tien jaar dienst in de gemeenten geroepen om als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool mee te gaan werken aan de opleiding tot de dienst des Woords. Aan hem werden toevertrouwd de vakken Kerkgeschiedenis en Kerkrecht - beide heel belangrijke vakken voor een predikant. De kerkgeschiedenis om de gang van de Heere Jezus Christus in de vergadering en de bewaring van Zijn kerk, wereldwijd, te leren kennen en allerlei dwalingen in leer en kerkregering te onderscheiden. En het kerkrecht in de praktijk toe te passen om te blijven bij de Schriftuurlijke kerkinrichting.
In die tijd zei hij eens tegen mij: toen ik pas begon kende ik nauwelijks de jaartallen van bijzondere gebeurtenissen. Maar hij wist wel zomaar zijn studenten te boeien. Want hij leerde hen zelf uit Schrift en belijdenis de ontwikkelingen in de kerk te beoordelen, met name oude ketterijen te onderscheiden. Zo deelde hij aan hen uit de tekst van een oud geschrift van een Middeleeuwse mysticus met de opdracht die te bestuderen en te beoordelen. Waarbij hij uiteraard leiding gaf en aanwees hoe zo'n oude ketterij nog springlevend is.
Hij begon daarmee dus in 1959 - de tijd dat de kerken van binnenuit werden aangevallen door een vrijzinnige geest, die uitliep op een scheuring waardoor de Nederlands Gereformeerde kerken ontstonden - een kerkverband waarin men afscheid nam van de gereformeerde Dordtse Kerkorde en van het oude ondertekeningsformulier en daarmee de deur openzette voor allerlei wind van leer!
Hoe heeft hij in die tijd samen met professor Trimp de kerken gediend met Schriftuurlijke gereformeerde voorlichting en waarschuwing! Door veel strijd heen zijn de kerken toen bewaard op het enige fundament van profeten en apostelen.
Hij heeft in die eerste twintig jaar van zijn professoraat veel gepubliceerd. Hij had de gave om moeilijke zaken eenvoudig voor te stellen en wist steeds weer op een originele wijze de lezer niet alleen te boeien door zijn betoog, maar vooral ook de juiste weg te wijzen: het smalle pad dat in de ruimte voert!
Hij werd beschuldigd van radicalisme, maar in feite zocht hij de oecumenische vrede! Daarin was hij een dankbare leerling van K. Schilder, die met name in zijn polemieken altijd weer de eenheid van de kerk zocht.
In 1979 - dat was acht jaar voor zijn emeritaat - benoemde de Generale Synode van Arnhem hem als opvolger van prof. L. Doekes tot hoogleraar in de dogmatiek. Dat was voor hem echt een offer om die benoeming te aanvaarden. Hij had zo graag zijn professoraat in de kerkgeschiedenis en het kerkrecht willen afronden door een Handboek te schrijven. Daar was hij al aan begonnen. Maar dat mocht niet zo zijn - de kerken hadden hem nodig op de leerstoel van de dogmatiek.
In de daarop volgende jaren was het allereerste begin te zien van de deformatie van de kerken. De HEERE had door de Vrijmaking van 1944 in Zijn zorg voor de bewaring van de kerk de reformatorische beweging van de jaren dertig, de terugkeer naar Schrift en belijdenis doen voortgaan, ondanks alle bestrijding ervan. In die eerste jaren na de vrijmaking - wij kunnen wel spreken van een nieuwe bruidstijd van de kerk - kwam er een doorgaande reformatie op gang.
Maar in de jaren tachtig begon men de rijkdom van die vrijmaking los te laten. Het Gereformeerd Politiek Verbond ging het steeds meer verwachten van macht in plaats van het zich verlaten op de kracht van Gods Woord. Met kracht heeft Kamphuis zich tegen deze afval verzet.
In die tijd kreeg ik samen met ds. J.M. Goedhart de taak om als opvolger van ds. D. van Dijk de rubriek Kerkelijk Leven in de Kerkbode voor het Noorden te verzorgen. Dat betekende toen al telkens weer duidelijke voorlichting geven en waarschuwen tegen het verleggen van de grenzen. Dat lokte naast waardering en dankbaarheid ook veel kritiek uit. Daarin stond Kamphuis naast mij en sloot zich aan bij mijn werk voor de kerkbode.
Ook daaraan denk ik met dankbaarheid terug.
Tot vandaag toe klinkt zijn stem. Bij de opleiding tot de dienst des Woords maken wij graag gebruik van zijn grondige Schriftuurlijke voorlichting, die nog steeds actueel is!
Het was verdrietig dat hij niet alleen geen steun gaf aan onze vrijmaking in 2003, maar die ook veroordeelde. Wat zou, naar de mens gesproken, zijn hartelijke deelname aan die Vrijmaking als de bewaring van de 'schat van Christus’ bruid' een grote invloed hebben gehad op zoveel broeders en zusters die eveneens verontrust waren over de deformatie van de kerk.
Ik stem in met wat broeder H.P.de Roos schreef:

    Maar toch hebben wij hem tot het laatste toe erkend en blijven wij hem eren als een van onze voormannen, door God uitverkoren om zijn volk in een barre tijd van tegenstand te sterken en te onderwijzen. Als zodanig zal zijn nagedachtenis zijn.

Nog een enkele persoonlijke herinnering.
Samen met ds. J. Kok en prof. Kamphuis, beiden verontrust over de ontwikkelingen binnen de kerken en de afbraak van het gereformeerde karakter van verschillende organisaties en daarmee het verkwanselen van het gereformeerde erfgoed, zijn we gekomen tot de oprichting van de stichting Woord en Wereld. Ook dat bracht veel strijd mee, met name van de kant van het Nederlands Dagblad, waar gevreesd werd voor verwijdering tussen broeders en zelfs een uiteengaan.
Ook in de zaak van de betrekkingen met de buitenlandse kerken heb ik nauw met hem samengewerkt. In het bijzonder had hij het oog op Korea. Wij hebben er toen samen voor geijverd dat de gereformeerde erfenis aan die kerken zou worden doorgegeven door twee broeders uit te zenden, die daar als zendeling-hoogleraar aan de Koreaanse opleiding tot de dienst des Woords konden gaan werken. Toen het moeilijk bleek om daarvoor geschikte broeders te vinden hebben wij samen ons beschikbaar gesteld voor die functie. Maar dat kon niet doorgaan. Kamphuis kon in Kampen niet gemist worden. Dat was in 1978, een jaar voordat hij de leerstoel van de dogmatiek kreeg. Maar hij was serieus in zijn aanbod om daar aan het werk te gaan.
Met blijdschap is hij vergezeld van zijn vrouw later naar Korea gegaan om daar gastcolleges te geven. Toen zij daar ziek werd en veel verzorging nodig had heeft hij als een liefhebbende en trouwe echtgenoot haar heel goed verzorgd. Dat maakte op de broeders van de Theologische Hogeschool in Pusan zo'n indruk dat ze zeiden: u hebt ons een les gegeven in de praktijk van het christelijke huwelijk!
Hij was geheel atechnisch - tot het laatste toe schreef hij alles nog gewoon met de pen en zijn vrouw heeft dat alles netjes uitgetypt, steeds weer onder grote tijdsdruk.
Wij gedenken deze dienstknecht van de HEERE in grote dankbaarheid voor zijn werk en de trouwe, sterke en godvruchtige leiding en opbouw van de kerken. En wij dragen zijn vrouw in haar moeite en verdriet op aan de genade van de God, Die onze zwakheden en moeiten kent en ons beloofd heeft dat we bij Hem mogen komen en Christus ontmoeten – ‘ik mag straks Christus zien!, zei hij kort voor zijn sterven - daar waar geen rouw en verdriet meer is omdat alle zonden voorgoed zijn uitgebannen.
De dichter Lenze Bouwers dichtte over dit leven als volgt:
Professor Kamphuis

Het dogma mag niet koud zijn als
ondoorzichtig glas in de winter;
de historie geen feiten en getallen
en reeksen zonder meer zijn,

daarvoor is het avondmaalslinnen
te hemels voor brood en wijn,
zou de rode lijn van de geschiedenis
doodlopen bij een vervallen

ruïne, zelfs geen lokplaats
meer voor trekkers in de bergen,
voor klimmers in het heden
op zoek naar het hart van verleden

tijd en perspectief voor uitzicht,
toekomst, boven de sneeuwgrens
- genade wint het van het gerichte
recht – de kosmos van dichter

Marsman voorbij, de enge ruimte
van Bloem - het is even luid geweest
tussen twee stiltes – open gebroken
tot een schitterende stad, poorten

open, hoor het koor; verleden nu,
dogma werkelijkheid,
beginpunt bereikt,
geen einde meer: halleluja!

We schrijven nog een In Memoriam, namelijk van Charles de Wolff, bekend als organist en dirigent van het Bachkoor met onder andere de jaarlijkse uitvoering van de Matthaeus Passion in Naarden.
Mogelijk dat onze lezers hem alleen maar kennen van zijn achternaam. Hij was namelijk een zoon van ds. I. de Wolff, wiens boeken nog altijd een goede bron van Schriftstudies zijn voor onze studenten, maar evengoed voor gemeenteleden.
In de pers, met name in het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad, is ruime aandacht besteed aan zijn overlijden en in verband daarmee aan zijn werk. Daarbij viel het mij op dat er stelselmatig gezwegen werd over datgene wat hem in zijn muzikale loopbaan bewoog. Dat wordt duidelijk uit een gegeven, dat nauwelijks aandacht kreeg, namelijk dat hij zolang hij dat kon volhouden elke zondag in de kerkdienst van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Enschede-Noord, waar hij vroeger organist was geweest, de gemeentezang op het orgel begeleidde.
In de jaren zestig woonden wij in Oldehove, dicht bij de stad Groningen. Charles was toen dirigent van het Noordelijk Philharmonisch Orkest. Elk jaar voerde hij met zijn koor en orkest in De Harmonie (uniek vanwege de fenomenale akoestiek) de Matthaeus Passion uit. Daar gingen we elk jaar met onze dochters heen. Die vereerden Charles als hun held: als een beer stond hij voor orkest en koor, met zijn ogen en gebaren hield hij hen allen vast!
Dat is onze herinnering aan hem.
Zijn vader ds. De Wolff zei van hem: ik breng het Woord met mijn preken; hij doet dat met zijn muziek. Dat dit aspect niet genoemd werd in allerlei lovende artikelen is te verwachten, maar niet van het ND en RD. Ook in allerlei reacties kwam het niet aan de orde, op één na: dat van de dichter Lenze Bouwers. Hij schreef in een reactie een warme herinnering aan zijn contacten met Charles de Wolff. Daarin wees hij wel de onderliggende motivering van zijn kunstenaarschap aan.
Hij verwoordde dat in zijn gedicht, dat ik met zijn toestemming (evenals het bovenstaande gedicht) hier weergeef:
Charles de Wolff
Geloofde zijn vader met het woord, de zoon met muziek en de harmonie met de zin van de componist; Bach voorop, maar Reger bijvoorbeeld zeker als goede tweede. (Het is een halve eeuw geleden dat ik van hem blokfluitles kreeg, - nu gaan we noten lezen - en naar zijn uitvoeringen ging - elk jaar de Matteus - en dat hij me breed glimlachend adviseerde om wat anders te gaan doen dan muziekles nemen) In Ommen, Zwolle was ik erbij, als hij gesteund door brede bretels de trap op ging, in hoger sferen leefde achter het orgel, alsof hij was waar hij nu is.