Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Postmodernisme en geloof (3, slot) *

Jaargang: 
7
Datum: 
19 jun. 2013
Nummer: 
28
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1214
Rubriek: 



Omgaan met postmodernisme

In de voorgaande hoofdartikelen hebben we eerst besproken het ontstaan en het wezen van het postmodernisme, met name als cultuur-filosofische stroming. Daarna kwam de invloed van dit denken op maatschappij en kerk aan de orde. In dit laatste artikel schrijven we over het omgaan met het postmodernisme m.b.t. het geloof. Moeten we aansluiting zoeken bij dit denken? Biedt het postmodernisme nieuwe kansen aan het verbreiden van het evangelie? Of zullen we het moeten afwijzen en ons er juist niet voor openstellen?

Aansluiting zoeken?

In de bundel Geloven in zekerheid, gereformeerd geloven in een postmoderne tijd, in 2000 uitgegeven onder redactie van K. van Bekkum en R. Rouw door de TU te Kampen, schrijft men al tamelijk onbevangen over het postmoderne denken. In deze bundel zet men het Schriftgetrouwe geloof van gereformeerden weg als rationalisme van het modernisme.

De schrijvers van verschillende kerkelijke herkomst hebben weliswaar grote kritiek op het postmodernisme in zijn meest uitgesproken vorm, waarbij alles gerelativeerd wordt en er leegte overblijft. Ze zien zeker grote gevaren in het betrekkelijk stellen van alle waarheid als het gaat om geloofszekerheid. Toch zoeken ze wel naar aansluiting bij de postmoderne mens.

We zullen een paar schrijvers aan het woord laten om dit duidelijk te maken.

Psychiater prof. G. Glas schrijft, dat we als gereformeerden te sterk zijn gaan hechten aan historische betrouwbaarheid. Volgens hem was men vroeger te veel met zijn verstand bezig om zekerheid te krijgen. Historische betrouwbaarheid geeft zo’n zekerheid. Maar, zegt Glas, geloven is toch in eerste instantie een zaak van het hart?

Glas maakt zo toch te veel een scheiding tussen zeker weten en vast vertrouwen. Maar het gaat bij geloven om twee aspecten van dezelfde zaak: wat zeker is en vaststaat in Gods Woord, mag ook voor mij zijn (HC Zondag 7).

Voorzichtig tornt Glas zo toch aan het absolute waarheidsgehalte van Gods Woord en geeft hij ruimte voor Schriftkritiek zoals die na 2000 zo duidelijk in de GKv is opgekomen. Met name omdat hij de historische betrouwbaarheid ter discussie stelt.

Ook de antithetische houding van de christen in deze wereld krijgt commentaar van Glas:

Christelijke deelname aan de cultuur is niet een kwestie van ofwel vierkant en ten koste van alles je eigen lijn volgen, ook al betekent dat uitstoting en isolement, ofwel ruggengraatloos meebuigen met de heersende mode aan de andere kant. Er zijn meer dimensies met behulp waarvan de christelijke inbreng in het maatschappelijke debat kan worden beoordeeld.

(pag. 30)

Docent drs. P.H. Vos van de Gereformeerde Hogeschool te Zwolle spreekt over schatplichtigheid van de orthodoxie aan het moderne denken. Hij wil daarmee zeggen dat Schriftgetrouw geloof dat alles voor betrouwbaar houdt wat in Gods Woord staat en Gods Woord als het onfeilbare woord van God in al zijn onderdelen aanneemt, voortkomt uit het moderne denken van de rede, van het verstand. Het eerbiedig buigen voor de Waarheid zou product zijn van de stroming die aan het postmodernisme voorafging. Hij schrijft verder:

Men beriep zich wel tegenover de autonomie van de rede op het gezag van de Bijbel of de traditie aan belijdenis-geschriften maar vervolgens fungeerde dit basale uitgangspunt veelal als het onaantastbare fundament waarop de geloofskennis gebouwd kon worden. (…) Geloofszekerheid werd hierdoor nog al eens gereduceerd tot een kwestie van het aanvaarden van het juiste uitgangspunt. Daardoor kon de geloofszekerheid als existentiële betrokkenheid op het heil van Jezus Christus in de verdrukking raken. (pag. 52)

Anders gezegd: vroeger was er een verstandelijk geloven waarin alles uit de Schrift aanvaard werd en men gebonden was aan de belijdenisgeschriften. Hiertegen mocht niets worden ingebracht. Maar daarbij kwam de mens zelf buiten beeld te staan. Alles werd opgehangen aan waarheden zonder dat de mens zelf er voldoende bij betrokken werd.

Vos ziet dit als een vorm van ‘funderingsdenken’. Een denken vanuit het vaste fundament van Gods Woord. Maar dat denken verwerpt hij. Je kunt in deze tijd niet meer met absolute waarheden aankomen:

Er blijkt niet zoiets te bestaan als een ontwijfelbaar fundament van kennis. Ook de Bijbel kan niet als ontwijfelbaar fundament dienen. Het model waarin de Bijbel als ontwijfelbaar fundament voor onze zekerheden en waarheidsaanspraken dient, is problematisch geworden (pag. 53).

Vos ziet in het postmodernisme wel nieuwe mogelijk-heden voor het christelijke geloof:

Er is openheid voor andere meningen en respect voor het andere. Ook openheid voor het transcendente. Christenen kunnen leren een nieuwe taal te spreken. Door het ontwikkelen van een subtiel taalgebruik kan iets uitgedrukt worden waarvoor geen adequate taal is. (pag. 58)

Hierin zien we iets terugkomen van wat postmoderne taal is geworden: iets uitdrukken dat niet uitgedrukt kan worden. Het gaat hem bij geloof vooral om de persoonlijke beleving en het gevoel. Daarbij kunnen vooral verhalen een goede rol spelen. Die roepen iets op:

In de theologie moet het gaan om een denken dat zich bewust is van het narratieve karakter van de Bijbel als haar object. De bijbelse verhalen openbaren een zekerheid die niet verkregen wordt door argumentatie en bewijsvoering, maar vorm krijgt in de levensgeschiedenissen van concrete mensen, die de transcendente God ontdekken en tegelijk ervaren dat zij door deze God gevonden worden. De zekerheid van het geloof heeft te maken met de ervaring van het gedragen weten door God. (pag. 58, 59)

Ten slotte laten we drs. C.E. Vink, filosoof, aan het woord. Ook hij bepleit een zekere aanpassing en aansluiting:

In het huidige tijdperk van vrijheid en individualisme is geloven allereerst een persoonlijke aangelegenheid, die op een authentieke manier beleden moet worden. Een geloofstraditie die zich daarentegen vooral richt op rationele vastheid en zuiverheid van haar overtuigingen die gezaghebbend aanvaard moeten worden, maakt zich met zo’n houding in het huidige culturele klimaat kwetsbaar (pag. 76).

Tot zover enkele citaten uit de bundel van Kampen over geloofszekerheid uit het jaar 2000.

Mijn conclusie moet zijn dat in deze bundel het ware geloof, zoals wij dat belijden in onze gereformeerde belijdenisgeschriften, neergezet wordt als een soort rationalistisch funderingsdenken, horend bij het modernisme. Tegelijk wordt er een pleidooi gehouden voor een meer existentiële relationele benadering. Een benadering waarin de mens meer tot zijn recht komt, en dan vooral de postmoderne mens.

Ik wil deze opvattingen scherp afwijzen. De schrijvers hebben mijns inziens niet ingezien dat de ziekte en zonde van het modernisme was dat men zijn eigen rede, zijn eigen verstand tot norm verhief tegenover de enige echte Waarheid van de Schrift. Met het postmodernisme dat àlle vaste waarheid ontkent, is men nu bezig de zekerheid van de enige Waarheid te ondergraven.

Ultieme verbintenis?

In de genoemde bundel en ook in een boekje van mevr. F. Oosterhof, Het postmodernisme in Bijbels licht, uit de serie Woord en Wereld, worden de denkbeelden van de theoloog bisschop Lesslie Newbigin naar voren geschoven. Deze man van de Wereldraad van Kerken wordt ook wel apologeet (verdediger) van het postmodernisme genoemd, reden om iets meer aandacht aan hem te schenken. Ook Newbigin is van mening dat het nodig is het moderne, rationalistische denken te verlaten. Maar door het plurale denken en het relativisme van het postmodernisme zou het christendom uitgespeeld kunnen raken.

Newbigin propageert daarom een andere zekerheid. Hij legt die niet in het ‘object’, de Bijbel, ook niet, naar hij zegt, in de mens, het ‘subject’. Zijn zekerheid ligt in het ‘personal commitment’, de persoonlijke verbintenis, die ook ultiem is en dus niet zomaar verbroken mag worden.

Je hebt dan een persoonlijke verbintenis niet met de Bijbel maar met de Persoon van God en Christus, zoals die vorm krijgt in het evangelie.

Geloven als ‘verbintenis’ gaat zijns inziens altijd vóóraf aan weten. Je verbindt je eerst aan God, dan leer je Hem kennen. Je verbindt je eerst aan Christus en dan krijg je kennis van Hem. Kennis is immers altijd gekleurd door wat je overtuiging is. Newbigin denkt dat hij het schema objectief/subjectief daarmee te boven komt.

Volgens Newbigin bestaat er geen absolute waarheid, omdat iedereen voor het vaststellen ervan zijn eigen interpretatie, verbeeldingskracht en intuïtie gebruikt. Bij alle soorten van menselijke kennis speelt zijns inziens een zeker persoonlijk commitment van de kenner een rol.

Het gaat dus om jouw relatie met God en Christus, die voor jou belangrijk is, ‘ultiem’.

Dàt geeft jou zekerheid. Die krijgt je niet door de Bijbel, nee, die geeft die relatie jou.

Elke geloofsverbintenis is daarbij hoogstpersoonlijk. Je mag de inhoud van je geloof dan wel uitdragen en er zelfs anderen van proberen te overtuigen. Maar zo, zegt Newbigin, je mag er niet absoluutheid van claimen. Het blijft jouw geloof, jouw persoonlijk geloof. Geen algemene absolute waarheid.

Newbigin: met jouw ultieme persoonlijke verbintenis (commitment) waarmee je uit het evangelie zaken voor waar aanneemt, moet je vervolgens ook de dialoog, het gesprek met anderen aangaan. Zelfs met andere godsdiensten. Want zo’n dialoog kan ertoe leiden dat je wat je gelooft, zal moeten bijstellen. Maar dat blijft vallen binnen je commitment, want je verbintenis met Christus verandert er niet door. Zo kan zelfs in nieuwe omstandigheden herbezinning en herformulering van de christelijke leer nodig worden.

Het denken van Newbigin, dat zo argeloos wordt aanbevolen, staat niet toe dat iemands belijdenis een vast vertrouwen inhoudt op de vaste waarheid van Gods Woord, op Gods vaste beloften. Nee, zo’n belijdenis blijft altijd weer een nieuw startpunt voor het zoeken naar de waarheid. Want de waarheid staat volgens hem niet vast, maar ontwikkelt zich. Zo blijft er steeds veranderlijke waarheid, maar daarbij toch ‘zekerheid’. Want die zekerheid ligt immers in ieders persoonlijke commitment. De verbintenis zelf blijft, maar de ‘waarheid’ die je erbij bedenkt, kan veranderen.

Newbigin wil niet meer ‘terug’ naar de tijd dat het gezag van de Bijbel werd beschouwd als ontwijfelbaar.

We hebben hier dus te maken met een ernstige verminking van de belijdenis aangaande ons geloof en een ernstige aantasting van het gezag van Gods onfeilbaar Woord. We zullen namelijk nooit in ons geloof zelf onze zekerheid mogen vinden. Die zekerheid ligt in Christus en Zijn Woord. Die ligt in God en Zijn beloften. Newbigin maakt geloofsvertrouwen los van de absolute waarheid van Gods Woord als onfeilbare bron van onze zekerheid.

Bij hem rust geloofszekerheid niet in de absolute waarheid van de openbaring van God en Christus, maar in feite toch in de gelovige zelf. Want de gelovige maakt zijn verbintenis, hij kiest zijn waarheid. Het is zijn hoogstpersoonlijke verbintenis. Hij is daarbij op zoek naar steeds nieuwe aanpassingen van wat voor hem zijn ultieme commitment waard is.

Voor Newbigin bevat Gods Woord wel het ‘feit van Christus, als het centrum van Gods zelf-openbarende daden’, maar bij dat feit horen voor hem niet de historische feiten van geboorte, opstanding en hemelvaart. Die historiciteit ervan wordt in het midden gelaten.

Mijn conclusie moet zijn dat deze theoloog die postmodern de vastheid van Gods Woord en daarmee de autoriteit van God Zelf aantast, net zo gevaarlijk is als bijvoorbeeld een prof. Kuitert die dat op moderne rationele wijze heeft gedaan en ten slotte zijn geloof vaarwel heeft gezegd.

Slotconclusie

De slotconclusie moet zijn dat wij zowel het rationalis-tische modernisme als het relativistische postmodernisme moeten afwijzen als levensbeschouwelijke denkwijzen die ons aftrekken van God en Zijn Evangelie. Het postmoderne relativeren van de Waarheid van Gods Woord is misschien zelfs gevaarlijker dan het rationeel bestrijden van die Waarheid.

Het relativeren is namelijk een proces dat minder grijpbaar is en gemakkelijker insluipt binnen de kerken om meer geleidelijk zijn waarheidsondermijnend werk te doen.

Tegelijk zullen we moeten beseffen dat onze huidige samenleving enorm beïnvloed is door de denkwijzen en patronen van het postmodernisme. Die invloed zal gemakkelijk verder in de kerken kunnen doordringen omdat het grote gevaar is dat we allen via de moderne media met het postmoderne gedachtegoed gehersenspoeld worden. Dat geldt zowel de ambtsdragers als de kerkleden. Bij ons denken en spreken over zaken van geloof, evangelie en kerk, zullen we ons daarom steeds moeten afvragen in hoeverre relativering van de Waarheid van het evangelie in geding is.

Grote waakzaamheid is daarom geboden zowel in de theologie als in het kerkelijk leven en het pastoraat. Op voorgangers rust de grote taak om de gemeenteleden zoveel mogelijk te wapenen tegen de verderfelijke invloed van postmoderne twijfel en relativisme.

* Bewerking van een lezing gehouden op de Themadag ‘Geloof en geloofsbeleving’ van de Opleiding tot de Dienst des Woords op 23 februari 2013.