Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Pinksteren: Hoe lief heb ik uw wet!

Jaargang: 
1
Datum: 
23 mei. 2007
Nummer: 
20
Schrijver: 
Ad.J. Koekkoek
ID:
90
Rubriek: 

“Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Hebreeën 8:10b)
Het Pinksterfeest is al sinds het volksbestaan van Israël nauw met het Paasfeest verbonden. En dat niet maar als menselijke instelling. In de wet van Mozes werd de jaarlijkse viering van bepaalde feesten nauwkeurig voorgeschreven. Op de viering van het Pascha volgde meteen het feest van de eerstelingen van de oogst, en zeven weken daarna, op Pinksteren, de dankdag voor de oogst (Leviticus 23). Na de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Chr. bleef Israël in de verstrooiing zijn Pascha vieren, als het feest van de bevrijding. Maar voor een oogstfeest, dat Pinksteren in de eerste plaats was, was toen natuurlijk geen plaats meer. Op grond van de gegevens in Exodus 19 kreeg het feest bij het Jodendom toen een andere invulling.
In Exodus 19 lezen we namelijk, dat de uittocht had plaats gevonden op de vijftiende van de eerste maand. De wetgeving op de Sinaï vond plaats in de tweede maand daarna, op de zesde of zevende van de maand. Zeven weken later dus, wanneer we rekenen met maanden van precies vier weken. Dat was voor de Joden in de verstrooiing reden om het Pinksterfeest tot het feest van de Wet te maken. In zekere zin is het dat ook voor ons, christenen. Maar dan wel op een heel andere manier. Die andere manier wordt aangegeven in het achtste hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën, waaruit we hierboven een tekst aanhaalden.

Een bemoedigende brief

De schrijver van de brief aan de Hebreeën is onbekend. Het was vermoedelijk niet Paulus, zoals in Artikel 4 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat, maar iemand van de volgende generatie. Dat blijkt bijvoorbeeld uit 2:3, waar gesproken wordt over het heil, “dat allereerst verkondigd is door de Here, en door hen die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd.” Zoiets zou Paulus nooit gezegd hebben. Die benadrukt juist aldoor dat hij niet afhankelijk is van de andere apostelen, maar zelf het evangelie van de Here gehoord heeft, en dus zelf een apostel is.
Ook de gemeente waaraan de brief is gericht, bestaat blijkbaar niet uit pasbekeerden. Van hen wordt gezegd, 5:12, dat zij “naar de tijd gerekend, leraars konden zijn”. Ze zijn dus al langere tijd vertrouwd met het evangelie. De geadresseerden vormden waarschijnlijk een gemeente in Rome, die bestond uit gelovigen uit de Joden, die daarom dan ook als Hebreeën kunnen worden aangeduid. Juist voor bekeerde Joden was het van belang om door te spreken over de oudtestamentische eredienst, en wat daarvan de geestelijke betekenis was – en dat gebeurt in deze brief.
De aanleiding om deze brief te schrijven, ligt in de neiging bij de gemeente, de moed te laten zinken. Dat valt bijvoorbeeld op te maken uit 3:12. “Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God, maar vermaant elkander dagelijks, ...” We kunnen ons hierbij voorstellen, dat het leven in het Nieuwe Verbond niet had gebracht wat deze gelovigen uit de Joden ervan verwachtten. Ze waren teleurgesteld, en de moed dreigde in te zakken. En de schrijver probeert hen nu te bemoedigen door erop te wijzen dat het Oude Verbond weliswaar heel rijk was, maar niet kan wedijveren met de heerlijkheid van het Nieuwe Verbond.
Ligt hierin ook een bemoediging voor ons? Wij verkeren natuurlijk in een heel andere situatie dan de gemeente van toen in Rome. Toch is er ook voor ons het gevaar, na het eerste enthousiasme van de nieuwe vrijmaking, achterop te raken. Voor ons gaat het weliswaar niet om een nieuw verbond; die situatie was uniek voor de Hebreeën. Maar in ons geval kunnen we wel van verbondsvernieuwing spreken. Ook wij zijn de roep opgevolgd die sinds Pinksteren is blijven klinken, om de legerplaats te verlaten, wanneer het evangelie geen gehoor wordt gegeven. Dat maakt dat wij ook met de smaad van Christus worden geconfronteerd (Hebr. 13:13). Doordat er met minachting over ons gesproken wordt. Of doordat we gewoon worden doodgezwegen. Met het oog daarop mogen ook wij het tegen elkaar zeggen: Laten wij de moed niet verliezen.

Wandelen in het licht

Speciaal in het achtste hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën vinden we helder aangegeven wat nu de rijkdom is van het Nieuwe Verbond in Christus’ bloed, in vergelijking met het Oude. Hierbij is het niet de bedoeling, het Oude Verbond te minachten. Het grote voorrecht dat Israël bezat boven alle andere volken, doordat het het volk van Gods verkiezing was, wordt volop erkend, ook bijvoorbeeld door de apostel Paulus in Romeinen 9. Maar dat neemt allemaal niet weg, dat de vervulling in Christus daar ver bovenuit gaat. Zonder Hem is het Oude Verbond van geen waarde. Alles daarin sprak van Hem. De heerlijkheid van het Oude Verbond met al zijn ceremoniën, die nauwgezet moesten worden uitgevoerd, was juist dat het allemaal heenwees naar de Here Jezus Christus. Wat al die ceremoniën betekenden, wordt werkelijkheid in Hem. Die oudtestamentische dingen waren niet zinloos, geen zoethoudertjes, geen manier om mensen onder de duim te houden. Er lag een diepe zin in.
Sommige mensen voelen zich ook nu nog wel door al die symboliek aangetrokken en zouden dat ook in de huidige eredienst wat meer willen zien. Dat wordt soms ook wel gemotiveerd vanuit het Oude Testament. Zo lazen we in VISIE nr. 7 van dit jaar de volgende uitspraak van een PKN-dominee:

    Vooral voor reformatorische christenen met argwaan voor versiering in de eredienst, kun je rustig zeggen: de Here God heeft Zélf verordend dat men alles, maar dan ook letterlijk alles, uit de kast moest halen voor de eredienst in de tabernakel en de tempel. Als in die tijd alles uit de kast moest worden gehaald, qua aankleding, dan mogen we dat nu ook doen.

Wij menen echter dat dit juist niet past bij de geestelijke eredienst van het Nieuwe Verbond. Want dat zou betekenen dat we aan de taal van het Woord niet genoeg hebben. Dat daarnaast ook andere dingen (beelden, bloemen) of activiteiten (mime, drama) hun zegje mogen doen. Nee, het Woord moet ons genoeg zijn. Juist wie inziet hoe zinvol die oudtestamentische vormen waren, kan alleen maar diep dankbaar zijn voor de vervulling ervan in het Nieuwe Verbond. Die ceremoniën waren Schaduwen van het Licht (de mooie titel die ds. Joh. de Wolf meegaf aan zijn bijbelstudie over het boek Leviticus). En wie, die in het licht wandelt, verlangt nog terug naar de tijd van de schaduwen? Daarom is onze eredienst een geestelijke eredienst, en blijven wij als gereformeerden bij een sobere liturgie, waarin het Woord alle aandacht opeist.
Kort geleden lazen we een interview uit 1972 met ds. Poelman, die kort daarvoor uit de synodale kerken was overgekomen naar de vrijgemaakte kerken. Daarin zei hij onder meer:

    Voorts ben ik getroffen door de eenvoud van de liturgie. Dat dát zo mag blijven! En het genoegen nemen met een goed gedegen schriftuurlijke prediking, vaste spijs. Men kan en men wil nog luisteren.

Na de vrijmaking van 2003 mochten we dit weer terugvinden. Laten we het vasthouden, en het uitdragen, onderling en in contact met anderen. Want, lezen we aan het slot van Hebreeën 8: “Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.” Het is verleden tijd geworden.

De wet in ons hart

Niet alleen in de liturgie, maar ook op allerlei terreinen van het praktische leven, lokt het wetticisme. Dat is de neiging, onszelf en vooral anderen te binden aan regels die de Here ons niet heeft opgelegd. Daarom is het zo belangrijk, elkaar er steeds aan te herinneren dat de rijkdom van het Nieuwe Verbond is, dat de God van het Verbond door zijn Geest de wetten in ons verstand legt en in ons hart schrijft.
Om er goed zicht op te krijgen wat dat betekent, willen we even terugkeren naar wat we weten over de goede schepping, zoals Genesis 1 en 2 daar verslag van doen. We lezen daar dat de HERE God zijn scheppingswerk bekroonde met de schepping van de mens – naar zijn beeld en gelijkenis. Wat dat inhoudt? “Hij was in zijn verstand gesierd met ware en heilzame kennis van zijn Schepper en van de geestelijke dingen; in zijn wil en hart met gerechtigheid; in al zijn verlangens met zuiverheid. Hij was dus volkomen heilig” (Dordtse Leerregels, III/IV, 1).
Wij denken met ons door de zonde nog verduisterde verstand gauw te gering van de heerlijkheid die hiermee aan de mens werd verleend. Termen als ‘rentmeester’ of ‘onderkoning’ schieten hier te kort. K. Schilder benadrukte in zijn toelichting op de Heidelbergse Catechismus (I, 263) dat de mens BEELD Gods is en beeld GODS. Bééld Gods zijn, houdt in: God waarneembaar maken, de heerlijkheid des Heeren ... op een of andere wijze te zien geven. En beeld Gòds te zijn, dàt betekent: speciaal die eigenschappen en heerlijkheden en bevoegdheden en vermogens Gods af te stralen en waarneembaar te maken, welke God als God eigen zijn, Hem God doen zijn.” Anders gezegd, de mens bezat oorspronkelijk dezelfde deugden die er in God zijn, maar dan als schepsel. Hij was, als schepsel, koning zoals God Koning is.
Dit oorspronkelijk aan de mens verleende koningschap is ook mèt de mens Adam verloren gegaan door de zondeval. Wel geeft de HERE God dan meteen de belofte van toekomstig herstel van dit koningschap van de mens: de moederbelofte (Gen.3:15). Want vanaf het paradijs werkt de Here God toe naar het herstel van dit geschapen koninkrijk Gods, door Jezus Christus. Wat Satan Hem wilde ontroven, laat Hij zich niet afnemen. In tegendeel, de heerlijkheid van zijn eeuwig Koningschap zal in nog groter luister blinken.
God zendt zijn Zoon, Jezus Christus, de tweede Adam. Deze doet wat Adam naliet: in volkomen gehoorzaamheid de weg gaan die voor Hem was uitgestippeld. Hij is niet bezweken voor de verzoeking, in welke vorm die ook tot Hem kwam. De wet was in zijn binnenste (Psalm 40:9). Hij was volmaakt gehoorzaam. En doordat Hij tegelijk de vloek die op ons lag, op zich heeft genomen, kunnen wij door het geloof in Hem weer deel krijgen aan het beeld van God zoals dat van het begin was bedoeld, in volkomen heiligheid. De Heilige Geest gaat in ons werken. Hij maakt dat Gods wet ook voor ons geen vreemd en vijandig element meer is, maar dat wij daarin onze vreugde vinden. Ons verstand vindt er volkomen bevrediging in, en ons hart kan het alleen maar beamen: Hoe lief heb ik Uw wet, zij is mijn verlustiging de hele dag door.
(In dit artikel zijn gedeelten verwerkt van het referaat dat de schrijver hield op de Vrouwencontactdag, 12 mei van dit jaar, te Gouda, onder de titel: “Verbond, Kerk en Koninkrijk van God”.)