Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

De opgestane Here Christus werkt aan zijn nieuwe mensheid

Jaargang: 
8
Datum: 
16 apr. 2014
Nummer: 
19
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1345
Rubriek: 

Hoe viert de wereld om ons heen paasfeest? Wie heeft daar nog oog voor de opgestane Here die het leven doet veranderen? Wie eert Hem daar nog als Koning? Toch alleen een kleine minderheid? Als kerk zou je je daarom kunnen afvragen wat wij nog in deze wereld te zoeken hebben. Men laat immers massaal God los. Al meer wordt je als kerk in de ogen van de mensen een bijzonder en soms al ongewenst verschijnsel. Toch plaatst de Here zijn kerk die niet van de wereld is, toch wel degelijk in deze wereld. Welke taak hebben wij dan hier? Wat vraagt de opgestane Here van ons en onze kinderen juist ook richting deze wereld?

Verheerlijkt lichaam

De opstanding van de Here Jezus is te beschouwen als het heerlijkste feit dat er binnen de geschiedenis van de mensheid na de zondeval op aarde plaatsvond. Een zichtbare en tastbare werkelijkheid voltrokken aan een mens, die zijn weerga niet kent. Die opstanding betrof maar niet zomaar een mens, maar Hem Die als Zaligmaker door God de Vader naar deze wereld was gezonden en die na zijn overwinning op de macht van zonde en dood, Koning van deze wereld is geworden.

Het effect van Christus opstanding beperkte zich niet tot het lichaam en leven van onze Heiland als mens. Met Hem in zijn heerlijk bestaan, brak er voor heel de schepping een nieuw tijdperk aan. Een tijdperk waarbij Christus Zelf als opgestane Here niet bestemd was om op deze aarde voort te leven. Hij zou zijn rijk op aarde gaan besturen als de verheerlijkte Koning vanuit de hemel. Ook daartoe ontving Hij een verheerlijkt lichaam en zou Hij van zijn Vader vervolgens in de hemel alle macht in hemel en op aarde ontvangen.

Het verheerlijkte opstandingslichaam van Christus had als zodanig ook betekenis voor allen die Hem mogen erkennen, liefhebben en volgen. Zijn lichaam bleef namelijk nog steeds het lichaam van een mens. Hij was de eerste mens met zo n lichaam. Hij zou van toen af ervoor zorgen dat al de zijnen zon lichaam ontvangen.

Bij zijn geboorte had de Here een natuurlijk lichaam, zoals Adam dat had na de zondeval. Adam had van God bij de schepping de levensadem gekregen, maar zijn lichaam werd sterfelijk vanwege zijn zonde. Dat geldt sindsdien voor alle mensen. Ook Jezus ontving via Maria een sterfelijk lichaam.

Maar na zijn sterven en opstanding is dat voor Christus veranderd. Aan het kruis betaalde Hij voor de zonden-schuld die Hij op Zich had geladen. En door zijn sterven en opstanding overwon Hij de dood. Vanaf dat moment heeft Christus een vernieuwd, verheerlijkt lichaam. Geen natuurlijk, aards, stoffelijk lichaam meer, maar een geestelijk, hemels lichaam (vergelijk met 1 Kor. 15:40-49). Een geestelijk lichaam is geen geestesvorm, maar een lichaam dat inwendig en uitwendig vernieuwd is door de Geest. Daardoor is het een verheerlijkt lichaam geworden. Het kent onvergankelijkheid: eeuwige frisheid en het volle leven. Het toont geen oneer, smaad of verachting, maar straalt juist heerlijkheid, volmaaktheid en pracht uit. Dat nieuwe lichaam kent geen enkele zwakheid maar kent juist ongekende krachten.

Houd mij niet vast

Dat is in meerder opzicht van geweldige betekenis. In de eerste plaats voor Christus Zelf, die hiermee de weg van zijn verhoging inzette. Maar ook voor al de zijnen die Hem als Priester-Koning erkennen. Zij zullen eens bij zijn wederkomst een lichaam mogen krijgen dat Hij aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig zal maken (Filip. 3:21)!

Zo, met zijn verheerlijkte lichaam, heeft de opgestane Here Jezus Christus zich dus getoond direct na zijn opstanding aan de vrouwen, de discipelen en aan meer dan 500 broeders (Luc. 24:10, 36-43; Joh. 20:19-29; 1 Kor. 15:5-7). Om hen te laten weten dat Hij als over-winnaar verrezen was uit de dood. Maar tegelijk ook om hen te vertellen dat zijn lichaam niet bestemd was voor deze zwakke vergankelijke wereld, maar voor de hemel, waar Hij als Koning zou gaan heersen over hemel en aarde. Daar lag zijn bestemming.

Toen Maria van Magdala Hem wilde vasthouden, zei Hij tot haar: nee, Maria, houd Mij niet vast, Ik moet naar mijn Vader in de hemel (Joh. 20:17). De Here Jezus zou hier niet blijven, Hij zou naar de hemel gaan om daar gekroond te worden tot Koning van het Koninkrijk der hemelen. Om te zitten in heerlijkheid aan de rechterhand van God zijn Vader. En om van daaruit zijn Geest vanaf Pinksteren naar deze aarde te kunnen zenden.

Ter voorbereiding dáárvan heeft Hij eerst op aarde nog de zijnen uitgebreid onderwezen en geïnstrueerd, veertig dagen lang (Hand. 1:2, 3). Pas toen is Hij naar de hemel als zijn residentie, zijn hoofdkwartier, opgevaren.

Geloof nodig

Met de kennis die wij al mogen hebben, valt het op dat de eerste ontmoetingen van de verheerlijkte Here Jezus met de zijnen, gepaard gingen met nog veel kleingeloof en ongeloof! Hij werd niet eens uitbundig begroet door de zijnen! Want toen Jezus uit Emmaus terugkeerde en aan zijn discipelen verscheen, waren ze eerst verschrikt (Luc. 24:37). Ze dachten een geest te zien. Maar de Here toonde hen zijn handen en voeten, waarin de littekens stonden van de wonden aan het kruis. Om hen te laten zien dat Hij het Zelf was, in hoogsteigen Persoon. Hij had wel een vernieuwd lichaam maar het was nog steeds een echt menselijk lichaam van vlees en beenderen. Bij het zien ervan konden ze nog maar moeilijk aanvaarden, dat Hij werkelijk hun geliefde Here was. Door wat te eten moest Jezus hen de gedachte ontnemen dat Hij een geest zonder lichaam was.

Voor het ware geloof in Jezus als de gekruisigde en opgestane Here, bleek voor de elven nog een hele omslag nodig te zijn. De discipelen hadden het lijden en sterven van Jezus niet kunnen plaatsen, en daarom ook zijn opstanding daarna niet. Hun ideeen over Jezus waren o zo menselijk geweest, zo weinig gegrond in de Schriften. Maar de Here zou er vanaf dan voor zorgen dat hun ongeloof weggebroken werd.

Hieruit blijkt ook dat het ware geloof niet uit het zien is. Zelfs een Jezus die ze konden zien, en tasten, werd nog niet vol geloof omhelsd! Hadden de discipelen Hem dan al die jaren niet goed gekend? Ze hadden Hem toch ook de Christus, de Zoon van de levende God genoemd (Math. 16:16)?

Dat is wel heel belangrijk, maar toch hadden ze zijn eigenlijke verlossingswerk toen nog niet willen aanvaarden (Math. 16:22, 23). Ze hadden tot na zijn opstanding niet echt doorzien Wie Hij werkelijk was, en wat Hij werkelijk kwam doen. Ze hadden wel steeds zijn woorden gehoord en zijn wonderen gezien, maar niet steeds goed naar Hem geluisterd . Hij was wel steeds bij hen geweest, en ze hielden van Hem, maar ze hadden veel van zijn woorden toch niet kunnen begrijpen (Math. 17:23, Luc. 9:45, 18:34, 24:21). Bij het weerzien bleek daarom dat het waarnemen van Jezus Zelf niet genoeg was voor hun geloof in Hem als hun Zaligmaker en Here.

Wij zouden misschien ook wel eens wensen dat we om een sterker geloof te krijgen de Here zouden mogen zien en tasten zoals Thomas en de andere discipelen dat mochten. Maar uit deze gebeurtenissen mag blijken dat we door het zien van Jezus alleen, niet beter en niet vaster zullen gaan geloven. Daarvoor is echt iets anders nodig. En dit àndere heeft de Here na zijn opstanding aan zijn discipelen gegeven.

Gods raad

Dat begon met zijn onderwijs uit de Schriften, dus uit het Oude Testament (Luc. 24:44). Jezus opstanding in heerlijkheid was overigens voor de discipelen beslist niet een totaal onaangekondigd gebeuren. Vanaf de eerste aankondiging van zijn lijden (Math. 16:21) was steeds zijn boodschap geweest dat Hij als Zoon des Mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en overpriester en schriftgeleerden, maar ook dat Hij ten derde dage zou worden opgewekt. Dit alles was ook al in de Schrift opgetekend. Steeds had de Here er daarom op gewezen: zó mòet het gebeuren. Het is Gods raad dat het zou moeten gaan door vernedering heen naar de heerlijkheid.

Jezus vroeg van hen dat ze nu zouden aannemen al wat Hij gesproken had toen Ik nog bij u was (Luc. 24:44). Het zou niet meer zo worden als vroeger. Jezus stond als de opgestane Here nu aan de andere kant van het graf. Dat betekende niet dat zijn liefde tot de zijnen nu over was. Integendeel! Hij had hen liefgehad en Zich voor hen overgegeven tot in de dood (Joh. 10:11, 17; 13:1). Maar met zijn opstanding was zijn verhouding tot hen en zijn omgang met hen wel anders geworden. Zij moesten dat aanvaarden door Hem en zijn woord nu ook aan te nemen. Er was voortgang in de heilsgeschiedenis. Voortgang in het werk van Christus in opdracht van zijn Vader.

Verlichting van het verstand

De Here volstond er niet alleen mee om zijn discipelen Gods Woord over zijn ambtswerk uit te leggen. Hij opende ook hun verstand (Luc. 24:45).

Wat wordt hiermee bedoeld? Het Griekse woord voor verstand betekent het innerlijk van de mens. Waar het denken plaatsvindt, waar de gerichtheid en de gezindheid van de mens zijn. Het heeft ongeveer dezelfde betekenis als het woord hart in het Oude Testament. Daar komt al het denken en willen samen, daar wordt alles aangestuurd. De Heilige Geest vernieuwt dit verstand. Rom. 12:2: wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken , dat is van uw verstand.

Het gaat bij het openen van het verstand dus om de verlichting, de vernieuwing van het denken door de Heilige Geest. Hij vormt dit denken om, haalt de sluier van zondige onkunde weg, en richt het op de bedoeling van Gods Woord. Zo ontstaat er gelovig inzicht in wie God is, wie Christus is en wat zijn wil en beloften zijn.

Datzelfde lezen we in Hand. 16:14, waar staat dat het hart van Lydia werd geopend, zodat zij aandacht schonk aan de woorden van Paulus. De Heilige Geest gebruikt de organen van zintuigen en verstand om de Schrift en de prediking te kunnen aannemen als het Woord van God. En om het te kunnen begrijpen met een gelovig verstand en hart (DL hoofdstuk III/IV, art. 11).

Er was bij de discipelen tot nu toe steeds een blokkade van ongeloof geweest om Jezus woorden en de Schriften te kunnen aannemen en begrijpen, vanwege hun aards gericht denken. Maar nu bewerkte de Here dat zijn Geest die blokkade wegnam. Ze verstonden nu de Schriften! Ze zagen nu de verbanden! Ze kregen nu oog voor de vervulling van de Schriften in Christus! Ze ontwikkelden eindelijk het juiste zicht op zijn Koninkrijk! Wat zal dat een ommekeer hebben gebracht! Wat zal dat een vreugde hebben gegeven!

Nieuwe mensen

Zo brak er met Pasen niet alleen voor Jezus Christus, maar ook voor de discipelen in het leven een compleet nieuwe fase aan. De discipelen begonnen als apostelen, als aanstaande gezanten van Christus, de Schriften te begrijpen met betrekking tot de Zaligmaker en zijn Koninkrijk der hemelen. Ze hadden nu een verlicht verstand, bewerkt door de Heilige Geest. Ze mochten beseffen welke rijkdom ze in dit alles hadden ontvangen! Het was allemaal tot stand gebracht door Jezus Christus, hun opgestane Here!

De discipelen waren zo werkelijk een nieuwe schepping geworden, nieuwe mensen door de kracht van de opgestane Paasvorst (2 Kor. 5:17). Hij heeft hen geloof geschonken en hun ongeloof weggebroken. Vooral bij Thomas, maar toch ook bij allemaal. Zo brak het geloof al meer door bij Jezus discipelen.

Nog moesten de Schriften verder worden uitgelegd door de Here. Zodat ze zijn Koninkrijk en alle schatten die daaraan zijn verbonden, nog beter konden verstaan. Ook de Heilige Geest zou nog moeten worden uitgestort met Pinksteren. Dan zou de uitgestorte Heilige Geest nog verder in hen doorwerken en hen de weg wijzen tot de volle waarheid en hen zo compleet toerusten voor hun apostelambt (Joh. 16:13).

In de tijd vóór zijn dood en opstanding was de Here Jezus tijdens zijn verblijf op aarde naast Johannes de Doper vooral Zelf de prediker van het evangelie geweest. Maar na Pasen richt Hij zich vooral op de tijd om naar zijn Vader in de hemel te gaan. Om van daaruit alle dingen te regeren en zijn kerk te vergaderen, te vermeerderen, te beschermen en te leiden. Daartoe moeten nu zijn apostelen als zijn gezanten en oor-en ooggetuigen, het heerlijke evangelie van Hem verder uitdragen en verkondigen in de wereld (Math. 28:19; Luc. 24:47; Hand. 1:8). Het overwinnende Paasevangelie moest de wereld in en over door middel van mensenmond en mensendaad. Het recht van de Here als Koning, die alles nieuw zal maken, moest worden verkondigd tot aan de einden van de aarde. Door middel van zijn apostelen en zo door zijn kerk, zal Christus tot de volheid van zijn rijk willen komen. Zonder enige begrenzing: alle volken moeten het horen.

Jezus zien met heerlijkheid en eer gekroond

Dat evangelie van Jezus Christus als de opgestane Heiland zoekt nog steeds de harten van de mensen. Dat evangelie dwingt nog steeds eenieder die het hoort tot een keus: vóór of tegen deze Christus. Dat evangelie roept zo vaak het wordt verkondigd, op tot bekering en tot geloof. Dat evangelie is zo een getuigenis van Christus als de enige Heiland voor lichaam en ziel.

Het werk van de Heilige Geest zal erbij moeten komen om de harten door dat verkondigde Woord te doen veranderen en te vernieuwen. Om het verstand van de hoorders te verlichten zodat ook zij dat Woord willen aannemen en erdoor veranderd worden.

De Here wil zo komen tot het voltooien van zijn nieuwe mensheid. Als mensen die uit God geboren zijn, omdat Hij heeft bewerkt dat ze Hem hebben mogen aannemen (Joh. 1:12). Als mensen die zich daarom willen richten op Gods zuivere Woord en zich willen laten leiden door de Heilige Geest. Deze nieuwe mensen zullen willen blijven schuilen bij het bloed van hun Zaligmaker, en hun leven geven voor de dienst aan zijn Koninkrijk. Nieuwe mensen, die niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is èn opgewekt (2 Kor. 5:15). Ze zullen willen meebouwen aan de kerk van Jezus Christus overal waar Hij haar vergadert. Zij mogen zo ook hun taak in deze wereld verstaan om als beeld van God tot zijn eer en tot eer van hun verhoogde Heiland te leven.

Nee, ze hebben hier nog geen verheerlijkt lichaam. Maar ze zien wel in geloof op hun Leidsman, die met heerlijkheid en eer gekroond is en hen naar de heerlijk-heid wil brengen (Hebr. 2:9, 10). Naar Hem zien ze op en naar zijn wederkomst zien ze uit.

Daar bidden ze om, elke dag. Dat willen ze de wereld laten weten voor het te laat is.

Daarvan moet worden getuigd en geprofeteerd! Zo heeft de kerk ook vandaag als de nieuwe mensheid een levenstaak om deze Christus te verkondigen, Die met haast toewerkt naar het moment dat Hij als Koning-Rechter en Koning-Redder in heerlijkheid weer zal komen.