Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Bij de oorspronkelijke tekst zorgvuldig blijven (2)

Jaargang: 
1
Datum: 
10 jan. 2007
Nummer: 
1
Schrijver: 
T.L. Bruinius
ID:
3
Rubriek: 

In het eerste artikel hebben we vastgesteld dat Bijbelvertalen een zaak van de kerk hoort te zijn en dat bij het vertalen de gelovige en trouwe `schriftgeleerde` het laatste woord moet hebben en niet de taalwetenschapper. We zagen ook dat dit tegenwoordig niet meer het geval is, dat de vertaling van de Bijbel in handen is gekomen van interkerkelijke genootschappen en dat taalwetenschap en interkerkelijk denken de toon aangeven.
Tweede deel van de tekst van een inleiding over Bijbelvertalen, gehouden voor de gemeentevergadering van De Gereformeerde Kerk te Zwolle e.o.

Grondtekst

Een derde lijn die we goed moeten zien in het Bijbelvertaalwerk is die van de keuze van de grondtekst. Uit de tijd van het ontstaan van de Bijbel, uit de Oud-Testamentische periode en uit de tijd dat de apostelen hun werk deden, zijn geen originele Bijbelboeken overgebleven. We moeten het doen met steeds maar weer overgeschreven exemplaren. En die oude handschriften vertonen nogal wat verschillen. Daarom is het erg belangrijk welke handschriften gekozen worden voor het vertalen. Want sommige zijn meer betrouwbaar dan andere. Bij het overschrijven worden soms fouten gemaakt. En ook hadden in sommige situaties de schrijvers waarschijnlijk de neiging om tijdens het overschrijven de tekst wat aan te passen als die naar hun idee niet paste bij de leer die ze aanhingen.
Wat het Oude Testament betreft kun je grofweg zeggen dat de vertalers vooral twee soorten handschriften, twee soorten bronteksten, tot hun beschikking hebben. De zgn. Masoretische teksten en de Septuagint, de Vertaling der Zeventig. Het Hebreeuws, de taal van het Oude Testament, kent in de geschreven taal geen klinkers. Alleen medeklinkers. Dat betekent dat de lezers van het Hebreeuws vroeger die klinkers, die klanken tussen de medeklinkers, zelf moesten invullen. Dat konden ze op grond van de traditie. Op grond van wat ze in de synagoge kregen overgeleverd. Maar het bleef toch altijd een lastige zaak. Bepaalde woorden kun je zomaar invullen met verkeerde klinkers. Een voorbeeld is de naam van de HERE, de Verbondsgod. Tegenwoordig lezen we in het Hebreeuws `Jahwe`. Maar voorheen werd ook wel gekozen voor `Jehova`. Dezelfde klinkers maar andere medeklinkers. En het vervelende is dat het veranderen van één klinker vaak een heel andere betekenis geeft aan een woord. In de eerste eeuwen van onze jaartelling hielden Joodse geleerden, de zgn. Masoreten, zich bezig met het overschrijven van de boeken van het Oude Testament en zij schreven er toch klinkers bij. Gelukkig voor de latere lezers. Maar dat betekende wel bij ieder woord een keuze. Door Bijbelgeleerden worden die Masoretische teksten toch wel betrouwbaar geacht. Wanneer je veel van die geschriften met elkaar vergelijkt en ze blijken erg gelijk aan elkaar te zijn, de schrijvers vulden de klinkers voor het overgrote deel op dezelfde manier in, dan is dat een aanwijzing voor betrouwbaarheid. We mogen in geloof zeggen dat de Heilige Geest deze mensen heeft willen gebruiken om Gods Woord betrouwbaar vast te leggen.

Septuagint

Een tweede bron voor de tekst van het Oude Testament is de Septuagint. Dat betekent Vertaling der Zeventig. Het verhaal wil dat al ver voor de komst van onze Here Christus als mens op aarde, zeventig Joodse geleerden de opdracht kregen om de hele toen bekende Bijbel, ons Oude Testament, nauwkeurig te vertalen in het Grieks. Een hard bewijs daarvoor is er niet. Maar zeker is dat er ook uit de eerste eeuwen na Christus handschriften bestaan met daarin die Vertaling der Zeventig die overgeschreven zijn van oudere. Ook dit Griekse Oude Testament is veel gebruikt als brontekst voor Bijbelvertaling. Veel gelovige theologen menen dat de Septuagint toch veel fouten bevat. En dat die Griekse tekst is beïnvloed door de Griekse filosofie van die dagen. De Rooms-katholieke kerk heeft heel lang zijn vertalingen daarop gebaseerd en kwam tot heel andere resultaten dan bijvoorbeeld Erasmus of de statenvertalers, die beide meer uitgingen van die Masoretische teksten. Het bijzondere daarbij is dat de statenvertalers daar niet consequent in zijn geweest. Wanneer in het Nieuwe Testament de apostelen teksten aanhalen uit het Oude Testament, komen die in verschillende gevallen overeen met de Septuagint en niet met de Masoretische teksten. Alsof de apostelen ook die Septuagint gekend hebben. Dan kozen de vertalers er voor om ook die tekst te gebruiken als brontekst voor die schriftplaats in het Oude Testament, om zo de doorgaande lijn in de Bijbel en de eenheid in de Schrift niet te verstoren.
Het ligt dus niet helemaal zwart-wit.

Nieuwe Testament

Duidelijker ligt dat met de bronteksten voor het Nieuwe Testament. Er zijn uit de eerste eeuwen van de Kerk na Pinksteren twee groepen handschriften bekend. De zgn. Byzantijnse teksten en de Alexandrijnse teksten. De Byzantijnse teksten stammen vooral uit wat nu Syrië is, uit de omgeving van Antiochië. Een heel belangrijk kenmerk van die handschriften is o.a. dat er tussen de verschillende kopieën weinig verschillen zijn. Er zijn blijkbaar weinig fouten gemaakt bij het overschrijven.
De Alexandrijnse teksten hebben hun oorsprong in Alexandrië, in Egypte. Toen een centrum van Griekse, heidense wetenschap. Die Alexandrijnse teksten vertonen heel veel onderlinge verschillen. Alleen al in de Evangeliën meer dan 3000! Bijbelwetenschappers menen in de teksten niet alleen schrijffouten maar ook invloeden van de Griekse filosofie te bespeuren.
Vele eeuwen lang heeft dan ook een meerderheid van Bijbelgeleerden, theologen en vertalers gebruik gemaakt van de Byzantijnse teksten. Die werden het meest betrouwbaar geacht. O.a. onze Statenvertaling is gebaseerd op die zgn. “meerderheidstekst”.
Maar zo rond 1880 kwam er een omslag. Vanaf die tijd kozen Bijbelwetenschappers in grote getale voor de minderheidstekst, de Alexandrijnse, als basis voor het vertalen. Zonder duidelijke onderbouwing. Het kan geen toeval zijn dat juist in die tijd vrijzinnigheid en schriftkritiek in de Bijbelvertaling enorm doorbraken. Ook de door ons gebruikte Nieuwe Vertaling uit 1951 is helaas op die handschriften gebaseerd. Geen wonder dus dat in het verleden predikanten vaak in de preek uit andere vertalingen, bijv. uit de Statenvertaling, citeerden. Ook de Nieuwe Bijbelvertaling is gebaseerd op die onbetrouwbare bronteksten.
(wordt vervolgd)