Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Onze inzet voor Gods Koninkrijk

Jaargang: 
6
Datum: 
26 sep. 2012
Nummer: 
36
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1078
Rubriek: 

Deze maand is allerlei werk weer opgestart. Beroepsarbeid, schoolwerk en beroepsopleidingen. Dat vraagt inzet, gaven en krachten. Daarbij komt de inzet voor de Bijbelstudieverenigingen en eventueel de studentenvereniging. Maar ook kan onze bijdrage gevraagd worden voor andere taken voor de opbouw van de plaatselijke gemeenten en het kerkverband. Dat kunnen bijvoorbeeld zijn bijdragen aan het aanvullend gereformeerd onderwijs of het zitting nemen in commissies van de kerkenraad. Er kan een grote taak liggen voor ambtswerk binnen de gemeente al dan niet gecombineerd met het geven van catechisaties of werk voor het kerkverband zoals in deputaatschappen van synode of classis. Voor enkelen komt daarbij medewerking aan het Gereformeerd Kerkblad De Bazuin of aan de Opleiding tot de Dienst des Woords. Al dat werk moet vaak gedaan worden naast de taken binnen de gezinnen.

Aan jezelf toekomen?

We zijn maar een kleine kerk. Veel werk komt daarbij nogal eens op dezelfde schouders neer.

Voor sommigen onder ons wordt dat allemaal wel eens te veel. Bovendien niet iedereen kan hetzelfde aan. Meerderen van ons zullen van tijd tot tijd de ervaring hebben dat de belasting te groot dreigt te worden. Dat zal ook rustig moeten worden aangegeven. Laten we daarvoor ook op elkaar toezien, dat we er niet onder bezwijken.

Maar bij een benoeming of een verzoek zou ook de reactie kunnen opkomen: mag je dan nooit eens aan jezelf toekomen? De vraag is of dit wel een verantwoorde gedachte is. Ja, er moet van tijd tot tijd voldoende ontspanning zijn om ons werk naar behoren te kunnen doen. Er moet zeker ook voldoende tijd zijn voor het huisgezin, voor vrouw en kinderen, naast beroepsarbeid. Daartoe hebben we grote verplichtingen. Maar wat is nu ‘ aan jezelf toekomen’? Dat is wel echt een modewoord uit een tijd dat de mens met zijn genietingen centraal staat. De mens van tegenwoordig moet en zal aan zijn vrije tijd komen.

We moeten ons niet laten meeslepen met de waan van de wereld, die vindt dat we recht hebben op allerlei vormen van extra vrijetijdsbesteding. Of moeten we hier spreken van vrijetijdsverspilling? De 36-urige werkweek is daar al een voorbeeld van. Ook de vervroegde uittreding (VUT).

Natuurlijk zijn er mensen genoeg die vanwege hun gevorderde leeftijd in de huidige tijd niet meer aan het werk kunnen blijven, voor hen zal het een uitkomst kunnen zijn als ze de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Maar om naar het moment toe te leven met het idee dat je dan eindelijk kunt gaan genieten in de zin van ‘ niets doen’, is moeilijk te verdedigen als rentmeesters van wie de Here rekenschap zal vragen. Ik spreek dan uiteraard niet over situaties van arbeidsongeschiktheid of gedwongen werkeloosheid. Dat zijn verdrietige ontwikkelingen, die je ook uit Gods hand zult moeten aanvaarden. Dan zul je een andere invulling van je mogelijkheden moeten zoeken.

Cultuurmandaat en rentmeesterschap

Je hoort om je heen ook regelmatig mensen die naar hun pensioen uitkijken, zeggen: ‘ eindelijk toekomen aan dingen die je zelf leuk vindt’. Ook zo’ n gedachte vraagt een kritisch oordeel. Ontspanningsmogelijkheden zijn ook gaven van de Here, die we tot Zijn eer dienen te gebruiken. Maar als we daar het een en al van maken dan zijn we toch verkeerd bezig. De Here vraagt ons immers helemaal voor Zijn dienst. Daar hoort naast beroepsarbeid ook arbeid voor het gezin en arbeid in de kerk bij. Dat laatste zeker niet als sluitpost.

God geeft ons ont spanning om juist onze volle in spanning voor de vele taken in Zijn dienst mogelijk te maken. Onze inspanning en ontspanning zijn daarbij niet gedeeltelijk voor de Here en gedeeltelijk voor onszelf. Nee, zowel inspanning als ontspanning zullen gericht dienen te zijn op God en Zijn koninkrijk. Dat geldt niet alleen voor predikanten. Dat geldt ook niet alleen voor ambtsdragers maar voor àlle gelovigen. We staan allemaal in dienst van Hem Die ons gekocht heeft met Zijn bloed (1 Kor. 6:20)!

Dat vraagt van ons de nodige afwegingen voor de inzet van onze gaven en krachten. Van jong en oud. De afwegingen rond onze tijdsbesteding moeten een belangrijke plaats houden in onze dienst aan de Here: zijn we goed bezig voor de Here (zie Ef. 5:15-17)? Dat vraagt van ons voortdurend een houding en gezindheid waarbij de Here en Zijn dienst in alles voorop gaan (Math. 6:33). Zo’ n wezenlijke houding zullen we als ouders en als kerk onze jeugd moeten bijbrengen. Die gezindheid zullen zelfs onze bejaarden moeten blijven tonen. Naar de mogelijkheden die de Here ons in verschillende omstandigheden blijft geven.

Deze instelling om de dienst aan de Here voorop te plaatsen, leert de Schrift ons al vanaf het allereerste begin. De mens werd immers geschapen als beeld van God met opdrachten. Hij kreeg Gods zegen daarvoor om Zijn schepping tot Zijn eer tot ontplooiing te brengen en om mee te werken aan de vermeerdering van de geschapen mensheid. Alles tot meerdere glorie van God. Na de zondeval is die laatste opdracht in Christus geworden tot meewerken aan de nieuwe mensheid, de kerk als volk van God.

Onze taken zijn in een zondige wereld waarover door onze schuld de vloek is gekomen, niet gemakkelijk geworden. Er worden ‘ doornen en distelen’ voort-gebracht, die ons werk zwaar maken (Gen. 3:17-19). En de kerk van Christus heeft voortdurend met een grote tegenstander te maken (Op. 12:12-18). Maar wij mogen als gelovigen het voorrecht kennen van onverdiende genade in onze Heiland Jezus Christus. Dat betekent dat we ondanks onszelf mogen leven uit de vergeving van onze zonden met Gods genadegaven voor lichaam en ziel, tot Zijn eer en in Zijn kracht. Daarbij blijft Hij van ons onze liefdedienst aan Hem vragen met heel ons hart, heel onze ziel en al onze krachten (Math. 22:37-40).

Het ambt aller gelovigen is een ambt voor heel ons leven, en voor alle terreinen van het leven. Een ambt dat we in alle dankbaarheid tot onze God en Vader en Zoon mogen uitoefenen.

Als de Here ons daarom bij alle gewone taken nog extra tijd, krachten en gaven geeft, is het toch in de eerste plaats een grote eer om die door God geschonken tijd, die gaven en die krachten, speciaal in Zijn dienst voor de kerk te mogen besteden? Dat doen we dan toch graag?

Offers en uitkopen

In zijn algemeenheid geldt dat we voor de dienst aan Gods Koninkrijk allemaal offers zullen moeten willen geven (Rom. 12:1). Ons discipelschap kent als voorwaarden dat we achter Christus gaan, ons kruis op ons willen nemen, onszelf willen verloochenen en ons leven willen verliezen (Mark. 8:34, 35). De Here Christus Zelf vraagt dus zware offers van ons. Offers van zelfverloochening en zelfopoffering die ook moeten uitkomen in onze tijdsbesteding en inzet van gaven en krachten. We zullen onze tijd moeten willen uitkopen voor ons discipelschap, voor ons levend lid zijn van de kerk van de Here.

Er zijn veel zaken van belang voor de opbouw en de weerbaarheid van de kerk. Het hoort alles ook bij de strijd van de kerk in deze wereld om achter de generaal Christus aan stand te kunnen houden, om wel toegerust voort te gaan. Nee, dan hangt het niet van ònze persoonlijke inzet af, of het met de kerk goed gaat. En dan zijn we er ook niet beter om dan een ander. Maar als Christus ons tot die taak roept, dan zullen we daar graag offers voor overhebben en daarbij ook de nodige krachten mogen verwachten.

In 2Tim. 2 maakte de apostel Paulus het een en ander daarover duidelijk aan de jonge Timotheus, die als medewerker van de apostel en rondreizende predikant de nodige verantwoordelijkheid kreeg toegedeeld. Paulus wees hem eerst op de noodzaak om ook verantwoordelijke taken van onderricht aan anderen over te dragen. Timotheus hoefde het niet allemaal zelf te doen. De Here schonk betrouwbare medearbeiders (vers 2).

Maar met de taken die de Here aan Timotheus zelf gaf zou hij als goed soldaat wel op mogelijke ontberingen moeten rekenen; maar hij zou van de Here daarbij ook uitkomst mogen verwachten (vers 3). Die ontberingen zijn in dit verband vooral verdrukkingen vanwege het geloof, vanwege de kerk. Maar het zijn ook ontberingen die de ijver voor de Here met zich meebrengen. Dat is ook tot ons gesproken.

Dat betekent niet dat de Here van ons vraagt dat we roekeloos en zorgeloos omgaan met onze gezondheid met betrekking tot onze inzet voor de kerk. De Here vraagt ook daarin onze verantwoordelijkheid. Maar als we dat in acht nemen, zullen we opofferingen voor het werk voor Christus en Zijn kerk niet moeten zien als iets negatiefs, omdat we dan niet aan onszelf toekomen. Maar dan zullen we dat werk in blijdschap verrichten. Want we doen het voor de Here, onze Zaligmaker. Hij wil ons laten meewerken aan de uitvoering van Zijn grote plan om te komen tot Zijn rijk dat straks volmaakt zal zijn. Hem, onze Leidsman willen we toch behagen? (vers 4).

De kerk in Nederland is klein, we hebben kleine krachten. En het werk is omvangrijk. Maar wat het belangrijkste is: de Here blijft ons op ons gebed steeds de nodige gaven en krachten geven. Niet alleen om zwaar werk te kunnen doen, maar ook zelfs werk dat onder spanning ligt, waar strijd voor nodig is; misschien zelfs verdrukking en ontbering met zich meebrengt. In zo’ n positie mogen we dan met Timotheus opzien naar Jezus Christus, Die uit de doden is opgewekt (vers 8). Hij leeft en verzorgt de Zijnen, Hij leidt hen naar het moment dat zij ook opgewekt zullen worden ten eeuwigen leven.

Naar de mate

De Here geeft verschillende gaven, Hij vraagt niet hetzelfde van ons. De één krijgt meer gaven voor opdrachten dan de ander. Dat leert ons ook de gelijkenis van de talenten (Math. 25:14-30). De ene slaaf kreeg vijf talenten, een ander twee, en een derde één. Maar wat de Here wel gelijk vroeg aan een ieder was, dat ze allemaal dezelfde inzet zouden tonen bij het omgaan met de aan hen geschonken talenten. Het waren gaven van Hem die voor Hem moesten worden aangewend. Elk talent bevatte ook een opdracht. De Here zal eens de getoonde gelovige ‘ inzet’ belonen, zoals Hij dat deed in deze gelijkenis. Dat is genadeloon, niet iets wat wij dan verdiend zouden hebben door onze inzet, maar een geschenk van de Here, dat Hij ons in het vooruitzicht stelt om ons te stimuleren.

In de kerk hebben we de inzet van al onze broeders en zusters nodig om op goede wijze kerk van de Here te zijn. Om een goed ineensluitend geheel te vormen, waar alle geschonken gaven en krachten benut worden. Daarvoor heeft Christus ons aan elkaar geschonken, zodat we de krachten en gaven ook voor elkaar inzetten. Zo kunnen we bouwend op Christus en in Hem en tot Hem groeiend, een echte gemeenschap vormen, waarin de waarheid wordt vastgehouden en de liefde heerst (Ef. 4:14-16). Voor de hechtheid van zo’ n gemeenschap is de dienst van alle leden noodzakelijk. Ook daarvoor geldt: naar de mate die elk door God is toebedeeld. Niet iedereen heeft in gelijke mate krachten en gaven daartoe ontvangen. Maar een ieder is wel geroepen om wat hij of zij aan kracht en gaven heeft ontvangen, daartoe in te zetten. Opdat alles mag zijn tot eer van God in Christus.