Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Onze gerechtigheid voor God in Christus

Jaargang: 
1
Datum: 
23 mei. 2007
Nummer: 
20
Schrijver: 
Jaap Sikkens
ID:
91

Artikel 22 NGB liet ons zien dat de Heilige Geest het geloof in ons hart werkt. Door dit geloof krijgen wij deel aan Jezus Christus. En we gaan meer en meer al zijn verdiensten omhelzen. Dit geloof is de band waarmee Hij ons aan Zich en aan al zijn schatten verbonden houdt. Met Paulus kunnen we dus zeggen dat wij gerechtvaardigd worden door het geloof. Tegelijk werd er de vorige keer al gezegd dat we heel precies moeten zijn in wat we bij die woorden denken. Want niet ons geloof bepaalt de mate van genade. Niet onze goede of juist slechte werken bepalen of de HERE onze schulden vergeeft. Ons heil ligt enkel en alleen in het werk van onze Here Jezus Christus. Dat willen we nader bespreken aan de hand van artikel 23 NGB.

Genade, genade, genade!

Vanaf artikel 16 zijn we met het verlossingswerk bezig geweest. We zagen zo dat de moederbelofte uit Genesis 3 is vervuld in de menswording van Gods Zoon, Jezus Christus. Alleen omdat Hij écht God en écht mens is, heeft Hij de zonden kunnen dragen. Vervolgens zagen we Vaders rechtvaardigheid en barmhartigheid tegelijkertijd volop schijnen op Golgotha. Wat een verschrikkelijke lijdensweg heeft onze Heiland ondergaan. Zijn eigen Vader verliet Hem! En wij mogen deel hebben aan het lijden, het sterven en de opstanding van de Christus, de eeuwige Hogepriester naar de ordening van Melchizedek. Hij heeft ons gekocht met zijn bloed. Door het geloof zijn wij aan Hem verbonden. En zo komen we dan bij art. 23 NGB terecht. Want alleen door Jezus Christus mogen en kunnen we vrij van schuld voor Vaders aangezicht verschijnen. Want voor degenen die in Jezus Christus zijn, is er geen veroordeling schrijft de apostel Paulus aan de Romeinen (8:1). Wij verschijnen voor de Rechter, bedekt met een wit kleed, dat we hebben gekregen door onze Heiland en Middelaar (vgl. Ps. 32 of Rom. 4:7). Deze Rechter oordeelt ons alsof wij de geëiste gehoorzaamheid volmaakt hebben volbracht in ons leven. Hij ziet ons aan alsof wij de eis van het verbond volkomen hebben volbracht. Door het geloof in Christus (art. 22 NGB) zijn wij vrij van schuld: gerechtigheid voor God in Christus (art. 23 NGB). Niet door eigen goede werken, maar alleen om Jezus Christus’ wil! Genade!

Zelfverloochening

En vanwege die genade geven wij alle eer aan God, terwijl wij ons vernederen en ons niet op onze goede dingen laten voorstaan. Niemand zal ontkennen dat dit zo hoort. Maar diep in ons hart vinden we vaak dat de Here best trots op ons mag zijn. Over zelfverloochening lezen is niet moeilijk, maar om jezelf ook daadwerkelijk helemaal weg te cijferen en klein te maken, is toch wel een tweede. We gaan toch twee keer naar de kerk? En we letten onder de preek ook nog goed op! We doen mee op vereniging. We kennen onze catechismus uit ons hoofd. En eigenlijk zijn we niet zo heel ontevreden over ons leven. Wij komen best heel ver met de eis van het verbond. Ja, er zijn wel wat verkeerde dingen. Dat vloekwoord floept er soms zomaar uit, en we laten het er wel eens bij zitten om voor God uit te komen. Maar over het algemeen is het toch niet zo heel slecht gesteld. Wanneer we zo denken, dan is er toch een verschil in onze gedachten en wat we belijden. Want we laten ons juist níet voorstaan op ons eigen werk. We laten ons níet voorstaan op wat wij wel allemaal denken te presteren. Dit houdt art. 23 NGB ons (weer) voor. Want aan eigen goede werken hebben we niets.

Maar wat is er moeilijker voor een mens die zo graag onafhankelijk wil wezen, dan met hart en mond geloven en belijden dat wij in alles afhankelijk zijn van God Drieënig? De zonde van zelfhandhaving boven zelfverloochening doortrekt ons hele geloofsleven. Satan probeert ook ons telkens te verleiden: “God heeft zeker wel gezegd, dat je niets kunt verdienen?” En hij probeert ook het antwoord in te fluisteren: “dat is niet waar hoor, geloof er maar niets van...”
Toch houdt de HERE het ons voor in zijn Woord dat alles wat wij doen bevlekt is met zonde (vgl. Jes. 64:6). En dáárom vraagt, ja, éist de HERE van ons dat wij onszelf verloochenen, van al onze prestaties afzien en ons vertrouwen alleen en helemaal op Jezus Christus stellen. Wij moeten niet ons heil zoeken in onszelf, maar alleen steunen op de gehoorzaamheid van onze trouwe Heiland en Middelaar. Vertrouw op Hém. Op de verbondsbeloften die God ons gegeven heeft. En wanneer we dát doen, dan mogen we weten dat de gehoorzaamheid van Jezus Christus de onze is. Niet omdat we beter zijn dan andere mensen. Maar alleen omdat we door het geloof – door de Heilige Geest gewerkt – mogen delen in de verdiensten van Jezus Christus.

Naderen tot God zonder vrees

Het gebed is het voornaamste van de dankbaarheid. Dat betekent dat het gebed het belangrijkste is om onze dankbaarheid aan God te tonen. We naderen door het gebed voor het aangezicht van de HERE. Soms wordt dat er ook bij gezegd. Let maar eens op de gebeden in de eredienst, waar bijvoorbeeld wordt gezegd: “ook deze keer naderen wij voor Uw heilig aangezicht in dankzegging en gebed”. Wij hebben de vrijmoedigheid om onze levens aan de HERE voor te leggen. Maar die vrijmoedigheid is niet maar de gewoonste zaak van de wereld. Want alleen op basis van Christus’ werk zijn wij hiertoe gerechtigd. D.w.z.: in Christus hebben wij er weer recht op gekregen, om zonder angst voor Gods aangezicht te verschijnen. Dít is nu het werk van onze eeuwige Hogepriester. Dit lezen we in de brief aan de Hebreeën (4: 15-17):

    Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.

En al klaagt ons geweten ons aan dat wij tegen ál Gods geboden gezondigd hebben (HC V&A 60), tóch is het geloof in de belofte van vergeving van zonden voldoende. Voldoende om ons geweten te bevrijden van angst, vrees en verschrikking. Lees maar wat in 1 Joh. 4:17-19 staat:

    Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld. Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde. Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.

Door middel van dat geloof maken we gebruik van ons door Christus verkregen “recht” en mag ons gezamenlijke (en ook persoonlijke) gebed opklinken naar boven.

Dat het geweten van de mens z´n werk doet als aanklager, blijkt bijvoorbeeld uit Genesis. De HERE wandelde daar geregeld door de hof. Adam en Eva vonden dat normaal. Zij dachten er niet over om de HERE uit de weg te gaan. Totdat ze gevallen waren voor de verzoeking van de satan, en Gods gebod overtraden. Tóen maakten ze kleren van vijgenbladeren (schaamte voor elkaar) en verborgen ze zich in de struiken (schaamte voor God). Het gevoel van onschuld tegenover God en tegenover de naaste was verdwenen. Deze poging om zich te verbergen komt ons een beetje raar over, want wie kan zich nou verbergen voor God? Lees maar eens Jer. 23:24:

    Zou zich iemand in schuilhoeken kunnen verschuilen, dat Ik hem niet zou zien? luidt het woord des HEREN

.
Maar het is voor ons een waarschuwing: onze pogingen om stukken van ons leven voor de HERE verborgen te houden zijn even nutteloos als de acties van Adam en Eva. God kent onze harten! Hij kent ons leven! Zo zingen we dat toch met psalm 139: “HEER, u doorgrondt mij van omhoog, mijn hart ligt open voor Uw oog”.

Wij zouden vergaan

Nog is art. 23 NGB niet uitgesproken. Het is alsof de auteur het geschrevene nog eens over heeft gelezen, en de angst voor pogingen tot zelfverlossing hem om het hart slaan. Stel je toch eens voor, als wij voor God moesten komen en ook maar een beetje zouden wijzen op onszelf of iemand anders náást Jezus Christus: ach, dan is er geen hoop, dan zouden wij zeker vergaan. Zoals tegen Hendrik de Cock, de voorman van de Afscheiding in 1834, is gezegd: “indien ik ook maar één zucht aan mijn zaligheid moest toevoegen, dan was het voor eeuwig verloren”. Vergelijk hiermee wat ook in HC V&A 52 wordt beleden: “wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van Uw Heilige Geest, zodat wij in de geestelijke strijd niet het onderspit delven”. En: “niet door de waarde van mijn geloof ben ik aangenaam voor God” (V&A 61). In die overtuiging drukt de auteur ons op het hart: vertrouw toch niet op eigen daden, eigen succes, eigen geloof, eigen inzet, eigen etc. Smeek met mond én hart: ga toch niet in het gericht met Uw knecht, o HERE!

Wat te doen?

Dit is toch de kern van het geloof. Wat een geweldig rijk evangelie. God behandelt ons alsof wij nooit zonde hebben gedaan! Alsof wij in woorden, gedachten en daden volkomen zuiver waren. Alsof wij de HERE nooit ontrouw zijn geweest. Nog nooit hebben gevloekt. Nog nooit jaloers zijn geweest op de spullen van de ander. Nog nooit iets begeerd hebben wat tegen Gods wil in ging! God spreekt ons daarvan vrij: Ik ben de HERE, uw God, die u uit het diensthuis geleid heb. Deze belofte komt voorop, en hangt niet af van de mate waarin jij je zonden bestrijdt, de mate van je geloof of iets dergelijks. Want dat heeft geen invloed op onze vrijspraak in Jezus Christus. Sta je daar vaak genoeg bij stil? Dat is de rijkdom van het verbond. God heeft het ons beloofd! We hoeven niets toe te voegen aan onze zaligheid. Gelukkig maar! Want alles wat we doen is met zonde bevlekt. Het kan niet blijven bestaan in de rechtszaak van God tegen ons.

Zie je dat? Vrijspraak!? De kern van gereformeerd-zijn. En wat zijn rooms-katholieken, Islamieten, Boeddhisten en ook sommige “christenen” dan toch armoedig. Ze moeten zelf presteren om in de hemel te komen. Maar wij? Wij zijn in onze Heiland verlost van onze ellendige situatie: iets om geweldig dankbaar voor te zijn! Niet maar een beetje dankbaar (alleen op zondag), maar ons hele léven dankbaar! Niet zorgeloos of goddeloos leven (vraag 64 HC), maar meer en meer vruchten van dankbaarheid voortbrengen. Ons hele leven moeten wij tonen, dat wij God dankbaar zijn voor zijn weldaden (vraag 86 HC).

We hebben net gezien dat we weer mógen bidden. Maar we móeten het ook. Alleen door het Woord en de Heilige Geest wordt het geloof gewerkt. En dat geloof is de band met Jezus Christus en ál zijn weldaden. Dus de werking van de Heilige Geest is van levensbelang. En de HERE wil de Trooster alleen geven aan hen die Hem daarom van harte en voortdurend bidden en danken (HC V&A 116).
Want ook alleen door de werking van de Heilige Geest kunnen we staande blijven tijdens de aanvallen van Satan. Alleen door de werking van Hem richten we ons oog op Jezus Christus. Ook beschermt Hij ons enerzijds tegen gepieker over eigen ellende (“voor mijn zonden is geen vergeving”) of voor onverschilligheid (“Ik? Ellendig? Nou nee...”). Dit gaat allemaal niet vanzelf. De Heilige Geest werkt door het Woord. Dat is Gods openbaring aan de mensen.

Dus? Wat te doen? Dit: lees je Bijbel en bid elke dag! Zodat het geloof in de gerechtigheid voor God in Jezus Christus groter en sterker worden mag!