Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

De lofzang van Maria (2)

Jaargang: 
8
Datum: 
11 dec. 2013
Nummer: 
2
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1278



Gods krachtige arm

trefwoorden:Lofzang van MariaMaagdelijke geboorteGods armNederigheid

Luk. 1:48b-53:

48b Want zie, van nu aan zullen mij zalig prijzen alle geslachten, 49 omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige. En heilig is zijn naam, 50 en zijn barmhartigheid van geslacht tot geslacht voor wie Hem vrezen. 51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door zijn arm, en Hij heeft hoogmoedigen in de overlegging huns harten verstrooid; 52 Hij heeft machtigen van de troon gestort en eenvoudigen verhoogd, 53 hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken heeft Hij ledig weggezonden.

Alle geslachten

De geslachten van de kerk zullen de machtige daden van de Here zien en erkennen, juist in het feit van de komst van Gods Zoon naar de aarde (vers 48). Daarbij heeft zich het wonder voltrokken dat Hij hun vlees en bloed heeft aangenomen en aan de mens gelijk geworden is, uitgenomen de zonde. De geslachten van de kerk zullen Gods Heiligheid, zijn verheven en grote Majesteit, juist ook daarin eren en tegelijk Gods grote barmhartigheid mogen ervaren.

Alle geslachten die bij de Here schuilen mogen, zullen dit als onvoorstelbaar rijke genade van God mogen gedenken en belijden, als genade die Hij in zijn almacht, heiligheid en ontferming niet alleen aan Maria maar juist ook aan hen allen heeft bewezen (vers 49, 50).

Zo mogen ook wij zien dat de Here in zijn aanzien van Maria zijn vòlk heeft aangezien.

De genade die Hij haar heeft bewezen, is genade die doorwerkt tot in het huidige geslacht van de kerk, ja zelfs tot de wederkomst! Daarom is de vreugde over het door de Here bewerkte moederschap van Maria een vreugde die zich uitstrekt tot aan de dag van vandaag.

Wij belijden het elke zondag in onze geloofsbelijdenis als een daad van Goddelijke verlossing.

Dit feit moet daarom ook ons hart aanspreken en opwekken tot onze lof aan God de Machtige, de Heilige en de Barmhartige, die op ons neergezien heeft in liefde. En die zó zijn grote heilsplan heeft verwezenlijkt tot ons behoud. Hier past onze vreugde in God en de aanbidding van en de hoogste lof op zijn heerlijkheid.

Krachtig werk

Maria gaat nu verder uitwerken wat haar grote blijdschap geeft (vers 51-55). Ze heeft het wonderwerk in haar in verband gebracht met de macht, de majesteit en barmhartigheid van God. Bij de nadere omschrijving daarvan put ze onder andere uit woorden van Hannas gebed, Hannas lied van 1 Sam. 2. Zij hoeft niet origineel te zijn wanneer het werk van God aan zijn volk wordt beschreven. Bovendien is de Heilige Geest, die haar daarin bestuurt en alles ingeeft, ook Auteur geweest van Hannas gebed.

Maria zegt van Gods daden en deugden, dat ze uitkomen in het krachtige werk dat Hij door zijn arm heeft gedaan. De arm van de Here is als mensvormige uitdrukking natuurlijk figuurlijk bedoeld, want God heeft geen lichaam als een mens. Het geeft zo in voor ons begrijpelijke taal aan dat de Here regerend en strijdend bezig is. Dat nu het verleden genoemd wordt, hééft gedaan , moet aangeven: Zo is God nu, zo hééft Hij Zich bewezen. Maar juist daarom: zó is Hij nog en zal Hij voor alle komende geslachten zijn.

Gods verlossingswerk was vroeger krachtig (denk o.a. aan de doortocht door de Rode Zee), dat werk zal in de gekomen Christus helemaal zo blijken.

Hij verstrooit de hoogmoedigen

Gods werk laat dan een tegenstelling zien. Een contrast. Gods arm kan positieve kracht uitoefenen om op te bouwen, om te verzamelen, te ondersteunen, te helpen, te redden.

Maar Gods arm kan ook afbreken, verstrooien, neerslaan, straffen.

De arm van God, de Verlosser van Maria en haar volk, doet beide tegelijk: redding in gericht (denk weer aan de Rode Zee!).

En Hij heeft hoogmoedigen in de overleggingen van hun hart verstrooid.

Hoogmoedigen, dat zijn de mensen die de Here niet willen vrézen, maar hun eigen weg willen gaan. Maria schaart onder hen ook de machtigen van deze wereld die eigenmachtig hun heerschappij uitoefenen, en met de Here geen rekening houden. En ook de rijken die hun rijkdom niet in afhankelijkheid van de Here willen ontvangen en besteden.

De Here heeft steeds in zijn Woord laten zien, dat Hij deze mensen zal straffen. Omdat zij in hun trots welbewust Gods volk en de kerk van de Here Jezus Christus tegenstaan.

Zij zijn het, die horen tot degenen die samenspannen tegen God en zijn gezalfde (Psalm 2). Die samen-zweringen beramen en daarom in dienst staan van de satan, de grote tegenstander.

De Here oordeelt deze mensen naar hun overleggingen, hun hart. Hij zal hen daarbij verstrooien, uiteenslaan. Zorgen dat wat ze tegen de kerk beramen, niet zal gelukken.

Dat heeft ook de Here Jezus geleerd aan de discipelen en zo aan de kerk. De mensen kunnen dènken dat ze rijk zijn, maar ze zijn in feite juist arm. Ze kunnen dènken dat ze wijs zijn, maar ze zijn juist dwaas. Ze kunnen zelfs de illusie hebben dat ze machtig zijn, dat ze God niet nodig hebben, maar de Here zal hen juist in die overleggingen verstrooien.

De Here zal als de Heilige God ook zijn recht laten gelden met uitoefening van zijn almacht. Dat zal op de jongste dag definitief duidelijk worden als de Here weerkomt, om te oordelen de levenden en de doden.

Hij gedenkt de nederigen

Maar daartegenover, en als groot contrast daarmee, zal de Here nu juist blijven omzien naar eenvoudigen, dat zijn nederigen (vers 52). Dat zijn zij die de Here willen dienen in eerbied en ontzag. Maar die daarom juist in deze wereld achtergesteld worden, soms zelfs verdrukt en vervolgd. Deze zal de HERE verhogen zoals Hij dat ook heeft gedaan. Zo heeft Hij gedaan aan Mozes, Jozua, Gideon, Ruth, Hanna, David.

Maar in Christus zal dat nog veel duidelijker aan het licht komen. Met zijn komst zal de Here al deze nederigen gedenken en verhogen. Zo zal Hij doen aan allen die Hem nederig vrezen.

Zalig de armen van geest, zalig die treuren, zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven. Hij zal iedereen die zich wil vernederen en zijn leven zal willen verliezen om Christus wil, juist verhogen en het ware leven geven.

Diezelfde tegenstelling horen we ook in Hannas gebed (1 Sam. 2:6-9)

De HERE doodt en doet herleven,

Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen.

De HERE maakt arm en maakt rijk;

Hij vernedert, ook verhoogt Hij.

Hij heft de geringe op uit het stof,

Hij heft de arme omhoog uit het slijk ()

De voeten van zijn gunstgenoten behoedt Hij,

maar de goddelozen komen om in duisternis,

want niet door kracht is een man sterk.

Maria zingt ook: hongerigen zal Hij met goederen vervullen (vers 53). Ook dat heeft de Here steeds gedaan aan hen die het van Hem verwachten. In het Oude Testament met betrekking tot lichamelijke honger. Hij deed dat ook toen al m.b.t. geestelijke honger. Zo zal de Here ook nu doen, nu Hij zijn beloften in Christus waarmaakt. De Here Jezus spreekt in zijn zaligsprekingen (Matt. 5:6)

Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, en zij zullen verzadigd worden.

Zij die in afhankelijkheid van de Here, en levend van zijn genade de Here willen dienen naar zijn wil, zullen door God de Vader rijkelijk worden voorzien van al het nodige voor het eeuwige leven.

De Here wil mensen juist in hun zwakheid, nederigheid, en armoede gebruiken in zijn dienst. Hij wil juist ootmoedige mensen inzetten voor de bouw van het nieuwe Jeruzalem (Zef. 3:9-20). Dat staat in contrast met de sterken, de aanzienlijken, de hoogmoedigen en de rijken van deze aarde. Maar het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen.

Paulus onderwees de Korintiërs (1 Kor. 1:26-29) op dit punt:

Ziet slechts broeders wat gij waart, toen gij geroepen werd: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken.

Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen;

en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen,

opdat geen vlees zou roemen voor God.