Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Liturgie in de eredienst (3)

Jaargang: 
4
Datum: 
10 nov. 2010
Nummer: 
40
Schrijver: 
A. van Egmond
ID:
737
Rubriek: 


We vervolgen deze artikelenserie met een bespreking van de Orde van Dienst A, Middelburg 1933, die door ons gebruikt wordt in de erediensten.

Als we de Orden van Dienst opslaan in ons Gereformeerd Kerkboek, pag. 507, dan komen we als eerste tegen de Orde van Dienst A (Middelburg 1933). Dit betekent dat de Generale Synode van Middelburg in 1933 deze Orde van Dienst heeft vastgesteld voor het gebruik in de kerken.
We hebben ook nog de Orde van dienst B (Kampen 1975), opgesteld door de Generale Synode van Kampen in 1975, waarbij de dienst iets anders verloopt.

In de beginjaren van de 20e eeuw ontstond de zgn. “Beweging der jongeren” die het kerkelijke leven nieuw leven wilden inblazen. Ook in de vormgeving van de erediensten wilden zij allerlei vernieuwingen doorgevoerd zien.
De Generale Synode van Middelburg besloot in 1933 echter tot een vastgestelde Orde van Dienst waarbij de eenvoud en soberheid, die sinds de Reformatie gereformeerde erediensten kenmerkte, gehandhaafd bleef.
Schriftlezing en prediking van het Woord bleven in deze Orde van Dienst hun centrale plaats houden.
Uit de structuur van de Orde van Dienst blijkt dat de samenstellers uit zijn gegaan van de Schriftuurlijke gedachte dat een eredienst een ontmoeting is tussen de HERE en Zijn volk, waarbij de HERE spreekt en Zijn volk luistert, en het volk spreekt en de HERE luistert. Er is dus een werkelijk gesprek aan de gang tussen de HERE en Zijn volk. Daarom is een korte typering van de eredienst ook wel ‘Verbondsgesprek’.
Het uitgangspunt voor de Orden van Dienst is dat de gemeente de eredienst niet ondergaat maar daadwerkelijk viert.
Gemakkelijk moet dan ook te onderkennen zijn waar de HERE spreekt en het volk eerbiedig luistert en waar het volk spreekt/zingt en de HERE luistert.
Het spreken van de HERE is het eerste in de erediensten maar het spreken en zingen van zijn volk verdient ook alle aandacht. Psalm 22 zegt immers: “Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont op de lofzangen van Israël”. Of het ook belangrijk is dat die lofzangen in overeenstemming zijn met de Schrift!

We zullen één voor één de verschillende onderdelen bij langs lopen.

1. Votum. Met deze tekst van psalm 124:8 belijdt de gemeente aan het begin van de eredienst dat ze volstrekt afhankelijk is van haar God. Hij die hemel en aarde gemaakt heeft. Alleen van Hem verwacht de gemeente haar hulp.
Met het uitspreken van het Votum is dan ook de eredienst daadwerkelijk begonnen.

2. Vrede-/zegengroet. Al aan het begin van de dienst komt de HERE de gemeente tegemoet met Zijn genade en vrede. Hij begroet haar. Hij zoekt gemeenschap met Zijn volk en verwijst al in de groet naar de geweldige rijkdommen die Hij voor de gelovigen heeft weggelegd. Bij afwezigheid van een dominee wordt de vrede-/zegengroet aan het begin en de zegen aan het einde in de zgn. gebedsvorm uitgesproken. Dat betekent dat het ‘u’ veranderd in ‘ons’. De ‘preeklezer’ die voorgaat legt dus groet en zegen niet op maar daar wordt om gevraagd/gebeden. Betekent dat nu dat we geen groet en geen zegen ontvangen? Nee. In de HC zondag 52 belijden we dat het woordje Amen betekent: “Want God heeft mijn gebed veel stelliger verhoord, dan ik in mijn hart voel dat ik dit van Hem begeer”
Het gelovig mee-vragen/bidden om de zegen van de HERE betekent dat de HERE Zijn genade en vrede ook (mee)geeft aan hen die Hem daarom vragen.

3. Antwoordlied. De groet van de HERE wordt door de gemeente beantwoord. We moeten ons goed realiseren dat hier een echt gesprek aan de gang is waar we allemaal bij betrokken zijn. Het zingen van dit eerste lied is niet zomaar een psalm zingen voor de HERE maar het beantwoorden van Zijn groet die vol genade en vrede is. Deze eerste psalm kan dan ook eigenlijk alleen maar een lofpsalm zijn. Een lied waarbij de gemeente de HERE weer blij teruggroet. En Hem roemt om Zijn grote daden. Aangezien de begroeting van de HERE en het teruggroeten van de gemeente één geheel dient te zijn is het mooier om dit ook liturgisch als één geheel te laten verlopen. Dus niet eerst de vrede-/zegengroet en dan het aankondigen van het antwoordlied. Dan loop je het risico dat het juiste zicht op deze liturgische handeling weg ebt.

4. Lezing van de Wet van de HERE. Al vroeg in de morgendienst krijgt de gemeente te horen de grondwet van het verbond. De Tien Woorden van het Verbond nemen in het geheel van Gods openbaring een bijzondere plaats in. Zij bepalen de gemeente bij haar schuld tegenover God, het niet volbrengen van de Wet in de afgelopen week, en de Wet is tegelijkertijd een regel voor de dankbaarheid voor de nieuwe week. In de middagdienst belijdt de gemeente bij dit onderdeel haar geloof in God.

5. Antwoordlied. De wetslezing wordt beantwoordt door de gemeente door een lied te zingen. Daarbij kunnen verschillende accenten gelegd worden. De ene keer een boetepsalm maar een andere keer kan ook de vreugde over de wet bezongen worden.
Na de geloofsbelijdenis in de middagdienst kan ook eventueel een lied gezongen worden maar dat hoeft niet persé omdat de geloofsbelijdenis zelf al een handeling van de gemeente is.

6. Schriftlezing. Hier worden de Schriften geopend. De HERE spreekt tot Zijn volk door middel van Zijn Woord. Zijn volk kent Hem uit en door Zijn Woord.
In diensten waarin de Catechismus wordt uitgelegd kan daarnaast ook een gedeelte uit de belijdenisgeschriften gelezen worden. Eventueel kan dit lezen afgewisseld worden door het zingen van een lied.
Het lezen van de Schrift kan ook na het eerste gebed plaatsvinden. Zoals dat in de Orde van Dienst B (Kampen 1975) gebeurt. Daarmee worden Schriftlezing en prediking meer één geheel.

7. Gebed. Het gebed is het voornaamste stuk van de dankbaarheid zeggen we met de HC, Zondag 45.
Dat betekent dus dat dit een belangrijk liturgisch onderdeel is waarin de gemeente tot haar God nadert.
Het moet dan ook goed voorbereid worden. Niet juist is om het gebed aan te kondigen met de woorden: “We zullen een zegen van de HERE vragen over deze eredienst”. Daarmee doen we tekort aan het rijke begin van de eredienst waar de HERE Zijn volk al tegemoet kwam met Zijn zegengroet.
Schuldbelijdenis vindt in de morgendienst plaats. Iedere zondag opnieuw belijdt de gemeente haar zonden tegenover haar God.
Daarmee erkent de gemeente dat zij tegenover de Heilige God schuldig staat en vergeving nodig heeft. Zij roept de HERE dan ook aan om die schuld te vergeven, pleitend op het verzoenende werk van haar Heiland, Jezus Christus.
Ook wordt gebeden om vernieuwing van het leven en verlichting van de Heilige Geest. Verlichting van de Heilige Geest om te verstaan het Woord, dat zo dadelijk verkondigd gaat worden.
Daarmee belijdt de gemeente dat zij in alles afhankelijk is van haar Drie-enige God.
Voorbeden kunnen zowel ‘s ochtends als ‘s middags plaatsvinden maar het zwaartepunt ligt daarbij in de morgendienst.

8. Offeranden. De gemeente schenkt in de eredienst haar gaven, die ze eerst van de HERE heeft gekregen, ter onderhouding van het christelijke leven dat in dienst staat van Kerk en Koninkrijk. Het maakt dus zichtbaar dat de gemeenteleden hun geld en goed over hebben voor Gods werk.

9. Het lied dat gekozen wordt om te zingen na de inzameling van de gaven houdt verband met de collecte en het doel daarvan of met de inhoud van de preek.

10. Lezing van de tekst die aan de preek ten grondslag ligt.

11a. Bediening van het Woord. De gelezen tekst is het uitgangspunt voor de preek. Er wordt niet gepreekt naar áánleiding van een bepaalde tekst maar de tekst zelf moet gepreekt worden. Gods Woord is immers altijd actueel, bestemd voor de eerste hoorders maar net zo goed voor ons nu.
In het Nederlands Dagblad kun je regelmatig lezen bij vooraankondigen van kerkdiensten dat de preek zal zijn naar aanleiding van .........(volgt een Schriftgedeelte).
Hiermee wordt de indruk gewekt dat het gekozen Schriftgedeelte gebruikt wordt als kapstok voor de preek. Maar de bedoeling is juist dat de tekst zelf aan de gemeente uitgelegd en voorgesteld wordt.
Door middel van de Schriften kent de gemeente immers haar God en alléén door de Schriften weet zij hoe zij haar God in het leven van elke dag moet dienen.
De bediening van het Woord is met de Schriftlezing het hart van de eredienst. Daarom mag zij ook de meeste tijd opeisen in de dienst. Daarin spreekt de HERE Zelf, via Zijn gezanten, tot Zijn volk en op die manier wil de Heilige Geest het geloof in ons werken, HC, Zondag 25.

11b. Eventueel amenlied. Klinkt voor ons misschien wat vreemd, dat eventueel, omdat wij gewend zijn om een amenlied te zingen. Vroeger werd het zingen in de dienst bestempeld als een gezongen gebed (het Psalmenboek werd dan ook wel het gebedenboek van de kerk genoemd).
Vanuit die gedachte is het amenlied na de preek en het dankgebed daarop volgend gelijk van karakter, dus eigenlijk dubbel.
Als direct na de preek het dankgebed volgt kun je daarmee, liturgisch gezien, volstaan. Daarmee geeft de gemeente ook haar antwoord op het verkondigde Woord.

12. Dankgebed. De gemeente beantwoordt het bediende Woord, en daarmee de HERE zelf, met haar dankzegging en prijst de HERE om Zijn grote daden die in en door de prediking haar weer voor ogen geschilderd is.

13. Slotzang. Normaal gesproken zal dit een lofpsalm voor de HERE te zijn. Aan het einde van de dienst gekomen roemt de gemeente nogmaals haar God.

14. Zegen. De HERE laat zijn volk naar huis gaan met Zijn zegen. Die zegen is werkelijkheid in je leven als je deze in geloof aanneemt. De zegen van de HERE is niet synoniem aan succes of voorspoed maar betekent vóór alles dat de HERE in liefde naar je omziet en voor je zorgt. Je mag in Zijn gemeenschap leven, de gemeenschap van het Verbond.
Om met Psalm 63:4 af te sluiten: “Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven”.

Tot slot, bij deze artikelen over de liturgie in de eredienst zijn buiten beschouwing gebleven die onderdelen die regelmatig of incidenteel een plaats hebben in de eredienst zoals; de sacramentsbediening, huwelijksbevestiging, bevestiging van ambtsdragers e.d. .