Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Liturgie in de eredienst (1)

Jaargang: 
4
Datum: 
20 okt. 2010
Nummer: 
37
Schrijver: 
A. van Egmond
ID:
726
Rubriek: 

De redactie kreeg toegezonden enkele artikelen die eerder gepubliceerd zijn in het kerkblad van De Gereformeerde Kerk te Berkel&Rodenrijs/Bergschenhoek. Het betreft een inleiding, enigszins bewerkt, die broeder A. van Egmond heeft gehouden op een gemeentevergadering op 5 februari 2004. Deze inleiding is getiteld “Liturgie in de eredienst”.
De inleiding heeft haar uitgangspunt in Hebreeën 12:18-29 en besluit met een toelichting op de orde van dienst Middelburg, pag. 507 t/m 509 in het Gereformeerd Kerkboek, die gebruikt wordt in onze erediensten.


Geen onderonsje

Spreken over liturgie in de eredienst, is dat wel verstandig in deze tijd? Nu we net van een hoop liturgisch gedoe verlost zijn? Ik kan mij indenken dat deze vraag bij u opkomt als u hoort over dit onderwerp.
En toch, toch is het goed om met deze dingen bezig te zijn. Om ons te realiseren wat we iedere zondag doen. Om daar nu eens expres bij stil te staan. Want de zondagse erediensten zijn geen gezellig onderonsje waarbij we onze religieuze plichten vervullen. Als het dat was, dan wisten sommigen onder ons misschien wel betere gelegenheden.
Nee, geen gezellig onderonsje, maar op zondag gaan we naar onze God. Zoals de dichter van psalm 43 het uitzingt in vers 4: “dat hij wil gaan naar de God van zijn jubelende vreugde”.
En psalm 95 het zegt:”Komt, laat ons jubelen voor de HERE, juichen ter ere van de rots van ons heil. Laat ons met lofzang voor Zijn aangezicht komen, ter ere van Hem juichen bij snarenspel”.
U kunt dat ‘s zondags wel eens horen in het gebed. Dan wordt er gedankt dat we de HERE, onze God, weer mogen ontmoeten in de eredienst. En dat is terecht. Want dan zitten we daarmee dus op het niveau van de psalmen. Ook wij gaan ‘s zondags naar de God van onze jubelende vreugde. Is dat al niet direct iets om de waarde te laten zien van dit onderwerp? Wat is het gauw gewoon om naar de kerk te gaan. Maar het is nooit gewoon. We mogen immers naderen tot onze God, de levensbron van al de zijnen. Hij is de Heilige in wie geen onrecht woont, Hij wil gemeenschap met zijn volk. Hij is het die ons roept.
Het Oude Testament laat ons dat al zien. Dan komen er heilige samenkomsten tussen de HERE en zijn volk. In de woestijntijd heette de tabernakel ook wel de tent van de samenkomst. Daar kwamen de HERE en zijn volk samen. In Exodus 20:24 zegt de HERE door middel van Mozes het volgende tegen zijn volk: ”Op elke plaats waar Ik mijn naam doe gedenken, zal Ik tot u komen en u zegenen”.
Voor onze tijd geldt wat de Here Jezus ons heeft geleerd in Mattheüs 18:20. Daar zegt Hij tot zijn discipelen en daarmee ook tot ons: ”Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden”. En Joh. 4 : 21-24, het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw, leert ons dat de aanwezigheid van God bij zijn volk niet meer beperkt is tot enkele plaatsen maar overal is waar de Vader in geest en waarheid wordt aanbeden. Jeruzalem verliest zijn centrale betekenis omdat Christus straks vanuit de hemel regeert over heel deze wereld.

Naderen tot de HERE

Aan het begin van de avond lazen we Hebreeën 12. De schrijver van deze brief schildert ons voor ogen hoe het gekomen is van minder licht naar meer licht. Van minder verantwoordelijkheid naar grotere verantwoordelijkheid.
Er was ook in het Oude Testament al veel te genieten in de gemeenschap met God. Als psalm 43 ons immers vertelt van een dichter die verlangt naar de God van zijn jubelende vreugde dan is dat verlangen er ook echt. Dan heeft hij van zijn God dus al veel ontvangen om blij mee te zijn.
Maar toch mogen we spreken in het Nieuwe Testament, de tijd waarin ook wij leven, van grotere dingen die wij mogen weten. Hebreeën 12 gaat ons daarin voor. Vanaf vers 18 worden we herinnerd aan de verbondssluiting op de Sinaï. In Exodus 19 staat dit uitgebreid beschreven. Daar daalt de HERE neer op de Sinaï en als tekenen van Zijn aanwezigheid ziet en hoort het volk Israël een tastbaar en brandend vuur, donkerheid, duisternis en stormwind, de klank van een bazuin en het geluid van een stem, Hebreeën 12:18 en 19.
Het volk Israël werd officieel door de HERE als zijn volk aangenomen. Het was de dag van het huwelijk tussen God en zijn volk. En op die dag laat de HERE zich zo aan Zijn volk kennen dat ze nooit meer hoeft te twijfelen aan Zijn macht en Zijn aanwezigheid. Vers 18 maakt duidelijk dat het volk mocht naderen. Het mocht toetreden om dicht bij haar God te zijn. Maar niet dichterbij dan God toestond. De berg waarop Hij neerdaalde mocht door het volk en de dieren niet aangeraakt worden.

Nieuwtestamentisch

Vanaf Hebr. 12:22 krijgen we nu het heerlijke van de nieuwtestamentische eredienst te zien. In een opsomming in de verzen 22 t/m 24 laat de door de Heilige Geest geïnspireerde schrijver ons zien wat het betekent wanneer wij op zondag naar de kerk gaan.
Wij naderen niet, zoals het volk Israël eens, tot de berg Sinaï maar tot de berg Sion, vers 22, waar de dienst van de verzoening is, zoals we dat bijvoorbeeld zingen met psalm 133:3: “Op Sions berg gebiedt de Heer de zegen, daar wordt genaad en vrede rijk verkregen, het leven tot in eeuwigheid”.
En als we naderen tot de berg Sion, dan is dat tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, dat neerdalende is uit de hemel, Openb. 21:10. De kerk (het hemelse Jeruzalem) is bezig neer te dalen. Dat gebeurt hier en nu. Daar mogen wij deel van uit maken. De kerk wordt gebouwd (een proces dat nog steeds aan de gang is) tot woonstede Gods in de Geest.
We naderen ook tot tienduizendtallen van engelen, in hun onafgebroken dienst aan God.
En tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemel, vers 23. De in Christus geheiligden van de algemene kerk staan in de registers bóven ingeschreven.
En we naderen tot God, de Rechter over allen. Hij roept ons tot de samenkomsten. Hij wil zijn volk ontmoeten op de opstandingsdag van zijn Zoon.
Maar ook tot de geesten van de rechtvaardigen naderen wij, die de voleinding al bereikt hebben, dit betekent dat wij ook tot de gestorven gelovigen komen in onze erediensten. Zij die door God, de Rechter over allen, zijn vrijgesproken van hun zonden en ongerechtigheden en daarmee tot de voleinding gekomen zijn, de eeuwige zaligheid.
Dat wij tot hen naderen kunnen wij niet zien met onze ogen maar dat is wel de werkelijkheid die de HERE ons hier laat zien. De kerk boven en de kerk beneden zijn ten diepste één.
Vers 24 laat ons vervolgens zien waardoor die zoveel grotere heerlijkheid van het Nieuwe Testament is gekomen. Want in onze erediensten naderen we ook tot Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel.

Dienst der verzoening

De oudtestamentische erediensten gingen gepaard met vele offers. Offers voor de schuld die heenwezen naar het eenmalige zoenoffer van onze Here Jezus Christus. Als de Israëlieten naar de tabernakel of tempel kwamen moesten ze eerst langs het brandofferaltaar. Eerst moest er geofferd worden en werden ze eraan herinnerd dat zonder bloedstorting er geen gemeenschap met de HERE kon zijn.
De rijkdom van de nieuwtestamentische eredienst is nu dat het ene offer van onze Heiland voldoende is geweest voor al onze zonden. Dat is de rechtsgrond onder onze erediensten.
Daar komt bij dat wij niet meer afhankelijk zijn van priesters om tot God te gaan. Alleen de priester mocht immers offers brengen voor de HERE.
Op de grote verzoendag mocht bv. alleen de hogepriester het Heilige der Heiligen binnengaan om daar het bloed van een bok te sprenkelen op en voor het verzoendeksel als teken van verzoening voor het volk.
Het bloed van Christus heeft er echter voor gezorgd dat de toegang tot God voor alle gelovigen open is. In het Nieuwe Testament gaat het ambt van alle gelovigen zijn volle groei krijgen. De Heilige Geest is immers uitgestort op alle vlees. Kon in de oudtestamentische eredienst alleen de priester, namens het volk, het heiligdom binnengaan om de dienst aan God te verrichten, nu komt die aansporing tot alle gelovigen. Die aansporing om te naderen tot God, om de volle gemeenschap met Hem te genieten, te weten dat het goed is tussen Hem en ons, dwingt ons dan ook om naar de kerk te gaan.
We naderen immers tot Jezus en tot het bloed der besprenging dat krachtiger spreekt dan Abel. Het bloed van Jezus spreekt. In de hemel. Gods toorn is gestild.
Nee, niet voor iedereen. Alleen voor hen die de belofte van het evangelie, het offer van Jezus Christus, telkens met waar geloof aannemen, HC antw. 84.
Voor hen is er verzoening. En God laat hier op aarde de bediening van de verzoening plaatsvinden in de erediensten.
Zo werd ook van oudsher de preek getypeerd. Bediening van de verzoening. Dat is het spreken van het bloed van Christus. Door Zijn bloed is er gemeenschap mogelijk met God. Die Blijde Boodschap moet zondag aan zondag verkondigd worden. Tot die prediking moeten wij komen. Naderen om allereerst te horen. Iedere zondag opnieuw. Het bloed van Jezus spreekt. Daarover moet gesproken worden. Daarom moet iedere zondag opnieuw het Woord bediend worden. Want daardoor spreekt het bloed van Christus nog steeds. En het blijft spreken tot de jongste dag.
(wordt vervolgd)