Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Het lieflijk Oosterbeek (1)

Jaargang: 
1
Datum: 
26 sep. 2007
Nummer: 
33
Schrijver: 
Ad.J. Koekkoek
ID:
139


Een van de streken van ons land die vanouds bekend staan om hun landschappelijk schoon, is die langs de Rijn bij Arnhem. Al in de zeventiende eeuw namen kunstschilders op doorreis de moeite, het landschap bij Rhenen of Kleef in tekeningen vast te leggen, om die later in het atelier tot landschapsschilderijen uit te werken. Later, in de negentiende eeuw, kwamen kunstenaars zich hier vestigen. Vooral Oosterbeek was daarbij zeer in trek. In deze omgeving werd de vernieuwing in de schilderkunst voorbereid die later haar hoogtepunt zou vinden in de Haagse School.
Ook schrijvers en dichters voelden zich tot deze omgeving aangetrokken. Deze culturele opleving werd sterk bevorderd doordat rijke mensen uit het westen van het land de oude landgoederen in Gelderland of delen daarvan opkochten, en tot zomerverblijf inrichtten. De meeste daarvan hebben in de twintigste eeuw opnieuw een andere bestemming gekregen. Een van die voormalige landgoederen, De Pietersberg, is bekend geworden doordat hier in de jaren na de Tweede Wereldoorlog de kring van dichters die zich het Landvolk noemde bijeenkwam. Zij werkten daar eerst aan een nieuwe psalmberijming, later ook aan de liedbundel die samen met de psalmberijming nu het Liedboek voor de Kerken vormt.
Maar Oosterbeek trok ook dominees. Het was hier dat zich enkele predikanten en leden van de vrijgemaakte gereformeerde kerken in 1947 en 1948 terugtrokken om met predikanten en leden van de ‘gebonden’ gereformeerde kerken te confereren over mogelijkheden tot hereniging. Centrale figuur: de vrijgemaakte predikant van Voorburg, Ds. B.A. Bos.

Ds. B.A. Bos (1901-1977)

Dominee Bos was een markante figuur, dus ook een man die veel vijanden had. En die het zijn vrienden - zoals een van hen ooit zei - niet gemakkelijk maakte. Zo typeerde de christelijke gereformeerde Ds. J. Westerink zijn collega in het In Memoriam dat in het Jaarboek 1978 van zijn kerken te vinden is. In zijn royale schets van Bos’ levensloop, waaraan ik het volgende ontleen, valt nog al eens het woord strijd. Strijdbaarheid is voor Westerink de rode draad die door dit leven loopt. Die strijd ging Bos aan in zijn eerste gemeente, Haarlemmermeer-Oostzijde. Toen hij daar in 1927 kwam, was de gemeente verscheurd door de kwestie Geelkerken, waarin de historiciteit van Genesis 1-3 op het spel stond. ‘Met vreugde vertelde hij later, hoe hij onder Gods zegen de hele gemeente weer bijeen had mogen brengen.’ De strijd wachtte hem ook in Assen, waar hij van 1930 tot 1945 predikant was. Daar maakt hij zich in september 1944 vrij van de synodale besluiten. ‘Prof. Schilder had in hem een vurige medestrijder.’ Hij heeft, schrijft Westerink vervolgens, ook gestreden tegen ‘een kerksysteem’. Wat hij daar precies mee bedoelt, wordt niet duidelijk. Het zal verband houden met wat hij elders in zijn bijdrage zegt over ‘de teleurstelling bij Ds. Bos over de ontwikkeling binnen de kerken van de Vrijmaking. Hij ontdekte tendenzen, die de kerk opnieuw dreigden af te voeren van de prediking van het ene Evangelie: het Evangelie van Jezus Christus en Die gekruisigd. In 1950 kwam het tot een breuk, en - gevolgd door een groot aantal predikanten in wat in de Vrijgemaakte kerken wel de ‘actie-Bos’ is genoemd - keerde hij terug tot de Gereformeerde Kerken.’ In datzelfde jaar werd Ds. Bos legerpredikant, later hoofdlegerpredikant. ‘Maar ook hier wachtte de strijd. Binnen de dienst geestelijke verzorging kwamen de vragen rond het atoompacifisme (...)
En weer zag Ds. Bos hoe de verkondiging van het Evangelie van de gekruisigde Christus in het gedrang kwam. Hij meed de strijd niet.’ Het gevolg was dat hij enkele maanden voor zijn pensionering ontslag heeft genomen. Dat was in 1966.
Als gevolg van een ernstige ziekte kon de predikant de jaren daarop weinig activiteiten ontplooien. Maar naast deze strijd op het fysieke vlak sloeg opnieuw de teleurstelling toe op geestelijk terrein. Hij was het allang niet meer eens met ‘de gang van zaken in de Gereformeerde Kerken. Grote bedenkingen had hij tegen de theologische ontwikkeling en de politieke opstelling van deze kerken. En ook op dat front werd hij in het strijdperk geroepen, toen hij dacht reeds uitgediend te zijn.’ Ds. Westerink doelt hier op de doleantie die in 1977 in de synodale kerk van Urk plaats vond, waarna de zo ontstane gemeente een beroep op Ds. Bos deed. Deze gemeente heeft hij nog enkele maanden gediend in prediking, catechese en huisbezoek. ‘Hij voelde zich er thuis. Het was de mooiste tijd in zijn leven; bij dit volk hoorde hij. Met de hem eigen besliste overtuiging heeft hij de gemeente geleid naar het verband van onze [de Christelijke Gereformeerde, AdJK] kerken. Meermalen vertelde hij tot de overtuiging gekomen te zijn, dat de Vereniging van 1892 fout was geweest.’
Tegen het einde van zijn bijdrage erkent Westerink dat Bos zijn strijd niet altijd goed heeft gestreden. ‘Maar het was wel de goede strijd. Want het ging om het Evangelie van de Here Jezus. Hij kon niet hebben, dat dát verduisterd werd. (...) Dat bracht ds. Bos in het laatst van zijn leven naar onze kerken. Dat mag ons een eer zijn.’

Wat wilde hij?

Opmerkelijk in het In memoriam uit het Christelijk Gereformeerde Jaarboek 1978 is de typering van de strijd die Bos in de jaren veertig binnen de vrijgemaakte kerken voerde. In de ogen van de schrijver ging het daarbij kennelijk tegen een ‘kerksysteem’, dat het Evangelie van de Here Jezus verduisterde. We krijgen de indruk dat deze typering meer zegt over de kijk die Ds. Westerink althans toen had op de vrijgemaakte Gereformeerde Kerken dan over de moeiten waar Ds. Bos eind jaren veertig mee kampte. Laten we het er maar gewoon op houden dat hij ervoor terugschrok de scheiding met de synodale broeders, als er bij hen geen bekering kwam, als fundamenteel en definitief te beschouwen. Over de motieven die hem daarbij dreven, valt het een en ander te lezen in de brochure De weg tot elkander: enige opmerkingen rondom de Conferenties te Oosterbeek, die in 1949 verscheen van de hand van Ds. Bos. Daaruit neem ik het hoofdstukje ‘De achtergrond van het Oosterbeekse streven’ integraal over.

Het streven, dat in de Oosterbeekse conferenties tot uiting komt, moet gezien worden tegen de achtergrond van de eerste eis, die de Heere heden ten dage aan de zijnen stelt.
Die eis is belichaamd in het apostolische woord: “Het einde aller dingen is nabij gekomen, weest dan bezonnen en nuchter tot gebeden. Hebt voor alle dingen bestendige liefde jegens elkander. Want liefde bedekt een menigte van zonden”. (1 Petr. 4:7,8 Nieuwe Vert.)
Wij verkeren in het laatste der dagen, waarin alles naar het wereldeinde dringt. Daarom moet ieder er ernst mee maken, dat de dingen dezer aarde hun ondergang tegemoet tuimelen.
Dat betekent, dat wij bezonnen en nuchter, zonder een dag te verknoeien, hebben te doen wat ons te doen staat ter voorbereiding voor de eeuwigheid.
Zo hebben wij heden ten dage klaarwakker biddend werkzaam te zijn in het volbrengen van onze roeping, opdat we straks zonder verschrikken voor God kunnen verschijnen.
Die biddend te volbrengen roeping bestaat vooral in bestendige liefde jegens elkander. Laat vóór alle dingen de liefde tot elkander het niet begeven.
Dat gevaar dreigt. Door de zonden en gebreken die we bij elkander ontdekken. Door het te kijk stellen van de verkeerdheden der broeders. Door het breed uitmeten daarvan en het roddelen daarover.
Die pik-ik-heb-je-mentaliteit vreet de liefde kapot. En wee ons als dat doorgaat. Als de band der liefde breekt, gaat het christendom er aan. Dan geeft de kerk zich over vlak voor de bevrijding.
Daarom moet de liefde zich tegen die bedreiging verweren, en strak gespannen tot de tegenactie overgaan.
De biddende beoefening daarvan moet ons weerhouden om te gaan zitten in het gestoelte der vitters en te komen in de raad der hekelaars.
De betrachting daarvan in de kracht des Heeren zal integendeel een massagraf delven. En de liefde zal daarin werpen alle gebreken van de broeders, waarover wij niet tot oordelen geroepen zijn, mitsgaders de ganse menigte van tegenover ons bedreven zonden die beleden en gelaten zijn.
Zover moet de liefde zich uitstrekken. En dat vóór alle dingen. Dat is het eerst nodige, waarin we ons biddend benaarstigen zullen, nu het einde aller dingen nabij gekomen is.
Tegen die achtergrond moet het streven van Oosterbeek worden verstaan.

Wat we hier voor ons hebben, is in feite een beknopte meditatie over de aangehaalde verzen uit de eerste brief van Petrus (naar de voorlopige versie van de Nieuwe Vertaling van het NBG 1951). Elementen die opvallen, zijn het argument van de tijd waarin wij leven (‘heden ten dage’), de oproep tot onmiddellijke actie (‘zonder een dag te verknoeien’, ‘biddend werkzaam zijn’), en het doorlopende beroep op de liefde, waarvan we onder meer lezen dat zij ‘strak gespannen tot de tegenactie overgaat’, en een massagraf delft, om daarin te werpen ‘alle gebreken van de broeders, waarover wij niet tot oordelen geroepen zijn, mitsgaders de ganse menigte van tegenover ons bedreven zonden die beleden en gelaten zijn.’
Het zijn allemaal dingen die onze lezers bekend in de oren zullen klinken. Dat komt omdat de geest van waaruit Ds. Bos eind jaren veertig zijn tegenactie begon, in de vrijgemaakte kerken is blijven leven. Hij stak opnieuw de kop op in de jaren zestig, en in de jaren negentig leek hij eindelijk de vrijgemaakte Gereformeerde Kerken definitief in zijn greep te hebben. Daarom is het belangrijk, een antwoord te vinden op de vraag: gaf Ds. Bos hier een goede uitleg en toepassing van de tekst die hij tot uitgangspunt nam? Sprak hij inderdaad naar de Schrift? En als we vandaag de dag de eigentijdse echo van deze gedachten horen, is dat naar de Schrift?

Bezonnen en nuchter tot gebeden

Laten we eens nagaan hoe Ds. Bos zijn tekst uitlegt. Voor vers 7 heb ik de Korte Verklaring van Greijdanus van de eerste brief van Petrus geraadpleegd. Daar lezen we bij 4:7 het volgende: ‘Onder het besef van de ernst der tijden, en van het aansnellen van het einde aller dingen, moet er gebeden worden, al maar weer in het gebed geworsteld worden met de Here, en eigen en anderer nood en behoefte Hem voorgelegd, om ook datgene te vragen, wat inderdaad nodig is, in de eerste plaats wel voor ‘s Heren gelovigen.’ En bij het vragen wat inderdaad nodig is, hebben we blijkbaar behoefte aan bezonnenheid en nuchterheid. Dat betekent volgens Greijdanus dat we ons niet door ‘waandenkbeelden en verkeerde meningen’ moeten laten leiden, en de werkelijkheid der dingen zien zoals zij metterdaad is. En in zijn Commentaar op dit bijbelboek vat Greijdanus de bedoeling van vers 7 als volgt samen: ‘De bedoeling is niet alleen, dat de gelovigen gedurig biddende moeten zijn, doch ook, dat hun gebed getuigenis afleggen moet van een klaar inzicht in de omstandigheden, dat rechte uitdrukking geeft aan de wezenlijke noden en behoeften.’
De apostel richt dus, alvorens de onderlinge liefde ter sprake te brengen, onze aandacht op het noodzakelijke gebed tot God, waar een nuchtere en bezonnen opname van de stand van zaken als vanzelf toe leidt. Bij Ds. Bos valt, in afwijking daarvan, de haast op. Hij heeft wel gelezen dat we bezonnen en nuchter moeten zijn, maar wil tegelijk geen dag verliezen. Het gevolg is dat hij niet aan een weloverwogen beoordeling van de situatie toekomt, om daarmee voor Gods aangezicht te naderen, maar zich haast naar waar hij het eigenlijk alleen maar over hebben wil: de bestendige liefde jegens elkander. Daarbij dreigt hij uit het oog te verliezen dat de onderlinge liefde het complement is van de liefde tot God.
Dan de uitleg van vers 8. Hier blijkt het woord ‘elkander’ een struikelblok te zijn. ‘Hebt vòòr alle dingen bestendige liefde jegens elkander.’ Aan wie denkt de apostel hier? Negatief geformuleerd: De apostel denkt hierbij niet aan onderscheiden groeperingen die kerkelijk gescheiden wegen gaan, een verschillende kijk hebben op de stand van zaken en dienovereenkomstig de Here aanroepen. Zo’n wantoestand zou hij zeker aan de orde hebben gesteld. Positief: hij schrijft aan gelovigen die, hoezeer ook verstrooid (1:1), één van leer en leven zijn. Broeders die ‘ook tezamen wonen’ (Ps. 133:1). Zij zijn het die ertoe worden opgeroepen de liefde die er onderling al is, te blijven beoefenen. Dan kan er nog wel sprake zijn van liefde tot de anderen, een liefde die hen zoekt die andere wegen gingen. Maar die zal zich dan primair uiten in een oproep tot terugkeer, ommekeer, bekering, zodat er weer de vreugde van het ‘tezamen wonen’ kan zijn.

Liefde zonder bezonnenheid

Het Oosterbeekse streven echter, waarvan Ds. Bos in zijn meditatie de achtergrond uiteenzet, is het streven naar een spoedige terugkeer van de vrijgemaakte kerken onder synodale vleugels. Weliswaar onder bepaalde voorwaarden, maar met verwaarlozing van wat er werkelijk had plaatsgevonden. Wie in die dagen nuchter en bezonnen de stand van zaken opnam, moest echter wel tot de conclusie komen dat hier nu juist de eenheid in het geloof, de basis van de onderlinge liefde, was verbroken. Er was een leer bindend opgelegd die niet naar de Schrift was. En om gehoorzaamheid af te dwingen, hadden schorsingen plaatsgevonden. Wie met die moeite in het gebed voor Gods troon is geweest, zal zijn liefde allereerst laten uitgaan tot hen die met hem zich van die onschriftuurlijke binding hebben vrijgemaakt. Om daarna, in liefde, hen te zoeken die nog achterbleven. Maar dat is niet het kader waarbinnen Bos over de onderlinge liefde spreekt. Zijn liefde strekte zich in gelijke mate uit tot hen die de oorzaak waren van de scheuring en hen die zich vrijmaakten. En die liefde ging zover, zagen we in zijn levensbeschrijving, dat hij de liefde tot hen met wie hij zich had vrijgemaakt, tenslotte verloochende. Om aan het eind van zijn leven ook de liefde tot de synodaal geworden broeders weer te verloochenen. Want, zo weet Westerink te melden: ‘Meermalen vertelde hij tot de overtuiging gekomen te zijn, dat de Vereniging van 1892 fout was geweest.’
Dus werd hij christelijk gereformeerd.
Liefde zonder geestelijke nuchterheid raakt op dwaalwegen.