Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

De laatste bazuin

Jaargang: 
1
Datum: 
10 jan. 2007
Nummer: 
1
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
5


    1 Korintiërs 15:52-53
    Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.

De bazuin in de Bijbel

In het hoofdartikel is het blazen op de bazuin uit de Schrift belicht als het begin van het jubeljaar.
In deze rubriek Uit de Schrift wil ik in dit en het volgende nummer van DE BAZUIN meer aspecten bespreken, zoals die in de hele Bijbel voorkomen. Het is namelijk heel opmerkelijk hoe vaak de bazuin daar genoemd wordt. Dat loopt uit op de laatste bazuin, door de HEERE Zelf zo genoemd.
De volgende Bijbelse aspecten van de bazuin wil ik bespreken:
als oproep tot de strijd en voor het vieren van de overwinning;
als inleiding en begeleiding van de feesten;
als aankondiging van Gods komen met gericht en verlossing;
bij de verschijning van de HEERE;
als inleiding tot zijn komst tot het eindgericht en de totale verlossing;
bij de verschillende kerkreformaties.

Strijdmotieven

Met name in het Oude Testament is er veel te vinden over strijd. Dat begon al in de woestijn, toen de Amalekieten Gods volk overvielen op verraderlijke wijze, namelijk de achterhoede waar de vrouwen en de kinderen zich bevonden.
Dat was nog maar het begin. De weg naar het beloofde land ging door strijd heen: heidense volkeren probeerden Israël tegen te houden of zelfs uit te roeien.
Toen kwam de grote strijd om het beloofde land in bezit te nemen. Dat begon met de inname van Jericho. Die stad kon terecht de sleutelstad genoemd worden – het eerste obstakel op de weg naar de intocht in het land van de belofte.
Bij dat alles speelde de bazuin een grote rol. Zij werd geblazen als oproep tot de strijd. Ook als waarschuwing door de wachters tegen een aanval van de vijanden. Verder als de verzekering dat de strijd de oorlog van de HEERE is tegen zijn vijanden. En ook als uiting van dankbaarheid en lof van de HEERE over de overwinning in de strijd.

Oproep tot de strijd

Voortdurend heeft Israël strijd moeten voeren. Met name in de tijd van de Richteren gebeurde het steeds weer dat Gods volk de HEERE verliet en dat zij door Hem werden overgegeven aan de vijanden. Maar ook steeds weer luisterde de HEERE naar hun klagen en zond Hij verlossing. Maar daar moesten zij dan wel voor strijden. Tot die strijd werden zij opgeroepen door de klank van de bazuin. Dat was overeenkomstig het bevel van de HEERE, Num.10:9

    En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen de vijand die u benauwt, dan zult gij op de trompetten een signaal blazen, waardoor gij in gedachtenis gebracht zult worden voor het aangezicht van de HERE, uw God, zodat gij van uw vijanden verlost zult worden.

Zo lezen wij over Ehud en zijn strijd tegen Moab en Ammon, Richteren 3:27-28

    27 Toen hij (Ehud) daar aangekomen was, blies hij de hoorn op het gebergte van Efraim, en de Israëlieten daalden met hem het gebergte af, hij zelf voorop.
    28 Hij zeide tot hen: Volgt mij, want de HERE heeft uw vijanden, de Moabieten, in uw macht gegeven. Zij dan daalden af, hem achterna, en bezetten de voorden van de Jordaan naar Moab en lieten niemand oversteken.

Heel bekend is de strijd van Gideon tegen Amalek. Ook toen werd Israël opgeroepen tot de strijd door bazuingeschal:

    Richteren 6:34
    Toen vervulde de Geest des HEREN Gideon: hij blies op de hoorn, en de Abiëzrieten werden opgeroepen om hem te volgen.

En het leger werd aangemoedigd door het blazen op de bazuin:

    7:18 Wanneer ik op de hoorn blaas met allen die bij mij zijn, dan moet ook gij op de horens blazen rondom de gehele legerplaats, en roepen: Voor de HERE en voor Gideon!

Ook Saul voerde het volk aan in de strijd tegen de Filistijnen, 1 Samuel 13:3

    Jonathan nu versloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba lag; dit vernamen de Filistijnen. Terzelfdertijd liet Saul in het gehele land op de hoorn blazen, want hij dacht: De Hebreeën moeten het vernemen.

Kortom, de bazuin roept op tot de strijd en bemoedigt in de strijd en vertolkt de dankbaarheid voor de overwinning.

De wachters

In het hele land waren overal wachters gestationeerd, met name aan de grenzen en in de steden. Zij waren verantwoordelijk voor de veiligheid van het volk en moesten daarom met hun bazuin alarm slaan bij de nadering van de vijand. Daarover lezen we in Ezechiël 33:3-6

    2 Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten en zeg tot hen: wanneer Ik over een land het zwaard breng, en de inwoners van dat land hebben uit hun midden iemand gekozen en tot wachter aangesteld,
    3 en deze ziet het zwaard over dat land komen, en blaast op de bazuin en waarschuwt het volk,
    4 als dan iemand wel het geluid van de bazuin hoort, maar zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en rukt hem weg, dan komt diens bloed over zijn eigen hoofd.
    5 Hij heeft het geluid van de bazuin gehoord, maar zich niet laten waarschuwen; zijn bloed komt over hemzelf; als hij zich had laten waarschuwen, zou hij zijn leven hebben gered.
    6 Maar wanneer de wachter het zwaard ziet komen, doch niet op de bazuin blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt; En het zwaard komt en rukt iemand van hen weg, dan wordt hij wel weggerukt in zijn eigen ongerechtigheid, maar van zijn bloed zal Ik de wachter rekenschap vragen.

Het moest dus zó zijn, Amos 3:6:

    Wordt de bazuin in een stad geblazen, zonder dat de inwoners opschrikken?

Maar vaak gebeurde het dat er niet naar dat bazuingeluid werd geluisterd, Ez.7:14:

    Blaast maar op de trompet en maakt alles gereed, er is echter niemand die ten strijde trekt; want mijn toorngloed is over heel hun rumoerige menigte.

Hoe kwam het dat zij niet wilden luisteren? Het antwoord is te vinden in de profetieën van Jeremia. Het onheil komt uit het Noorden, waarschuwt de HEERE, als instrument van zijn gericht. Maar zij willen niet horen, Jeremia 4:5-6:

    Boodschapt in Juda, laat horen in Jeruzalem en zegt: Blaast de bazuin in het land, roept luidkeels en zegt: Verzamelt u en laat ons in de versterkte steden gaan!
    Steekt omhoog het signaal: naar Sion! Bergt u, blijft niet staan! Want het onheil breng Ik uit het Noorden, een groot verderf.
    Uw handel en wandel heeft u dit berokkend, dat komt van uw boosheid; voorwaar, bitter is het, ja, het raakt u in het hart.
    Jeremia 6:1: Bergt u, gij Benjaminieten, uit Jeruzalem vandaan. Blaast de bazuin in Tekoa, doet een rooksignaal opstijgen boven Bet–Hakkerem! Want rampspoed doemt op uit het Noorden, een groot verderf.
    Jeremia 6:17: Ook heb Ik wachters over u gesteld: Luistert naar het geklank der bazuin; maar zij zeggen: Wij willen niet luisteren.
    Hosea 8:1: De bazuin aan uw mond! Als een arend komt het tegen het huis des HEREN! Omdat zij mijn verbond hebben overtreden en tegen mijn wet gerebelleerd.

Zij denken: de tempel van de HEERE staat hier en Hij verlaat ons niet. Maar de wet van de HEERE hebben zij aangepast aan hun eigen denken en verlangen.
Hoe spreekt dit ons aan in onze situatie van strijd om de kerkreformatie en de weigering van zo velen om mee te doen in die strijd!

De oorlogen van de HEERE

Het is opmerkelijk dat dikwijls de priesters genoemd worden als degenen die de bazuin blazen. Daarmee laat de HEERE duidelijk zien dat het zijn strijd is.

Dat was al zo toen Israël moest strijden tegen de Amalekieten. Mozes moest boven op een berg de staf van God omhoog heffen, zodat iedereen in de slagorde die staf kon zien. Dat was immers het teken dat het niet hun eigen strijd was, maar de strijd van de HEERE tegen zijn vijanden. Zo lang die staf maar omhoog werd gehouden en ieder dus kon zien dat het de HEERE Zelf was Die voor hen streed, waren zij aan het winnen. Maar als Mozes handen zakten en de staf, dat is de banier van de HEERE, niet meer te zien was, verloren zij.

Toen Juda moest strijden tegen Jerobeam, korte tijd na de scheuring, zoals beschreven in 2 Kronieken 13:8-13, werd die strijd gekenmerkt door de profetie tegen de eigenwillige godsdienst van het tienstammenrijk:

    8 Welnu, gij denkt het koningschap des HEREN, dat in de hand van de zonen Davids is, te kunnen trotseren, omdat gij een grote menigte zijt en de gouden kalveren hebt, die Jerobeam u tot goden gemaakt heeft.
    9 Hebt gij niet de priesters des HEREN, de zonen van Aäron, en de Levieten verdreven, en u priesters gemaakt zoals bij de volken der landen? Ieder, die kwam, om zich te laten wijden met een jonge stier en zeven rammen, werd priester voor wat geen goden zijn.
    10 Wij daarentegen, de HERE is onze God, wij hebben Hem niet verlaten; de zonen van Aäron dienen de HERE als priesters, de Levieten doen hun werk
    11 en ontsteken voor de HERE brandoffers elke morgen en elke avond, en welriekend reukwerk; zij zorgen voor het toonbrood op de reine tafel en voor de gouden kandelaar en zijn lampen, om die elke avond aan te steken, want wij nemen waar, wat ons door de HERE, onze God, is opgedragen; maar gij hebt Hem verlaten.
    12 En zie, bij ons gaat God aan de spits. En zijn priesters met alarmtrompetten, om tegen u alarm te blazen. Israëlieten, strijdt toch niet tegen de HERE, de God uwer vaderen, want gij zult niet voorspoedig zijn!
    13 Jerobeam nu had een omtrekkende beweging laten maken, waardoor een hinderlaag achter hen kwam, zodat (het leger) vóór de Judeeërs was en de hinderlaag achter hen.
    14 Toen keerden zich de Judeeërs om; en zie, zij hadden de strijd van voren en van achteren, maar zij riepen tot de HERE, de priesters bliezen op de trompetten.
    15 en de mannen van Juda hieven de strijdkreet aan. Toen de mannen van Juda de strijdkreet aanhieven, deed God Jerobeam en geheel Israël tegen Abia en Juda de nederlaag lijden.

Het was ten tijde van de regering van koning Josafat dat Israël weer eens te strijden had tegen Moab en Ammon. Toen de HEERE aan hen de overwinning gegeven had gingen zij samen naar de tempel de dank toe te brengen voor zijn overwinning, 2 Kronieken 20:27-28

    27 Toen keerden al de mannen van Juda en van Jeruzalem om, met Josafat aan het hoofd, en gingen naar Jeruzalem terug met blijdschap, want de HERE had hen verblijd over hun vijanden.
    28 Zij kwamen te Jeruzalem, naar het huis des HEREN, met harpen, citers en trompetten.

Ook bij die gelegenheid werd daarom op de bazuin geblazen.

Dat de strijd van Israël de strijd is van de HEERE wordt wel heel duidelijk bij de inname van Jericho. Op bevel van de HEERE moesten zij zeven dagen lang om de stad heen trekken. Daarbij liepen de priesters voorop, die de bazuinen bliezen, Joz. 6: 8 en 9

    8 Zodra Jozua tot het volk gesproken had, trokken de zeven priesters, die de zeven ramshorens voor het aangezicht des HEREN droegen, voort en bliezen op de horens, terwijl de ark van het verbond des HEREN hen volgde.
    9 En de gewapenden gingen voor de priesters uit, die de horens bliezen, en de achterhoede kwam achter de ark aan, terwijl er voortdurend op de hoorn geblazen werd.

Maar het volk moest zich op bevel van Jozua stil houden, Joz.6:10

    Jozua nu had het volk bevolen: Gij zult niet juichen en uw stem niet laten horen, ja, laat er geen woord uit uw mond uitgaan tot op de dag, dat ik u zeg: Juicht! Dan moet gij juichen.

De bazuin is het strijdsignaal van de HEERE – het is namelijk zijn strijd, zijn gericht over de Kanaänieten. Dat moest met kracht aan iedereen duidelijk gemaakt worden doordat die grote menigte van de Israëlieten zonder één woord te zeggen dag in dag uit om de stad heen trokken.
Door het geloof van Israël zijn toen de muren van Jericho gevallen. Immers, zij moesten tenslotte de overwinningsroep aanheffen vóór er nog maar iets te zien was van Gods ingrijpen. Pas op dat gejuich vallen de muren, die brede sterke muren, en ligt de stad open!

Volgende week hoop ik er verder op in te gaan wat dit alles voor ons betekent, nu de HEERE ons blijft oproepen om te strijden de goede strijd van het geloof. En dan vooral over de vraag hoe wij tot die strijd bekwaamd worden, namelijk in de kerk door de bediening van de verzoening en hoe wij die strijd alleen aan kunnen in de gemeenschap der heiligen.