Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

De jaren zestig (1)

Jaargang: 
2
Datum: 
09 jan. 2008
Nummer: 
1
Schrijver: 
Ad.J. Koekkoek
ID:
208


‘Degenen die God naar zijn voornemen roept tot de gemeenschap met zijn Zoon, onze Here Jezus Christus, en door de Heilige Geest opnieuw geboren doet worden, verlost Hij wel van de tirannie en slavernij van de zonde. Maar Hij verlost hen in dit leven niet helemaal van het vlees en het lichaam der zonde.’
Zo begint het vijfde hoofdstuk van de Dordtse Leerregels. Dat is het hoofdstuk waarin de leer wordt uiteengezet ‘dat de ware gelovigen en heiligen zullen volharden en daar zeker van mogen zijn ...’ Deze leer, lezen we verder, heeft de kerk, ‘de bruid van Christus ... altijd als een schat van oneindige waarde innig liefgehad en standvastig verdedigd.’ Want hierin is de zekerheid verwoord dat Christus zich zijn schapen niet laat ontroven (Joh. 10:28). Daarom kunnen we ook vrijmoedig belijden dat de Kerk er zal zijn tot het einde toe (Nederlandse Geloofsbelijdenis, Art. 27).
Maar zomin als de gelovigen individueel in dit leven ooit volledig vrij zijn van ongerechtigheid, zomin is de kerk ooit zonder vlek of rimpel. Ook zij blijft de gebreken vertonen van het vlees en het lichaam der zonde. Dat is vandaag zo, en het is nooit anders geweest.

Grensbewaking

Ook na de Vrijmaking van 1944 bleef ‘het vlees en het lichaam der zonde’. De vragen rond de leer van het Verbond die mede aanleiding waren tot het conflict in de jaren veertig, kwamen terug in de vorm van vragen rond de Kerk, het volk van het Nieuwe Verbond. Daarbij ging het niet meer over de status van de kinderen in het Verbond, maar over de houding tegenover gemeenschappen die het Verbond hadden verlaten en eigen wegen waren ingeslagen. De vraag naar waarachtig kerk-zijn was in geding. Het vasthouden aan Christus’ regering moest worden verdedigd tegenover de compromisbereidheid van mensen en tegenover de drang, niet alleen op de Here te vertrouwen in zijn kerkregering, maar het heft zelf in handen te nemen.
Gods volk vertoont alle eeuwen door de blijkbaar onuitroeibare drang de bijzondere plaats die het gekregen heeft, te gaan minachten en liever te willen zijn als alle andere volken. Die neiging valt al waar te nemen bij het oude Verbondsvolk, Israël. Een bekend voorbeeld is het verlangen van het volk naar een koning, in de tijd van Samuël. Kennelijk deugden hierbij de motieven niet. Het was een werelds verlangen, de grenzen uit te wissen of minstens te vervagen. In I Samuël 8:6-9, waar we lezen over het oordeel van de Here, wordt eraan herinnerd dat het volk sinds de verlossing uit Egypte niet anders heeft gedaan dan zich afkeren van de God van hun verlossing. En het zou dat ook later weer doen, en zo zijn ondergang tegemoet gaan.
Na de vrijmaking van de Gereformeerde Kerken van 1944 zien we een soortgelijk verlangen telkens weer de kop opsteken. In eerdere artikelen hebben we al geschreven over de B.A. Bos-actie, eind jaren veertig. Deze verstoorde de eensgezindheid door aan te dringen op hereniging met de synodaal geworden kerken, zonder dat daar iets van bekering merkbaar was.
Ook in de jaren vijftig was deze drang telkens weer merkbaar. Van de interne spanningen die dit opriep, werd iets zichtbaar rond de vrijmaking van Prof. Dr. K.J. Popma (1903-1986).

De Vrijmaking van Prof. Dr. K.J. Popma

In 1957 verscheen van K.J. Popma de brochure Vrijmaking. Een getuigenis. Uit deze brochure wordt duidelijk hoe iemand ‘vrijgemaakt’ kan ‘worden’ als een zuiver persoonlijke daad, terwijl hij aan de Vrijmaking als kerkhistorisch feit, waardoor Christus zijn kerk bewaarde, in wezen vreemd is gebleven.
Wie dit getuigenis leest, komt beslist wel rake opmerkingen tegen. Maar de enkele waardevolle opmerkingen wegen niet op tegen de veelheid van misverstanden, onjuistheden en kwaadaardigheden die Popma in zijn brochure over zijn ‘nieuwe kerkelijke omgeving’ uitstort. Het merkwaardige is dan ook, dat dit ‘getuigenis’ en de daarop volgende ‘overkomst’ van Prof. Popma in de kerken zo’n warm welkom kreeg. Rudolf van Reest vertelt daar het een en ander over in De Braambos, I, 155-162. Ook over de teleurstelling die Prof. (toen nog Ds.) J. Kamphuis in De Reformatie verwoordde:

    Het heeft ons alleen verbaasd dat zo weinigen zich ‘geraakt’ getoond hebben, toen ze over een brochure gingen schrijven waarin niet recht van de kerk Gods gesproken wordt. Zal dat óók zo onder ons gaan, wanneer men een volgende keer eens de maagdelijke geboorte van onze Zaligmaker op de korrel nemen gaat? En weer een ander met ‘fijne humor’ de leer der uitverkiezing in een veelheid van misverstanden kraakt? En een volgende zijn speelse opmerkingen ten beste geeft over de waarachtige godheid van de Heilige Geest. Of is alleen bij het geloofsartikel van de kerk alles geoorloofd?

En Ds. H. Knoop liet in datzelfde weekblad zien ‘hoe een geleerd man als Popma met al zijn filosofische wetenschap in een hoogst gewichtige keus als het zich begeven onder opzicht en tucht van de kerk des Heren, in de leer had kunnen gaan bij een der allereenvoudigsten, die van wijsbegeerte geen verstand had maar geleid werd door de wijsheid die de Heilige Geest schenken wil.’ Hij vertelt dan het volgende:

    Enige tijd geleden richtte een oude vrouw zich met een brief tot een kerkeraad van een vrijgemaakte kerk in ons land. Het was een uitvoerige, diep ontroerende brief van een kind van God in boetekleed. Ze schreef over de schuld waaronder zij gebukt ging, een ondragelijke schuld. Want zij had zich jarenlang verzet tegen de vrijmaking van de bovenschriftuurlijke binding en de ongoddelijke vonnissen in de synodaal-gereformeerde kerk waartoe zij behoorde. Die schuld beleed zij aan de kerkeraad van die vrijgemaakte kerk. En zij voegde er de smeking aan toe: ik wil mij zo heel graag stellen onder uw opzicht en tucht; wijs mij a.u.b. niet af, al heb ik dat dubbel en dwars verdiend. Want: ik heb God op ’t hoogste misdaan, ik ben van ’t heilspoor afgegaan. Schuldbesef, boete en berouw dreven haar. En méér had ze niet te zeggen.
    Na een samenspreking met een deputatie uit de kerkeraad besloot deze, diep onder de indruk van wat zijn afgevaardigden gerapporteerd hadden, op hun advies aan haar dringend verzoek te voldoen, met grote blijdschap en dankbaarheid aan de Here.
    In het kerkeraadsverslag stond een enkele regel: onder opzicht en tucht van de kerkeraad heeft zich gesteld zuster die en die. Méér niet ... Ván haar geen bazuinen en vóór haar geen bazuinen, als u weet wat ik bedoel. Het kwam zó stil als de dauw in april...

In 1965 keerde Prof. Popma terug naar de Gereformeerde Kerken (synodaal).
Dergelijke discussies maakten duidelijk hoezeer de waarheid die wij belijden met betrekking tot de kerk, toen al door sommigen werd veracht.

Een kerk als alle andere

In de jaren zestig, waar we nu over gaan schrijven, kwam het tot een confrontatie die de hele kerkgemeenschap beroerde en de onvermijdelijke schifting bracht. De Open Brief aan de Tehuis-gemeente in Groningen uit 1966 speelde hierbij een centrale rol. De kerkelijke vrede werd verbroken, de beleden waarheid in twijfel getrokken.
Het hier geschetste streven om de kerkmuren af te breken, is in die tijd wel getypeerd als oecumenisme.
Met het woord oecumene op zichzelf is niets mis. Het is te gebruiken als aanduiding van de kerk, ‘verbreid en verstrooid over de hele wereld,’ en tegelijkertijd ‘met hart en wil samengevoegd en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof’ (Art. 27 NGB). Maar het wordt vaak misbruikt voor een streven naar eenheid met andere gemeenschappen ten koste van waarheid en recht. En om aan te geven dat dit misbruik wordt bedoeld, wordt er wel een –isme van gemaakt: oecumenisme.
Gelukkig mocht dit oecumenisme in de jaren zestig worden onderkend en afgeweerd. De Gereformeerde Kerken mochten zo bewaard blijven bij het Woord alleen. De vraag waar de kerk was die met recht – en met vreze en beven – die naam mocht dragen, scheen afdoende duidelijk en definitief beantwoord. Scheen. Want inmiddels hebben we moeten meemaken dat de vrijgemaakte Gereformeerde Kerken toch weer een kerk als alle andere wilden te worden.
De jaren zestig kunnen worden getypeerd als de klassieke periode in de geschiedenis van de vrijgemaakte Gereformeerde Kerken. Wie zich in deze periode verdiept, gaat weer zien wat gereformeerd-zijn is in een door modernisme dan wel postmodernisme gestempelde wereld. Die wordt er ook nadrukkelijk mee geconfronteerd, dat wij deze schat in aarden vaten hebben. En hij begrijpt dat wie binnen de Gereformeerde Kerken gereformeerd-àf wil worden, zijn breekijzer allereerst hier ergens tussen zal proberen te krijgen.
In deze periode mochten de kerken bewaard blijven bij het Woord.
In twee opzichten. In de eerste plaats moest front worden gemaakt tegen het streven de belijdenis aan te tasten, door er onderdelen uit los te wrikken of haar als geheel ter discussie te stellen. Ten tweede was er het streven, het samenleven van de kerken naar de normen van de Schrift te ondermijnen, dat moest worden tegengestaan.
In dit en volgende artikelen willen we iets doorgeven over de strijd op deze beide fronten, die in werkelijkheid natuurlijk één front vormen. Want wie de waarheid liefheeft, zal ook de broeders liefhebben. En wie de broeders werkelijk liefheeft, zal bij de waarheid willen blijven.
We beginnen met de aantasting van de gemeenschap der heiligen zoals die ook in de onderhouding van het kerkverband tot uiting komt.

Hulp behoevende kerken én kerkleden

Om goed te begrijpen wat er in de jaren zestig ten aanzien van het kerkverband op het spel stond, keren we nog even terug naar de jaren vijftig. We noteren het een en ander uit een stukje onderwijs dat Prof. Dr. K. Schilder in de laatste maanden van zijn leven gaf. Het begint met zijn artikel ‘Hulpbehoevende kerken’ in De Reformatie (Jg. 27, blz. 152 –3) van 16 februari 1952. Aanleiding was de mededeling van de kerkeraad in de diensten die Schilder op een zondag had bijgewoond, dat zou worden gecollecteerd voor ‘hulpbehoevende kerken’ in de classis.

Toen ik die aankondiging hoorde, dwaalden mijn gedachten even, ik zeg niet “áf”, maar vérder. Ik moest even dóórdenken over dat begrip “hulpbehoevende kerken”. Dat zijn we, vond ik, allemaal. Vandaar ook dat kerkverband, waarvoor de Here Christus gebloed heeft, om het ons als vrijgemaakt weer te geven. ‘t Verband zit nu véél steviger (...) De stevigheid ligt in de vastheid der Kuriospositie van ons verheerlijkt Kerkhoofd.

De voorgangers van die zondag hadden, tegen de gewoonte in, de betreffende kerken met name genoemd. Nu wist Schilder zelf ook wel een paar kerken te noemen die hulp nodig hadden. Niet financieel, maar in geestelijk opzicht. Kerken namelijk, die moeite hadden met besluiten van de laatst gehouden Generale Synode (Kampen, 1951). Die had hen in het ongelijk gesteld tegenover klagers over hun beleid. Nu hadden deze kerken een revisieverzoek aan de volgende synode in het vooruitzicht gesteld. Dat betekende dat voorlopig alles bij het oude bleef. Welnu, opperde Schilder, laten we dan toch een vervroegde generale synode bijeenroepen, die kan oordelen over de moeiten met de genomen besluiten. We kunnen die kerken toch niet nog eens drie jaar laten aanmodderen? En we kunnen die klágers toch niet nóg langer in het ongewisse laten? Want we hebben te zorgen, ‘niet maar dat kerkeraden, maar óók dat kerkleden ondervinden mogen, dat artikel 31, recht verstaan en gebruikt, een weldaad is, van God ons in Christus gegeven.’ (179)
Dit laatste citeren we uit een later nummer van De Reformatie. Er waren namelijk in de kerkelijke pers reacties gekomen op het artikel over hulpbehoevende kerken van Schilder. In de Persschouw van zijn blad ging hij daar op in. Dat leverde een gedachtewisseling op die nog steeds actueel is. In het volgende nummer hoop ik er iets uit door te geven.