Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

[i]Twijfelbare[/i] twijfel... 1

Jaargang: 
3
Datum: 
14 jan. 2009
Nummer: 
1
Schrijver: 
Maarten Dijkstra
ID:
448

Twijfel, wie kent het niet? Twijfel is in. Het Nederlands Dagblad schreef er zelfs een preekwedstrijd voor uit. Twijfel lijkt dus nog net zo actueel te zijn als in de vorige eeuw, toen men grote zorgen had over het voorkomen en de groei van twijfel onder het gereformeerde volk. Nu is twijfel niet iets van de laatste anderhalve eeuw. Gods kinderen hebben sinds de zondeval met aanvechting of twijfel te maken. Wel zit er verandering in de beoordeling van en de omgang met twijfel. Helemaal de laatste 50 jaar. Vanaf de Verlichting, de opkomst van het modernisme en postmodernisme leeft twijfel als nooit te voren. De grote vraag voor ons vandaag is deze: is het geloof een zeker weten en een vast vertrouwen? Of hoort er iets van twijfel bij? Hoe gaat de kerk hier mee om? Is in de kerk Gods Woord veilig? Wordt daar de zekerheid van het geloof gepredikt? En wat is deze zekerheid waard in een wereld waar twijfel haast tot kenmerk en eigenschap van de mens is geworden? Moet déze twijfel ongetwijfeld blijven? Of is het twijfelbare twijfel...

Globale oorzaken van het twijfel-klimaat

H. Bavinck schreef in 1901 al dat twijfelzucht de zielsziekte van onze eeuw is geworden. Twijfelzucht is een sterke neiging tot twijfelen. Met zielsziekte bedoelt Bavinck, dat de twijfelzucht een ziekte van de ziel is geworden. Wat Bavinck toen al zag, is vandaag een epidemie geworden, waarvoor velen dé inenting niet nodig achten... Zo woekert deze ziekte steeds heviger voort vandaag. Het is onderhand een kenmerk van de postmoderne tijd en mens geworden. De gevolgen zijn groot, bij velen ontbreekt het aan een weldadige zielsrust of aan de rust in en van het geloof. Als oorzaken voor de groei van twijfel kunnen we een aantal noemen:
Het denken van de mens is sinds de Verlichting veranderd. Het gewone verstand werd het uitgangspunt en de norm voor verklaring en onderzoek. Alleen wat wij als mens konden begrijpen en beredeneren was waar. Ook het geloof kreeg hier mee te maken. Men maakte zich los van het geloof in het Woord van God. Je toch niet kon geloven in een “openbaring van boven”. En dan ook nog van een God die je niet eens zag! Dat was met het verstand niet te begrijpen. Zo kwam de schriftkritiek op en die heeft velen aan het twijfelen en tot ongeloof gebracht. Verder ging men de christelijke godsdienst zien als gelijk aan alle andere godsdiensten. Hierdoor ontnam men het christendom haar bijzondere plaats en ook haar normatief karakter. Het christendom was niet langer dé weg ten leven, maar een weg. Ze had het niet meer als enige voor het zeggen, maar was één van de religies met een boodschap voor mens en maatschappij.
de 2 wereldoorlogen. Deze hebben veel schade aangericht. Niet alleen materieel. Ook geestelijk hebben ze een verwoesting aangericht. De mensen zijn gaan inzien dat ook de grote verhalen (men bedoelt daarmee de ideologieën en de religies) hebben gefaald. Zij hebben ons niet kunnen behoeden en redden van de oorlogen. Bovendien hebben ze niet een betere wereld gebracht. De mensen gingen zich afvragen of er wel waarheid en recht bestond. Of de godsdiensten wel zo goed waren als ze zich voordeden. Kortom, men ging twijfelen aan zowat alles.
de gejaagdheid van ons moderne leven. Het geeft ons haast geen tijd om het geloof te overdenken. Om te bidden en met de dienst aan de Here bezig te zijn.
het relativisme. Overal is wat vóór en wat tegen te zeggen. Zo is de waarheid betrekkelijk en voor een bepaalde tijd en onder bepaalde omstandigheden geldig. Waarheid is niet absoluut, dat wil zeggen: altijd geldig. Zo is ook het christelijk geloof niet meer de enige ware religie. Iedereen wordt zo terug geworpen op zichzelf, op wat hij of zij waarheid vindt. Het gevolg daarvan is ook dat er geen absolute normen en wetten meer zijn, die boven het leven staan en voor ons gelden.
Deze vier factoren hebben een ongezond klimaat gecreëerd. Het is een voedingsbodem voor twijfel en ongeloof. Het heeft de twijfelgeest die er al was, versterkt en doen groeien. Onder invloed van deze factoren zijn velen van hun geloof afgevallen. Men is twijfelmoedig geworden. Velen weten niet meer wat waarheid is. In zo´n wereld leven wij als gelovigen. Elke dag ademen we dezelfde lucht met haar ziektes. We nemen in ons denken, voelen en willen onwillekeurig veel van de wereld over. Hoeveel matheid is er bij ons niet ingeslopen? Is er bij ons nog de zekerheid en de blijdschap van het geloof? Of kijken wij ook met een twijfelend hart naar de Bijbel en naar de kerk? We kunnen wel stellen dat we de afgelopen eeuw in geloofsvastheid niet vooruit, maar eerder achteruit zijn gegaan. Op deze oorzaken komen we later nog terug. We gaan nu eerst zien wat twijfel is.

Twijfel en het functioneren van de mens

Twijfel is het tegendeel van zekerheid. Het is een gebrek aan vastheid van wil of besluit. Het woordenboek noemt verder ook besluiteloosheid. Waar we zeker van zijn, daar twijfelen we niet aan. Dat is voor ons gewoon waar. Als ik vanmorgen de koningin heb gezien, dan ben ik daar zeker van. Niemand krijgt me dan aan het twijfelen, want het is waar omdat ik haar heb gezien. Soms zeggen we ook dat we voelen of iets waar of onwaar is. Dat heeft met een bepaald gevoel te maken. We noemen dat ook wel het waarheidsgevoel, een combinatie van zekerheid met waarheid. Dit waarheidsgevoel heeft met kennis en met gevoel te maken. Dat zijn 2 functies van de menselijke ziel. In alles wat wij als mens doen, functioneren de functies van onze ziel: kennen, willen en voelen. Dit is ook terug te zien in de vraag wat een waar geloof is: een zeker weten (kennis) en een vast vertrouwen (voelen). Geloven is dus niet alleen kennis, of alleen een gevoel. Maar het is een daad van de mens als geheel. Met deze 3 functies heeft God de mens geschapen naar zijn Beeld. Dit beeld bestond uit drie deugden (zie zondag 3 en 12 van de catechismus): Kennis, gerechtigheid en heiligheid. Dit zijn de psychologische functies van de gereformeerde leer van het Beeld van God. Deze functies hebben alles te maken met de drie ambten van de mens: profeet, priester en koning. In de gereformeerde psychologie duidde men de kenfunctie aan met profeet. De wilsfunctie met die van koning en gerechtigheid. En de gevoelsfunctie met priester en heiligheid. Voor verdere uitleg over de menselijke ziel en het Beeld van God, verwijs ik naar 2 boeken van dr. J. Waterink: Ons zieleleven, pag. 14-17 en: De oorspronk en het wezen van de ziel, pag. 131-133.
Wanneer wij als mens iets doen, dan worden alle functies daarbij ingeschakeld. Ook alle deugden. We doen dit bovendien in ons Ambt aller gelovigen: als profeet, priester en koning. Al deze functies, deugden en ambten treden tegelijkertijd op. Wel kan er op één een grotere nadruk liggen. Zo zijn wij helemaal, naar lichaam en ziel, in kennis, wil en gevoel, betrokken bij de dienst aan de Here. Als de zekerheid van ons geloof nu plaats maakt voor twijfel, dan is de hele mens daar bij betrokken! Dan gaat het dus niet alleen om een stukje kennis dat we niet meer geloven, of om een gevoel dat er niet meer is! We moeten juist de functies van de ziel, onze deugden en ambten bij elkaar houden. We zijn immers niet één van deze dingen afzonderlijk, maar alles hoort bij elkaar. We zijn immers als Beeld van God geschapen. Daarom raakt twijfel de hele mens en heeft het grote gevolgen voor het geloof en de uitoefening van onze ambten! Zekerheid is dus van groot belang.

Zekerheid en waarheid

Zekerheid kunnen we krijgen door te denken (bijv. 1+1 = 2), maar ook door waarneming.
Als we nu een bepaalde zekerheid hebben bij iets, is dat een zekerheid van de mens als geheel. Toen ik de koningin zag had ik een grote zekerheid dat zij het was. Ik was overtuigd van de waarheid dat ik haar had gezien. Deze zekerheid en waarheid gelden ook als bewijs. Je kunt immers getuigen van iets dat je hebt waargenomen. Zelfs voor de rechter kun je hierom tot getuige worden opgeroepen, als je bijvoorbeeld een inbraak hebt gezien. Dat we zekerheid kunnen krijgen, die vast staat als waarheid, door te denken en waar te nemen, zien we ook in de Bijbel terug. Wat de discipelen hebben waargenomen, delen zij ons mee, geïnspireerd door de Heilige Geest:

    “Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze (eigen) ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens – het leven toch is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons geopenbaard is – hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben.”

(1 Joh. 1:1-3). Wat de apostelen hebben gezien met eigen ogen, gehoord en getast, geldt als een zekerheid en een waarheid. Als een bewijs dat het echt gebeurd is. Ze hebben ervan getuigd! Deze zekerheid wil Johannes verkondigen. Maar ook Petrus spreekt hierover:

    “Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit. ... En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren. En wij achten het profetische woord (daarom) des te vaster, en gij doet wèl, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten.”

(2 Petr. 1:16, 18, 19). Dáárom, zegt Petrus, is het profetische Woord des te vaster. Het zijn feiten! Deze waarnemingen gaan vergezeld met de grootste zekerheid en een betrouwbare waarheid. De apostelen waren volkomen zeker van hun zaak. Hier kunnen wij veel van leren. De apostelen hébben de opgestane Here gezien, dus Hij is opgestaan! Ze hebben het bovendien te boek gesteld voor ons, onfeilbaar geïnspireerd door de Heilige Geest, opdat het ook voor ons vast en zeker zou zijn. Dit moet echter wél door ons geloofd worden (vgl. Hebr. 11:1 en 2). Hier komen we later nog op terug. Maar als we nu eens niet zo zeker zijn? Wat is twijfel nu precies?

Wezen van twijfel

Twijfel ontstaat als de zekerheid, die we hebben, een klap krijgt. We zijn dan niet zo zeker meer of misschien wel niet meer zo overtuigd van de waarheid. We gaan twijfelen en worden besluiteloos. We hebben geen vaste wil meer. We hinken op 2 benen. Moeten we nu links of rechts? Twijfel kan opkomen als wij niet kunnen uitmaken wat waar is, omdat de gronden en tegengronden in evenwicht zijn. Als er bijvoorbeeld goede argumenten voor een bepaalde stelling zijn, maar net zulke goede argumenten tegen. Dit kan ook met een bepaalde mening zo zijn. Als het jouw mening is dat catechisatie om 20.00 uur begint, maar een andere catechisant maakt met goede argumenten duidelijk dat het om 20.30 uur start, kun je gaan twijfelen omdat de argumenten in evenwicht zijn. Zo is ook de kennis van het geloof voor twijfel vatbaar. Dit is misschien wel het meest betwijfelde terrein. We hebben allemaal met twijfel of aanvechtingen te maken. Dit komt omdat ons verstand verduisterd is door de zonde en het ongeloof. We zien de zaken niet helder, niet meer vanuit het Licht. Mensen hechten bijvoorbeeld geloof aan onwaarheden die hen aannemelijker lijken dan de waarheid. Een voorbeeld? Men wil niet geloven dat de slang in het paradijs echt gesproken heeft. Dat zou niet kunnen volgens ons denken, want een slang kan niet spreken. Zo is voor hen dit argument van grotere waarde dan het argument dat de Bijbel Gods onfeilbare Woord is, waarin geen fouten en tegenstrijdigheden staan. Zo komen veel mensen tot twijfel en ongeloof. Twijfel is een macht die het geloof ondermijnt. Het neemt de vrede van de ziel weg en de mens verliest zijn vastheid. Hij wordt heen en weer geworpen (Jakobus 1:6).

Volgende week gaan we, zo de Here wil, ongetwijfeld verder. We zullen dan kijken naar verschillende soorten twijfel. Verder gaan we de gevolgen van twijfel onder de loep nemen. Ook wat de gevolgen van twijfel voor de zekerheid van het geloof zijn. We zullen volgende week ook kijken wat oorzaken van twijfel in je eigen leven kunnen zijn en we laten Gods Woord ‘spreken’.
Ter afsluiting van dit eerste deel wil ik je nog wijzen op 2 Petrus 1:12-21 en Romeinen 8:31-39. Lees dit eens en zing (samen) ook eens Psalm 55:9:
Werpt op de Here al uw zorgen:
Uw leven is bij Hem geborgen.
Hij zal de zijnen staande houden.
Hij die u schraagt, uw leven draagt,
Laat nimmer toe, wat men ook doe,
Dat wie Hem vrezen WANKLEN zouden