Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Hoe komen sommigen ertoe ...?

Jaargang: 
1
Datum: 
18 apr. 2007
Nummer: 
15
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
74


    Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u er toe te zeggen, dat er geen opstanding van de doden is? Indien er geen opstanding van de doden is, dan is ook Christus niet opgewekt.
    1 Korintiërs 15:12-13

De tijden veranderen, maar de duivel blijft dezelfde. Zoals hij in de tijd van Paulus probeerde de gemeente haar Christus te ontnemen, zo doet hij het vandaag nog. Ik herinner mij dat indertijd (het was in 1972) Godfried Bomans op TV br. P. Jongeling interviewde. Uiteindelijk kwam de vraag naar voren: gelooft u in een lichamelijke opstanding van de doden? Die vraag was toen bijzonder actueel, omdat prof. Kuitert gezegd had dat hij het zich niet kon voorstellen, dat de doden weer uit de graven zouden komen en dat hij er daarom ook niet in geloofde. Br. Jongeling beleed in antwoord op die vraag heel duidelijk: ja, anders was Christus ook niet opgewekt en dan zouden wij de ellendigste van alle mensen zijn! Daarop bleef het even stil – Bomans moest die vrijmoedige geloofsbelijdenis verwerken!
Dat was dus in de dagen van Paulus ook al zo. Er waren toen ook al mensen die zeiden, dat er geen opstanding van de doden is. Paulus zegt: sommigen onder u zeggen dat. Het zijn dus nota bene mensen in de gemeente van Korinte. Zij staan onder de invloed van de Grieks-heidense wereld. De gedachte aan de wederopstanding van de doden was daar iets totaal ongerijmds. Zij hebben er Paulus hartelijk om uitgelachen, de wijsgeren op de Areopagus in Athene. Zij noemden het lichaam de gevangenis van de ziel. Op de ziel immers komt het aan! En dat lichaam kan dus vergaan, dat wordt niet meer levend.
Dat was dus de gedachte van de heidenen. En die was dus zelfs doorgedrongen in de gemeente te Korinte.
Er is niets nieuws onder de zon. Want de moderne theologen van deze tijd kunnen niet geloven aan een opstanding van de doden. Immers, zo zeggen zij: de hemel en de hel zijn werkelijkheden van dìt leven. Ze spreken dan over het ‘hier en NUmaals’ in plaats van over het ‘hierNAmaals’.
Dat is nog steeds de achtergrond, de beweegreden, het fundament, van zoveel programma’s en plannen van de politieke partijen en het kabinet.
Maar Die in de hemel woont, lacht. De HEERE spreekt door Paulus: als er geen opstanding van de doden is, dan is ook Christus niet opgewekt.
Immers, de opstanding van Christus is maar een begin. Er is tussen Christus en de zijnen een onverbreekbare betrekking. De Heilige Geest woont in Hem als het Hoofd en in ons als zijn leden. Zou de HEERE alleen het Hoofd opwekken uit de dood, maar zou Hij de leden onder de macht van de dood laten blijven? Als dat zo was, zou het verlossingswerk van Christus maar stukwerk zijn.
Maar het is zo, dat heel het werk van Christus staat of valt met de opstanding van de zijnen. Als Hij zijn volk niet lichamelijk brengt tot de heerlijkheid, dan kan hij niet de Zaligmaker zijn. Want òf de duivel òf Christus moeten alles hebben wat voor onze zaligheid, voor onze totale verlossing naar lichaam en ziel, in tijd en eeuwigheid, nodig is. Eén van beide moet volkomen overwinnen!
Dàt staat op het spel, wanneer er mensen zijn, die niet meer zeggen te kunnen geloven in een opstanding van de doden. Het hele verlossingswerk van Christus valt daarmee weg. En dat betekent dat de mens zichzelf moet verlossen. En wat dan onze vooruitzichten zijn is heel duidelijk beschreven in het boek Prediker: alles is ijdel, er is niets nieuws onder de zon. De ellende en de ongerechtigheid blijven. De hele wereldgeschiedenis, ook de geschiedenis van ons eigen land en volk, is daar een duidelijke illustratie van.
Zo zien wij dat het een met het ander samenhangt. Immers, men gelooft toch al niet meer in het verlossingswerk van Christus? Men is er toch op uit zelf de wereld en de mens en zichzelf te verlossen!
Hoe staat het onder ons met het geloof in de opstanding van de doden? O zeker, niemand zal de dwaalleer bijvallen, die zegt dat er geen opstanding van de doden is. Maar léven wij ook echt uit de troost van de opstanding van de doden? Of gaan onze gedachten alleen maar over de zaligheid van de ziel na dit leven? Zou toch nog steeds iets doorwerken van die heidense dwaling, dat het toch aankomt op de ziel en dat het lichaam maar eigenlijk niet zoveel toe doet?
Als dat zo is, dan zijn wij niet ver af van die mensen, die denken dat zijzelf het leven moeten verlossen. Die voor de verlossing van deze samenleving niet echt rekenen met de HEERE.
Daartegen waarschuwt de HEERE. Wij moeten àl onze welvaart zoeken alleen bij Christus. Nergens anders. Ook de welvaart van ons lichaam. Ook onze financiële welvaart. Onze voorspoed in ons huwelijksleven, in ons gezin, in ons werk, in onze omgang met elkaar in de tijd van de jeugd, in onze ontspanning – alleen door de verlossing van Christus. Elke dag opnieuw moeten wij er ons voor wachten eigen gekozen wegen te gaan. Want dat zijn dan altijd weer de gemakkelijkste wegen en beslist niet het smalle pad. Elke dag weer moeten wij uit het geloof Hem navolgen, de Here Jezus Christus, zelfs buiten de legerplaats zijn smaad dragen.
Want de HEERE wil het hele leven verlossen van het verderf.
Niet alleen de ziel. Ook het lichaam. Ook het leven in deze wereld. Niet alleen het geestelijke, maar ook het lichamelijke bestaan van de mens was een pronkstuk van Gods schepping.
Daarom blijven wij verwachten de opstanding van de doden. Heel de schepping zucht er om. Want de schepping is nog steeds aan die ijdelheid, die vruchteloosheid van de zelfverlossing, onderworpen. Daarom ziet zij reikhalzend uit naar de totale verlossing. Naar de dag dat de kinderen van God zullen worden verheerlijkt.
Wij mogen weten dat die dag komt. Want Jezus Christus is waarlijk opgestaan!