Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

De HERE zal Zijn kerk nóg verkiezen

Jaargang: 
5
Datum: 
12 jan. 2011
Nummer: 
1
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
772
Rubriek: 

Nu we aan het begin staan van een nieuw jaar des HEREN is het goed om ons uitgangspunt te nemen bij Gods Woord. Want van Hem mag onze verwachting zijn, op Hem mag onze hoop zijn ook voor 2011. Dit hoofdartikel maakt gebruik van de preek die op de bidstond voor de laatste generale synode is gehouden. Woorden die ons ook nu tot bemoediging zijn bij de aanvang van een nieuw jaar waarin de HERE ons weer de nodige taken geeft ten behoeve van de voortgang van Zijn kerkvergaderend werk

    Zach. 2: 1-5
    1En ik sloeg mijn ogen op en ik zag toe, en zie, een man met een meetsnoer in de hand. 2Toen vroeg ik: Waar gaat gij heen? En hij antwoordde mij: Ik ga Jeruzalem opmeten en zien hoe groot zijn breedte en lengte zal zijn. 3En zie, toen de engel die met mij sprak, naar voren trad, ging een andere engel hem tegemoet, tot wie hij zeide: 4Snel heen, spreek tot die jongeling: als een open plaats zal Jeruzalem daar liggen vanwege de menigte van mensen en vee daarin. 5En Ik zelf, luidt het woord des HEREN, zal haar een vurige muur zijn rondom, en heerlijkheid binnen in haar.

Wat zijn onze verwachtingen of misschien zelfs onze ‘berekeningen’ voor het jaar 2011? Met betrekking tot de kerk zouden we ons heen en weer geslingerd kunnen voelen. Enerzijds zijn er tekenen van enige uittocht door verontrusten uit de GKv. Anderzijds worden we geconfronteerd met afscheidingen en de vorming van een apart kerkverband, dat eerder verwijdering dan toenadering zoekt. En hoe staat het met de kerk van Dalfsen? Of verder weg: hoe zal het onze zusterkerk in Canada vergaan? Zullen daar nog meer vrijmakingen volgen?

Waardoor laten wij ons leiden in ons verwachtingspatroon? En hoe bepaalt die verwachting ons leven en werken in en voor de kerk en ons spreken over de kerk?
Wat heeft dat voor invloed op ons bidden tot de HERE? Zijn we dankbaar en aanvaarden we alles wat Hij op onze weg plaatst en alles wat Hij ons daarvoor te doen geeft? Treden we zo het nieuwe jaar tegemoet? In afhankelijkheid van Hem en in dankbaarheid tot Hem? Of zijn we ook naar de HERE toe ontevreden? Vinden we soms dat Hij ons niet gegeven heeft, wat we hadden verwacht bij onze vrijmaking? Wij willen dit alles overdenken aan de hand van Zacharia 2: 1-5

Ik ben in grote ijver ontbrand

Zacharia 2: 1-5 bevat het derde van de acht visioenen die de profeet Zacharia kreeg. Ze hebben allen één overkoepelend thema: het werk van de HERE aan Zijn kerk in een tijd waarin alle schijn tegen was. Met deze visioenen moest Zacharia Gods volk dat uit de ballingschap was teruggekeerd, namens de HERE bemoedigen en vermanen.

Dat hadden ze ook hard nodig. Ze waren dan wel teruggekeerd onder koning Kores. Die had hen laten gaan met Gods opdracht om Zijn tempel te herbouwen. Maar wat was er van die opdracht eigenlijk terecht gekomen? De muren van Jeruzalem waren nog niet herbouwd. En na het leggen van het fundament van de tempel was de bouw al weer gestopt. Er was veel tegenstand van buitenaf van de vijandige bevolking. Er was ook weinig enthousiasme en inzet onder het kerkvolk zelf. Men vond eigenlijk deze tempel maar niets worden in vergelijking met de eens zo mooie tempel van Salomo. En wat voor een mogelijkheden hadden ze eigenlijk om de herbouw van deze tempel tot een goed einde te brengen? Zo ontstond er moedeloosheid en matheid.

In die situatie zendt de HERE Zijn profeten Haggai en Zacharia met Zijn vertroostend Woord. De HERE laat Zijn kerk niet in de steek! Hij laat haar niet aan haar lot over. Integendeel! Hij werkt verder. Deze visioenen over het werk van de HERE kennen een onderling verband. Elk visioen gaat weer een stapje verder en werkt een gedachte uit van het voorafgaande visioen.

In het eerste visioen (Zach. 1:7-17) geeft de HERE aan dat Hij Zelf in ijver ontbrand is, en dat Hij vol liefde is voor Zijn kerk. Hoewel alle schijn tegen is, gaat de HERE wel degelijk door met de komst van Zijn Rijk, de komst van de Christus en de voortgang van Zijn Kerk.
De HERE garandeert de bouw van Zijn Huis.

Dat de HERE daarvoor de mogelijkheden heeft gegeven horen we in tweede visioen(Zach. 1: 18-21). Zowel de straf van de ballingschap als de verlossing daaruit waren toch door de HERE bewerkt. Eerst was Gods straf gekomen, gesymboliseerd door vier hoornen die de kracht van antichristelijke machten aangeven, komende uit de vier windstreken van de aarde. Ze verstrooiden de kerk in de ballingschap. Door die vier hoornen tuchtigde de HERE Zijn afvallige volk, zodat ze zich zouden bekeren en weer de wegen van de HERE zouden bewandelen

Maar het is dan ook weer de HERE, die uitredding geeft uit het gericht van Hem. Want die vier hoornen werden vervolgens weer door de HERE onschadelijk gemaakt via vier smeden, die de hoornen verpletterden. Zo gaf de HERE in Zijn goedheid weer ruimte aan het overblijfsel van Zijn volk, dat zich had bekeerd en weer trouw de HERE wilde gaan dienen. In die weg van loutering en vervolgens bewaring, zou de HERE Sion troosten en Jeruzalem nog verkiezen (vers 1:17).
Al wat de kerk overkomt staat dus onder de regie van de HERE! Ook al is dat ons niet altijd duidelijk en ook al zien we dat niet altijd. Hij gaat verder met Zijn kerk. Soms door gericht heen.

Waar gaat gij heen?

Hoe bewerkt de HERE Zijn verlossing dan verder? Wat mocht Israël daarvan verwachten? Zou de kerk kunnen standhouden en zou er bloei en groei mogen zijn? Dat wil de HERE nu met het derde visioen duidelijk maken. Hierin ziet Zacharia een jonge man met een meetsnoer, die iets gaat opmeten. Maar wat en waar?
Het antwoord had de man klaar: Hij zou gaan opmeten hoe groot de kerkstad Jeruzalem wel niet zal gaan worden. Dat was op het moment dat Zacharia zijn visioen had echt nog niet bekend. Het was toen een onzekere tijd. De muren waren nog niet gebouwd. En het kerkvolk was als overblijfsel nog steeds erg klein.
Het leek wel een goede zaak een plan voor de toekomst te hebben. En de omvang te bezien. Om te zien waar de muren dan zouden moeten worden geplaatst. Het enthousiasme van deze jonge man is duidelijk: we moeten ons sterk maken en hoe groter hoe beter. En wie zal hem geen ongelijk geven?

Maar een engel moet deze jongeman corrigeren, want hij houdt geen rekening met de plannen van God, omdat hij ze eenvoudigweg niet kent. Hij mag dan een positieve instelling hebben, jeugdig enthousiasme voor Gods zaak, of misschien doet hij het uit angst voor de vijand, maar de HERE Zelf heeft veel grotere plannen met Zijn kerk: man, berg die meetsnoeren maar op, want Mijn volk zal veel te groot worden om alleen binnen de muren van Jeruzalem te passen.
Het heil zal straks een ménigte van volken bereiken naar de belofte aan Abraham gedaan!

De HERE zal Zijn beloften van Zijn verbond waarmaken. Hij zal door de komst van Christus de scheidsmuur weghalen tussen de joden en heidenen. Zo zal Hij komen door Christus' Geest tot Zijn kerk over de hele aarde. God wil uiteindelijk door het overwinnende Woord van Christus komen tot het volle getal van alle uitverkorenen, de schare die niemand tellen kan in het nieuwe Jeruzalem.

Meetsnoeren opbergen

De jongeman wil berekenen hoe groot het zal worden, zonder dat hij voldoende met deze raad van God rekent. Dat is ook voor ons een les: wij moeten niet zien naar wat voor handen is, door de omvang van Gods kerkvergaderend te willen zien in een uitbreiding op kortere termijn.
We zullen ons zeker niet oecumenistisch mogen richten naar allen die zich christen noemen. Door onze muren maar wat aan te passen. Zoals het streven van de nationale synode. We zullen ook geen zogenaamde kleine oecumene na moeten streven om toch nog iets voor te stellen.
En we zullen ook zeker niet somber moeten zijn bij een slinkende kerk.
Want de HERE Zelf gaat Zijn meetsnoeren aanleggen naar Zijn raad en naar Zijn beloften. Vaak gaat Hij daarbij wel van het ene overblijfsel naar het andere. Zo heeft Hij dat in de kerkgeschiedenis steeds gedaan. Zo doet Hij dat nog.
Laten wij daarom ook maar onze kerkelijke meetsnoeren opbergen, door Hem te volgen en het alleen van Hem te verwachten. Met stellige verwachtingen over mogelijke groei door toekomstige overstap van verontrusten vermoeien we de HERE. Dan lopen we Hem voor de voeten. Want bij tegenvallende ontwikkelingen richt zich onze teleurstelling dan tegen het kerkvergaderend werk van de HERE Zelf. Dan zouden we zomaar als Elia de moed kunnen opgeven.
Laten we liever ons oog geslagen houden op onze Leidsman, zonder de vervulling van de beloften als een Jacob naar ons toe te willen trekken.

Daarom: weg met die menselijke meetsnoeren. Maar wel opzien naar de HERE: HERE, als U ons wilt inschakelen bij de komst van Uw Rijk, bij de bewaring van uw Kerk, geef dan toch dat wij daarin U trouw willen blijven volgen. Want we mogen hier zeker van zijn: Uw koninkrijk komt!
Het nieuwe Jeruzalem komt. Ja, het is al komende. En er is al een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen (Hebr. 12: 23).
Straks als de Here Jezus terugkomt is er geen meten aan!

Als een open plaats

De HERE heeft Zijn plan klaar. Hij werkte ook na de ballingschap door een zeer moeizame en dorre periode van kerkgeschiedenis met vaste Hand naar de komst van de Christus. En vervolgens gaat het vandaag ook van lijden naar heerlijkheid op de dag van Zijn wéderkomst. Hoeveel tijd de HERE daarvoor nog neemt, weten wij niet. Maar Hij komt pas als het getal van de uitverkorenen vol is. Maar dat alles betekent niet dat we ons niet laten inschakelen. De Israëlieten in Jeruzalem mochten ook niet zeggen tegen de achterblijvers in Babel, blijf daar maar, want hier is het toch ook maar armzalig. Nee, ze hoorden de HERE zeggen in Zach. 2: 6 en 7:

    Op, op! Vlucht uit het Noorderland, Op, redt u naar Sion, gij die woont bij de dochter van Babel

De HERE zorgt Zelf voor de voorwaarden waaronder Zijn kerk een ark van behoud is en blijft. Wij zullen ondertussen wel naar dat adres moeten blijven verwijzen. Hoe klein het daar ook is. En hoezeer dat door anderen ook wordt ontmoedigd.

Wij mogen ook nu in Nederland medearbeiders van God zijn in het verbreiden van Zijn heilrijk Woord, dat een ieder in de crisis moet brengen. Ook wij zullen daarbij andere gelovigen moeten oproepen: “Kom ga met ons en doe als wij!”.
Ja, de HERE verkiest nòg Zijn kerk in de wereld, ook in Nederland. Ook nu vermeerdert de HERE zo nog steeds Zijn kerk van alle plaatsen en tijden.

Gods oogappel

De kerkmensen van toen vroegen zich af: Hoe staat het met de kwetsbaarheid van de kerk? Er is zoveel weerstand. En als de muren niet af zijn, en je bent niet groot, word je toch zo onder de voet gelopen. De kerkleden van toen waren snel in de war, snel van hun stuk gebracht bij tegenstand. Hun vertrouwen op de HERE, dat door Hem zo op de proef werd gesteld, wankelde. Maar dan wil de HERE hen in die beproeving ook bemoedigen. Hij wil ook voor de uitkomst zorgen. Door te wijzen op Zichzelf. Niet alleen als de HERE God die allen verkiest en regeert, maar ook als de HERE die daarbij omziet naar Zijn volk. Die Zijn volk beschermt en bewaart. Zijn volk hoefde niet bang te zijn. Ook als Jeruzalem nog niet versterkt en ommuurd was tegen de vijanden.
Zacharia moest met kracht zeggen: zo luidt het Woord des HEREN. Dit zegt nu de HERE Zelf tot de jongeling en met hem tot heel Zijn volk over Jeruzalem, de tempelstad (vers 5):

    Ik Zelf zal haar een vurige muur zijn rondom.

Het is steeds weer de HERE, Die Zelf ervoor zorgt dat het gevaar voor de kerk wordt bedwongen. Denk aan Zijn gerichten over Farao, over de volken van Kanaän, over de Filistijnen. Zo heeft de HERE ook de grote machten die Zijn kerk bevochten in de tijd van Zacharia lam gelegd. Gods kerk is toch Zijn oogappel (vers 8)!
Wat is een oogappel? Dat is het dierbaarste wat iemand heeft. Waar hij alles voor zal doen om dat te beschermen, te bewaren, te koesteren en te verzorgen. Zo noemde de HERE Zijn volk al in het afscheidslied van Mozes (Deut. 32). Zijn oogappel. Daar zullen de volken niet aan mogen komen. Ook niet de volken, die Juda in ballingschap hadden gevoerd. Ook zij moeten afblijven van de rest van de verkiezing, Gods oogappel, het vrouwenzaad. Het volk waaruit de Christus zou voortkomen.

Daarom verklaart de HERE dat Hij zal zijn als een vurige muur rondom Zijn kerkstad. Een vurige muur. We kennen de vuurkolom die 's nachts bij Israël in de woestijn was en voor het volk uittrok. De HERE was zo een verterend vuur voor Zijn tegenstanders. Hij Zelf brandt van heiligheid en zal een ieder verteren, die Hem Zijn kerk wil ontroven.
Zó zal de HERE nu rondom Zijn kerk staan.

Ik Zelf zal haar een vurige muur zijn rondom

Het zijn niet de mensen die ervoor zorgen dat de kerk bewaard blijft. Wat zijn wij niet teleurgesteld in mensen als het om de kerkgeschiedenis gaat. Ook de recente kerkgeschiedenis. Nee, het is de HERE Zelf, die Zijn kerk steeds weer bewaart. Met Zijn goddelijke macht. Niet alleen tegenover heidenen. Maar ook tegenover afvallige verbondskinderen, die zich tegen de kerk keren.
Wij weten inmiddels dat de HERE Zijn volk na de ballingschap daadwerkelijk wonderlijk heeft bewaard. Zodat de Christus kon komen om Zijn volk definitief te verlossen.

Hoe vergaat het ons? Denken wij ook niet vaak: hoe moet het gaan met de kerk? We zijn zo klein? En hoe blijven we ooit stand houden? Want er zijn al zo velen afgevallen en weggegaan. Van onszelf zijn we ook maar klein en zwak.
Dat laatste is waar, maar wij mogen toch als kerk ook weten: we zijn veilig. Niet vanwege onszelf, maar omdat onze inmiddels gekomen Verlosser en Here nu zit aan de rechterhand van de almachtige Vader. Hij heeft van Hem alle macht gekregen als Hoofd van de kerk. Om haar naar haar einddoel te leiden! Het nieuwe Jeruzalem in al haar volheid, kracht en volmaaktheid. Dáárom en alleen daarom, mag er rust zijn in de kerk die Hem trouw blijft.
Omdat Christus haar bewaart en beschermt. Want de kerk is van Hem. Zij is Zijn oogappel.
En niemand zal haar uit Zijn handen kunnen rukken.

Ik Zelf zal heerlijkheid zijn binnen in haar

Het mag dan straks groots en mooi worden. Ja, daar kun je je inderdaad aan ophalen. Er is hoop op een mooie toekomst. Maar is het dan tot zolang maar niet wat miserabel gesteld met de kerk? Dat mooie straks is nu nog zo ver weg. Wat heb je dan nu? Is de kerk nú dan wel zo mooi? Je hoort tegenwoordig de mensen ook klagen: moet ik me nu bij zo’n kerk aansluiten? Wat voor aantrekkelijks zit daar nu aan? Voel ik me daar dan wel thuis?
Je hoort leden van de GKv hardop zeggen: komen we niet van de regen in de drup? En moeten we deze mensen dan maar geen gelijk geven? Er zijn toch moeiten en er is toch strijd aan te wijzen?
Maar dan moet het antwoord zijn: waardoor wordt nu eigenlijk bepaald of de Kerk Christus aantrekkelijk is? Door haar grootte, door haar omvang? Door haar invloed in deze wereld? Door de erkenning die er van buiten is? Door de toeloop van predikanten? Door de stemming onder de kerkleden? Ja, dat is allemaal niet onbelangrijk, maar is dat bepalend voor de echte rijkdom van de Kerk? Is al dat menselijke werkelijk het criterium voor de glans en glorie van de kerk?
Hoe “miserabel” was dan de kerk ten tijde van de Here Jezus Christus, en van de apostelen! Hoe “miserabel” was dan de kerk van Filadelfia, de kerk van Calvijn en de kerk van de Afscheiding!

Laten we maar zien naar onze tekst. De HERE kent ook de onzekere en snel ontevreden gevoelens van Zijn kinderen. Hij weet dat zij zwak zijn van zichzelf en dat zij steeds weer versterking en bemoediging nodig hebben. Telkens weer opnieuw. Daarom klinkt er in dit visioen nog méér aan bemoediging (vers 5):

    En Ik Zelf, luidt het woord des HEREN, zal haar een vurige muur Zijn rondom en heerlijkheid binnen in haar.

Dat is de climax, het hoogtepunt van dit derde visioen! De HERE Zelf zal met Zijn heerlijkheid in de kerk zijn! Deze laatste woorden slaan niet alleen op de volmaakte kerk, het nieuwe Jeruzalem in haar volkomen staat. Deze belofte geeft niet alleen vreugde over die toekomstige staat. Want ze kent inmiddels wel haar eerste vervulling. Die is er na Kerst met Pinksteren, toen de Geest van Christus als Vredevorst de kerk is gaan vervullen. Toen de Geest van Christus de kerk echt deed worden tot een woonstede van God in de Geest! (Ef. 2: 22) Toen ging de heerlijkheid van God, zoals die zichtbaar is geworden in Christus, in de kerk stralen.

God heeft Zijn heerlijkheid getoond in Christus. Omdat Hij als de eniggeboren Zoon des Vaders vol van genade en waarheid is (Joh.1: 14). En nu woont de Geest van Christus met Zijn heerlijkheid in de kerk van Christus. Zo woont God niet langer achter het voorhangsel. Maar echt te midden van heel Zijn volk.

Jubel en verheug u

Toen dat laatste werd aangekondigd in de tijd van Zacharia was dat zo verblijdend, dat de HERE Zelf hen aanspoort in vers 10:

    Jubel en verheug u gij dochter van Sion!
    want zie Ik kom in uw midden wonen, luidt het woord des HEREN

Zo maakte de HERE aan Zijn kerk van die dagen duidelijk dat alleen Hij de bron is van de ware vreugde binnen de kerk. Zijn heerlijkheid, dat is Zijn openbaring. En die heerlijkheid mogen wij zien met de ogen van het geloof, in Christus, door Zijn Woord en Geest.

Dat is het grote geheim van de aantrekkelijkheid van de kerk ook in deze tijd van druk en miskenning: de heerlijkheid van de HERE Zelf, die Zijn volk haar glans geeft (..).
Want Hij toont ons bij de voortduur Zijn heerlijke barmhartigheid, genade, en liefde en Zijn heiligheid, rechtvaardigheid en majesteit in Zijn Zoon Jezus Christus.

Dat blijft Hij naar Zijn beloften tonen in Zijn kerk ook in 2011. Door middel van de bediening van de verzoening, door middel van de ambtelijke dienst, onder Gods zegen die onbeperkt is voor allen die hem mogen ontvangen. Wat een vreugde mag ons dit ook alle dagen van het nieuwe jaar geven!

Laten we dan vol vertrouwen blijven zien op onze HERE en Leidsman, die aan de rechterhand van God de Vader is gezeten. En zo biddend werken onder Zijn zegen. Als medearbeiders van Hem aan de opbouw, bewaring, en vermeerdering van Zijn kerk. En tot eer van Zijn grote naam.