Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Hemelburgers

Jaargang: 
1
Datum: 
07 feb. 2007
Nummer: 
5
Schrijver: 
Ad.J. Koekkoek
ID:
20
Rubriek: 

Van alle bijbelboeken, zowel die van het Oude als van het Nieuwe Testament, belijden wij in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat zij dienen “om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen” (Artikel 5). In de omgang met de Schrift worden we dan ook altijd weer getroffen door de bijzondere actualiteit van geschiedenissen en boodschappen die zo lang geleden werden opgetekend. We willen met het oog daarop deze keer de geschiedenis van Esther naar voren halen. Het boekje waarin Gods naam niet wordt genoemd, maar waar zijn voorzienigheid op elke bladzij groot staat uitgeschreven. Waar burgers van een wereldrijk hun taak krijgen toebedeeld met het oog op het komende Koninkrijk.
Het boek Esther heeft een grote actualiteit. Hierbij denken we niet zozeer aan de dreiging van totale ondergang voor het Joodse volk. Dan zouden we Hitler kunnen beschouwen als een moderne Haman, die net als hij probeerde dit volk van de aardbodem weg te doen. En er zijn genoeg recente voorbeelden uit de Arabische wereld aan toe te voegen, die duidelijk maken dat Jodenhaat nog springlevend is.
Toch is de Jodenhaat uit de tijd van Esther en die uit onze tijd niet zomaar aan elkaar gelijk te stellen. Daar tussenin ligt de komst van de beloofde Messias, Jezus Christus onze Here. Toen Hij nog niet verschenen was, was alle vijandschap tegen het volk Israël te verklaren uit pogingen van de grote tegenstander, de Satan, om zijn komst te verhinderen. Nu Hij gekomen is, treft het Joodse volk de vreselijke Verbondswraak van de HEERE over de miskenning van zijn Christus. Mensen zijn daarvoor vaak de instrumenten. Tegelijk gaat Hij door om zowel uit dit oude bondsvolk als uit de heidenen zijn uitverkorenen bijeen te brengen. Het grote werk van de kerkvergadering, waar uiteindelijk de hele macht van de boze zich tegen zal verzamelen. De actualiteit van het boek Esther zit dus veel dichter bij huis. Het is nu de kerk, het godsvolk van het nieuwe Verbond, uit Joden en heidenen geroepen, die rekenen moet op vijandschap van de wereld, ja op de volkomen vernietiging, als God het niet zou verhoeden.
Maar nog op een andere manier is dit boek actueel. De Joden die hierin optreden – Mordechai en zijn nichtje Esther, en de Joodse gemeenschap in Susan waarvan zij deel uitmaken - zijn achterblijvers op de kerkweg. Zij hebben de oproep om op te trekken naar Jeruzalem, om stad en tempel te herbouwen, naast zich neergelegd. Hiermee hebben ze het Verbond verloochend. Ze voelden zich kennelijk wel op hun gemak in het rijk van Meden en Perzen. Daar hadden ze zich als vreemdelingen inmiddels een plaats verworven. Ze zijn wereldburgers geworden en maken dankbaar gebruik van de kansen die er liggen. We mogen bijvoorbeeld wel aannemen dat Mordechai goede mogelijkheden zag om invloed in hofkringen uit te oefenen, toen zijn nichtje Hadassa werd meegenomen naar de harem in het koninklijk paleis.
Uit het verdere verloop van de geschiedenis die in het boek Esther is beschreven, weten we dat zulke achterblijvers op de kerkweg, Verbondsverlaters, soms nog wel dingen kunnen doen die ten goede komen aan het volk van God. God gaat soeverein zijn gang, ondanks de zonde van zijn volk, en komt zo tot zijn doel. Maar daarom is hun positie en optreden nog niet ten voorbeeld te stellen. De Verbondsbreuk is niet weg te poetsen.

De kabinetsformatie

Ook in onze dagen zien we kerkverlaters in actie in hun streven naar macht en invloed. De namen van de heren Balkenende, Bos en Rouvoet hebben, in die combinatie, grote vertrouwdheid gekregen. Dit dank zij hun pogingen te komen tot een kabinet met bijbehorend beleid dat op een meerderheid in de Tweede Kamer der Staten Generaal kan rekenen. Oppervlakkig gezien, zou je kunnen denken dat van dit driemanschap nog wel wat positiefs is te verwachten. Dingen die ten goede komen aan het hele Nederlandse volk en speciaal aan Gods volk. Zij hebben immers alle drie ‘gereformeerd’ staan in hun cv, hun curriculum vitae. Dank zij de interviews die in de aanloop naar de verkiezingen van vorig jaar november werden gegeven, zijn daar allerlei nadere bijzonderheden over bekend geworden.
Zo weten we van de heer Balkenende dat hij als minister-president nogal eens de kerkdienst moet verzuimen. Toch erkent hij het belang van de kerk als “een ontmoetingsplaats, waar je een morele sociale spiegel wordt voorgehouden. Kortom, van belang voor reflectie.”
De heer Bos had een hervormde vader en een gereformeerde moeder. Hij schrijft zijn sterke plichtsgevoel toe aan de calvinistische opvoeding die hij heeft gehad. “Bij ons thuis ging het bijna altijd over kerk, politiek, en de derde wereld.”
Met de heer Rouvoet blijven we nog het dichtste bij huis: hij vertegenwoordigt immers nogal wat kiezers met wie we tot voor kort samen naar de kerk gingen. Met Psalm 72 in zijn achterhoofd wil hij vooral een christelijk-sociaal geluid in de politiek laten horen.
Je zou denken: Zo’n driemanschap moet toch iets tot stand kunnen brengen? Zeker wanneer zij besluiten om de levensbeschouwelijke verschillen maar niet al te veel te benadrukken, en de eenheid te zoeken in ... ja, waarin? in het sociale misschien?
Misschien levert dat een tijdelijk succes op. Dat is op het moment dat we schrijven, nog niet te voorzien. Maar of we dan van zegen mogen spreken?
Juist de kerkelijke positie van deze drie bepaalt ons erbij dat de sociale nood in ons land niet het grootste probleem is. Het ergste is de Verbondsverlating, en de geestelijke armoede en desintegratie die daarvan het gevolg zijn.
Boven alle politieke dilemma’s uit moet daarom de oproep blijven klinken om te gaan op de wegen die de Here ons wijst in zijn Woord. Dat blijft de taak van de kerk in de wekelijkse Woordverkondiging en in de dagelijkse levensopenbaring van Gods kinderen. Daarin heeft de priesterlijke bewogenheid met de medemens – het ‘sociale’ – ongetwijfeld een plaats. Maar daarbij mag het profetisch getuigenis niet achterblijven, en evenmin het koninklijk optreden in het maken van de juiste keuzes.

Waar ligt het front?

De geschiedenis van het boek Esther speelt zich af in Susan, de residentie van Ahasveros, de wispelturige heerser van het wereldrijk van Meden en Perzen. Maar het was in werkelijkheid de God van Israël die alles bestuurde met het oog op zijn volk, en de bijzondere taak die Hij dit volk had toebedeeld, namelijk het voortbrengen van zijn Gezalfde.
Want in diezelfde tijd werd in een uithoek van dat wereldrijk van Ahasveros de tempel herbouwd. De residentie van de Here der heerscharen. De plaats die Hij had uitgekozen en waar Hij toen nog steeds zijn naam aan wilde verbinden. Daar lag, leren we uit de Schrift, in die dagen het werkelijke front. Daar ligt het ook, waar in onze dagen aan tempelbouw wordt gedaan. Dat is daar waar de kerk zich weer in alles richt naar het zuivere woord van God.
Niet voor niets stond de eerste generale synode van De Gereformeerde Kerken (hersteld) in het teken van ‘tempelbouw’. Die stond centraal in de prediking aan de vooravond van de opening van de synode. Daarnaar werd herhaaldelijk verwezen in de overdenkingen bij de opening van de zittingen, en ook weer bij de sluiting van de synode. Op deze basis voelen wij ons weer opnieuw met elkaar verbonden.
Dat heeft gevolgen voor onze betrokkenheid bij het politieke bedrijf, en voor onze positie in de wereld in het algemeen. Want, en dat ervaren we allemaal, die keuze voor het Woord alleen roept verzet op. De antithese wordt zichtbaar – de tegenstelling tussen hen die van de wereld zijn en hen die van Christus zijn. De antithese tegenover de wereld om ons heen, maar ook tegenover de achterblijvers op de kerkweg, die een verbond met de wereld hebben gesloten. Want dat is het aangrijpende, dat de antithese door onze Here zelf wordt doorgetrokken binnen de kring van hen die zijn naam op de lippen nemen:

    Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. (Mattheüs 7:21)

Daarom, hoe de politieke toekomst er in Nederland ook uit gaat zien: de harten omhoog! Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen. Wij mogen ons hemelburgers noemen. “De antithese blijft – over heel de linie – zolang er zonde is, en zolang er genade is, zolang er een wet des Heren is, zolang er een God is die geschapen heeft, die uit het diensthuis uitleidt en die door zijn gebod zelf de grenzen trekt.”

Bronnen: Nederlands Dagblad, 20 en 28 oktober 2006; HP/De Tijd, 27 oktober 2006; H.J. Schilder, “Van samenbinding en antithese,” Reformatie stemmen, 7 juni 1945.