Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Gode zij dank: wij moéten dankbaar zijn! (4)

Jaargang: 
1
Datum: 
21 mrt. 2007
Nummer: 
11
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
55

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene. (Rom. 12:1,2)

Genade en wet

In deze 4e aflevering van een serie overdenkingen uit De brief aan de Romeinen, willen we tot een afronding komen.
Wat er aan de orde is, betreft een uiterst essentiële zaak van ons geloof. Het is de verbinding tussen de verlossing in Christus en de heiligmaking door zijn Geest. Het is ook de verbinding tussen belofte en eis van het verbond. In beide is Christus actief. Het is alles zijn werk. Als wij af doen van onze gehoorzaamheid en dankbaarheid, dan doen we dus af van het verlossingswerk van Christus.
Rom. 12:1 geeft het verband aan tussen het evangelie van Gods genade en het evangelie van Gods wet voor ons leven. In alle tijden is op alle mogelijke manieren geprobeerd deze van elkaar te ontkoppelen. We zien dat bij het wetticisme en doperdom, maar ook bij vrijzinnigheid en liberalisme.
Wat Gods Woord hierover spreekt in Romeinen is duidelijke taal.
In de eerdere hoofdstukken is de verhouding tussen Gods genade en zijn wet al uitgebreid aan de orde geweest:

    Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet! (...)
    Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn? Volstrekt niet! (Rom. 6:1,15).

Ook hoofdstuk 12 is hierover onderwijs voor alle tijden. Vol troost en bemoediging, maar ook vol vermaning.

Redelijke eredienst

Wat de HERE van ons vraagt, is het dankoffer van onze levens. Onze priesterdienst aan God. Tot eer van God. Het is eredienst. “Dit is uw redelijke eredienst”. Redelijke betekent niet: eredienst met je verstand. Redelijk is ook niet dat het wel aardig is. Logisch staat er eigenlijk. Dat kan verwijzen naar Gods Woord (Logos), waaruit onze dienst aan God voortkomt. Het kan ook betekenen dat het onze ‘gepaste’ eredienst is. Passend bij de situatie als verloste kinderen. Zo ‘behoort’ u uw lichamen nu te stellen, als logisch gevolg van wat de HERE voor u deed. Zo moet het toch als kinderen van God? Calvijn schrijft in zijn commentaar hierover:

    “want dit is de rechtmatige wijze om God te dienen, die van deze wijze afwijkt zijn verkeerde dienaars. Indien God eerst dan behoorlijk gediend wordt, als wij alle onze werken naar zijn geboden schikken, zo mogen alle gedichte (=verzonnen, eigenwillige, SdM) godsdiensten wijken, welke Hij met recht verfoeit, dewijl (=omdat, SdM) Hij de gehoorzaamheid meer acht dan de offeranden (1 Sam. 15:22)”

Ons offer is geen kwestie van betaling of vergoeding van onze kant. Nee, zegt de Heidelbergse Catechismus in V&A 64: “Het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort”. Het kan niet anders, dat is het moéten van HC zondag 32.

    “Nu wij uit onze ellende, zonder enige verdienste van onze kant, alleen uit genade door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen”.

Het is een verplichting die de HERE door genade in ons bewerkt, onze redelijke eredienst.

Niet gelijkvormig, maar hervormd

Die dienst aan de HERE heeft grote consequenties voor ons leven op aarde. Hij brengt ons direct in de antithese. De antithese is de tegenstelling, de vijandschap tussen de wereld, die in de macht van de boze is, en het koninkrijk der hemelen, waar Christus regeert (1 Joh. 2:15-17;1 Joh. 5:19). Het is de oude strijd tussen slangenzaad en vrouwenzaad (Gen. 3:15). Toen het denken van de lezers in Rome nog volledig beïnvloed was door de overste van deze wereld (Ef.2:2), leefden zij naar het schema van de wereld zonder God. Naar hun eigen begeren (1 Joh. 2:16). Eigenwillige godsdienst, hoogmoed, hebzucht, zelfzucht, hoererij, laster. Maar nu is Christus gekomen en Hij heeft hen verlost uit de macht van deze overste. Nu wil de Geest van Christus in hen wonen, en zullen zij zijn gezindheid moeten aannemen. Dat betekent vernieuwing van hun denken. Een radicale hervorming. Een verandering van nacht naar dag. Deze verandering zal zichtbaar moeten worden in heel hun denken en hun verlangens, maar ook in heel hun gedrag. Het offer dat zij moeten brengen vereist dus een radicale verandering in hun denken. Het was: wat willen de mensen dat wij doen, hoe we ons kleden, waar we ons plezier in stellen? Het moet worden: wat wil de HERE?

Beproeven

In plaats van de gelijkvormigheid aan de wereld zonder God, waarin de zonde heerst, moeten zij komen tot gelijkvormigheid aan het beeld van Christus. Dat is de gezindheid van de Geest, de vernieuwing van hun denken (Rom. 8:6). Door deze vernieuwing moeten zij “erkennen” wat de wil van God is. Erkennen betekent hier iets anders dan dat toestemmen, vaststellen dat het zo is. De statenvertaling heeft hier juister: “beproeven”. Het is op de proef stellen, toetsen, onderscheiden, keuren. Hetzelfde woord staat bv. in Efeze 5:10 “en toetst wat de HERE welbehagelijk is”, Fil. 1:10: “om te onderscheiden waarop het aankomt” en in 1Joh. 4:1 “Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn”. Hier wordt dus bedoeld, dat je in je leven steeds na moet gaan wat naar Gods wil is. Wat in zijn ogen goed en welgevallig is. Dat moet het criterium, de toets worden waaraan de gelovigen alles zullen moeten meten. Alleen het goede, welgevallige en volkomene moet dan overblijven. Dat moet het leven van de broeders en zusters gaan beheersen: geestelijk èn lichamelijk.
Ja, zelfs het volkomene! Maar dat is toch onbereikbaar op deze aarde? Dat is zo, maar de HERE wil dat zijn kinderen daarnaar streven en jagen. Want dat is welgevallig in zijn ogen. Zo zei de Here Jezus het ook aan het einde van Matt. 5:

    “Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is”.

Zo wil de Here Christus het dus. Dat is geen wetticisme. Maar het offer van onze dankbaarheid, waartoe de Here Jezus zijn volgelingen dringt. Dat drijft allen die naar Gods wil willen leven ook weer naar Christus toe (Rom. 7:24,25). Om te belijden dat ze onvolmaakt zijn en steeds weer gezondigd hebben. Zo spreekt onze Heidelbergse Catechismus de Schrift ook na in zondag 44.

Het offer van onze dankbaarheid

De Romeinen en ons wordt voorgehouden: ons offer van dankbaarheid moet het gevolg zijn van de barmhartigheid van God in Christus. Dat offer móet radicaal en totaal zijn. Het vraagt denken en leven. Dat offer móet heilig en gaaf zijn. Vergelijk het offer dat de HERE vroeg in het Oude Testament (Lev. 22:19-22). Dat is wat Christus en zijn Vader nu van ons vragen. We weten: dat kunnen we alleen bij het zoenoffer van Christus en door het werk van zijn Geest.
Durft iemand nu nog te zeggen: ‘God vraagt geen dankbaarheid’ (zie de eerste aflevering)? Dat is toch de ondankbaarheid ten top! Als we zien dàt en waartóe Christus ons heeft verlost, wat zijn we dan juist Gode dankbaar dat we Hem dankbaar móeten zijn. Dan is dat tot onze vreugde en blijdschap. Dan ìs dat heel onze hele levensopdracht. Tot eer van God.

    Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen (Rom. 11:36).
    Dat vraagt ons Amen met ons hart, mond en handen.