Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Gode zij dank: wij moéten dankbaar zijn! (3)

Jaargang: 
1
Datum: 
14 mrt. 2007
Nummer: 
10
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
50

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. (Rom. 12:1)

En tòt Hem zijn alle dingen

In de brief aan de gemeente te Rome heeft de dankbaarheid een grote plaats. Deze dankbaarheid komt voort uit de bewezen genade en rechtvaardigmaking in het verzoenend werk van de Here Jezus. Dankbaarheid is voor de gelovigen daarom de proef op de som of hun geloof echt is.
Al direct in de aanhef (1:5) geeft Paulus als geroepen dienstknecht van Christus het als doel van zijn brief aan: om geloofsgehoorzaamheid te bewerken voor de naam van Jezus Christus onder alle heidenen. De geloofsgehoorzaamheid voor de naam van Christus. Dat is geloofsgehoorzaamheid aan Christus, zoals Hij Zich aan ons heeft geopenbaard. Zoals we zijn liefde en ontferming, maar ook zijn heiligmaking mogen kennen.
Op die geloofsgehoorzaamheid mag de inhoud van deze brief dus uitlopen. Er is tot hoofdstuk 12 al veel aan de orde gekomen. De diepte van de ellende (m.n. hoofdstukken 1-3, 7) en de rijkdom van de verlossing uit genade alleen, zijn op indringende wijze voorgehouden aan deze gemeente. Heel de verlossing in Christus vind zijn oorsprong in het souvereine welbehagen van God. Hij verkiest wie Hij wil. Er is geen enkele reden tot zelfverheffing. Niet voor de joden, maar ook niet voor de heidenen. De verlossing door Gods Zoon is er alleen door genade om niet. Niet op grond van onze werken. De verlossing is er alleen door de verkiezende ontferming van God de Vader. En alles is daarbij gericht op de verheerlijking van God Zelf. Zo eindigt hoofdstuk 11:

    “Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.”

Niet alleen uit Hem (verkiezing) en door Hem (genade), maar ook tòt Hem zijn alle dingen. Dat moet nu ook blijken in het leven van zijn uitverkoren kinderen! In het leven van hen die verlost zijn door Gods liefde en barmhartigheid. Het laatste vers van hoofdstuk 11 vat eigenlijk heel het werk van God drie-enig aan ons en zijn hele schepping samen. Het is een Woord van God waar we allemaal Amen op moeten zeggen!

Ik vermaan u dan

Nu volgt dan met 12:1 het laatste deel van de brief. Hierin staat de dankbare gehoorzaamheid zoals die in de christelijke levenswandel zich moet uiten, centraal. Maar Paulus laat dit wel direct aansluiten op het voorafgaande. “Ik vermaan u dan”. Dat “dan” wijst terug. Terug naar alles wat daarvoor gezegd is aan verkiezende genade en redding uit de ellende. Op basis van dit alles volgt nu een krachtige aansporing, een vermaning. De Statenvertaling heeft Ik “bid” u dan, met in zijn kanttekeningen: Ik “vermaan” u dan. Paulus dringt er nu vanwege zijn apostel zijn, zijn gezant zijn, bij de lezers en dus bij ons, op aan. Hij wil het Woord dat gebracht is nu ook tot uitwerking laten komen. Hij doet daarbij een beroep op de al genoemde barmhartigheden van God. Paulus verwijst naar het werk van God, die Zelf vol is van barmhartigheden, die zelfs de “Vader der barmhartigheden” wordt genoemd (1 Kor. 1:3). Dat werk, waarover in de vorige hoofdstukken zo uitvoerig was geschreven, moet de drijfveer, de motivatie zijn waartoe Paulus zijn lezers oproept. Het is wel een heel vriendelijk gestelde oproep. Paulus spreekt nadrukkelijk zijn lezers aan als broeders en zusters (die hier in de broeders zijn begrepen), om de broederlijke band aan te geven. Er is dus geen sprake van een hard dwangbevel. Maar zoals de apostel het hier zegt, is er toch geen ontkomen aan voor degene die in geloof ja zegt tegen zijn Zaligmaker en tegen zijn God en Vader. Want wat Paulus vraagt is het antwoord van een levend geloof. Het antwoord van geloofsgehoorzaamheid in dankbaarheid.
Maar dankbaarheid wordt niet bedoeld als betaling. Dat was in de vorige hoofdstukken al radicaal afgewezen en uitgesloten. Maar als gevolg van de in hen gewerkte liefde van God Zelf, stelt Paulus nu de verbondseis van de dankbaarheid aan God.

Een Gode welgevallig offer

Waar de Here, door de dienst van Paulus, op aandringt is een offer. Geen zoenoffer, maar een dankoffer, een offergave. Dat wil zeggen: dat je jezelf gééft aan God. Maar dan op zo’n manier dat het de Here welgevallig is. Paulus zegt: nu de Here Zich in zijn barmhartigheid aan u heeft gegeven tot een zoenoffer, nu kan het niet anders zijn dan dat u zich geeft aan Hem als dankoffer. Hier komt de verbondsgedachte weer sterk naar voren. Ik ben de Here, uw God, die u uit het diensthuis uit geleid heb. Ik ben u tot een God. Wees mij dan tot een zoon. Ik geef Mij aan u, geef u zich nu aan Mij. Dat offer vraagt de Here van zijn kinderen dus als geloofsreactie, als verbondsdaad. Dat offer moet gericht zijn op God: het moet heilig zijn, zoals God heilig is. Het moet God welgevallig zijn, Hem aangenaam: dat is naar zijn wil. Zoals de reuk van het dankoffer in het Oude Testament God aangenaam was. Deze offers waren voor Hem een liefelijke reuk. Zo moeten ook onze offers zijn. Zo staat het ook in Ef. 5: 2:

    “Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk”

Maar wat houdt zo’n offer nu concreet in? Er staat in Rom. 12:2: dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer. Het heeft maar niet alleen betrekking op gedachten, gevoelens voor de Here, op geloofsbeleving. Juist de lichamen van de gelovigen worden hier genoemd. In tegenstelling tot de offerdienst bij heidenen die offers van dieren betrof. Maar deze lichamen staan niet tegenover de ziel, de geest. Dat leert ook het volgende vers, waarin de vernieuwing van ons denken wordt gevraagd. Want bij het gevraagde offer gaat het om ons helemaal: onze lichamen.
Zoals dat ook m.b.t. de “leden” van het lichaam staat in Rom 6:13

    en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God.

Met lichamen wordt dus bedoeld: ons hele aardse leven. De Here vraagt ons in zijn totaliteit op, zonder dat van dat offer een stuk voor onszelf mag worden achtergehouden.
Dat aardse leven van ons moet een heilig leven zijn: passend bij Hem die ons heeft gered. Hèm helemaal toegewijd. Het moet ook lévend zijn: al onze activiteiten van harte op Hem gericht in een actief geloofsléven. In de rest van hoofdstuk 12 wordt dit verder uitgewerkt. Daaronder valt met name ook ons leven in de gemeenschap der heiligen en tegenover onze naaste (vs 18).
(wordt vervolgd)