Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

God bewijzen met de Bijbel dicht (2)

Jaargang: 
9
Datum: 
28 jan. 2015
Nummer: 
9
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1469
Rubriek: 

Apologetiek Getuigen Wonderen Bestaan van God Het bewijzen van God We vervolgen onze bespreking van het boek God bewijzen; argumenten voor en tegen geloven . In het vorige artikel moesten we constateren dat hierin evolutionaire gedachten worden gebruikt om een pleidooi te voeren voor het verschijnsel geloven. God moet daarbij genoegen nemen met een plaats binnen een overkoepelend begrip waarin allerlei godheden zijn opgenomen. De auteurs gaan in hun boek vervolgens in op de argumenten die aangevoerd worden tegen geloven en het bestaan van God.

Projectie en wonderen

In het boek bestrijden de auteurs allerlei redeneringen die door anderen tegen geloof in God worden ingebracht. Ongelovigen zien geloof vaak als inbeelding, projectie van de eigen gedachten en gevoelens. Deze theorie is afkomstig van filosofen als Ludwig Feuerbach en Karl Marx en de psycholoog Sigmund Freud. Helaas laten de schrijvers bij hun bestrijding ervan de Bijbel dicht, waarin God toch Zelf leert wat geloven is. Je krijgt daarbij het gevoel dat ze, koste wat kost, de aanvallen van ongelovigen met hun eigen wapenen willen bestrijden. Hun redeneren met verstandelijke argumenten brengt hen tot vreemde, aanvechtbare uitingen zoals op pag. 131, 132:

Zulke voorbeelden laten zien dat gelovigen en atheïsten tot op zekere hoogte een gemeenschappelijk doel hebben: een geïntegreerd en eerlijk leven. Ze laten echter ook zien dat het niet nodig is om het geloof in God vaarwel te zeggen om dit doel te bereiken.

Ongelovigen die zich laten beheersen door wetenschap en de menselijke rede, zien geen mogelijkheid voor het bestaan van wonderen. De auteurs zelf laten deze mogelijkheid gelukkig nog wel open: Er is niets mis met geloof in een God die wonderen doet. (pag. 166).

Maar dat is nog iets anders dan dat zij elk goddelijk wonder in de Schrift als zodanig verdedigen. Zo zien zij het wonder van de verlossing van Israel door de Rode Zee niet hierin gelegen dat de HERE in zijn almacht bovennatuurlijk ingreep. Nee, volgens hen is dit een wonder te noemen, omdat God precies op dàt moment een sterke maar toch normale oostenwind liet opkomen. Israel werd toen door een op zichzelf verklaarbaar verschijnsel op tijd gered uit de handen van Egypte. Pag. 160, 161:

Dit wonder is niet dat hier iets onverklaarbaars gebeurt, maar dat het precies op dat moment gebeurt waarop het volk redding nodig heeft. Dergelijke wonderen heffen geen natuurwetten op en er zijn geen wetenschappelijke bezwaren tegen aan te voeren. Zo zijn er talloze wonderen: volkomen onverwachte, verrassende wendingen die mensen met stomheid slaan, maar die achteraf best wetenschappelijk verklaarbaar zijn. Dat neemt de verrassing niet weg, want het blijft bijzonder dat het juist toen gebeurde. Wie niet gelovig is en zoiets meemaakt, zegt misschien dat het een buitengewoon toevallige samenloop van omstandigheden was of dat hij enorm veel geluk heeft gehad. Maar we kunnen het ook een wonder noemen en er de hand van God in zien .

Verder stellen de auteurs, dat het voor de hand ligt dat er gebeurtenissen zijn waarvoor wij nu nog geen verklaring hebben, maar die in principe ooit wetenschappelijk beschreven kunnen worden. Ze houden daarbij zelfs open wat sommige theologen beweren met betrekking tot de genezingswonderen van Jezus (pag. 161, 162):

Volgens hen activeerde Jezus bepaalde natuurlijke potenties, die wij mogelijk ooit zelf zullen ontdekken. Zijn genezingswonderen waren in dat geval niet wonderlijk omdat ze onmogelijk zouden zijn, maar omdat Jezus ver voordat wetenschappelijk onderzoek hiervan iets begon te begrijpen blijkbaar in staat was deze krachten te bevelen. Uiteraard zijn er momenteel geen aanwijzingen dat deze verklaring klopt, maar we kunnen haar ook niet per definitie (! SdM) uitsluiten. Er is veel voor te zeggen dat wij in de toekomst meer zullen begrijpen dan nu. Tenslotte beschouwden mensen vroeger ook zaken als wonderen die wij nu prima kunnen verklaren, zoals zonsverduisteringen.

Het kwaad in de wereld

Ruime aandacht krijgt de klacht van de ongelovigen dat het bestaan van kwaad in de wereld pleit tegen het bestaan van een almachtige liefdevolle God, die dit zou toelaten (pag. 198-218). Dit is een van de meest teleurstellende onderdelen van het boek.

De schrijvers maken onderscheid tussen kwaad vóór de komst van de mens en kwaad vanaf de komst van de mens. Daarbij lijkt er bij hen weinig ruimte voor de realiteit van een schepping zoals deze ons in Gen. 1 en 2 is beschreven:

Al vóór de komst van de homo sapiens zon 100. 000 jaar geleden was sprake van leed in de wereld: dieren kwamen om in bosbranden, overstromingen, of door de inslag van een meteoriet. Dit is een belangrijk onderscheid, want het lijden in de wereld wordt vaak verklaard met een beroep op de vrije wil van de mens. Maar dit is niet van toepassing op het lijden in de wereld vóórdat er mensen waren. Daarvoor lijkt een andere verklaring nodig te zijn, (pag. 202).

Nota bene, dit schrijft een hoogleraar aan de TU te Kampen! Onbegrijpelijk, dat dit geen protest heeft ontmoet op de synode van Ede 2014.

Bij het redeneren over het kwaad in de wereld zou toch over de zondeval gesproken moeten worden en over Gods straf over de zonde. Maar daarover lezen we alleen een vage opmerking over een typisch christelijk antwoord, dat wijst op de vermogens die mensen hebben verloren door zich af te keren van God, (pag. 209).

Hier is de gedachte dat mensen die in een volmaakte relatie leven met God ook leven in een volmaakte relatie met zijn schepping. Zij beschikken over de (voor) kennis en de macht die nodig is om natuurlijk leed te voorkomen of tot een minimum te beperken. Door onze schuld zijn die vermogens verloren gegaan en daardoor stommelt de mens rond in deze wereld als een blinde in een mijnenveld.

Het kruis van Christus

Op niet meer dan twee bladzijden (pag. 216, 217) geven de schrijvers aandacht aan de betekenis van Jezus Christus. Ze doen dit in verband met het probleem van het kwaad. We horen niet direct van de aard van zijn lijden:

Het gaat ons er hier niet om te verklaren hoe die verlossing precies in zijn werk ging. Daarvoor ontbreekt de ruimte, maar zelfs als dat niet zo was, zouden we er niet in slagen te verklaren hoe de kruisdood van Jezus Christus precies heeft gewerkt.

Wel lijkt er Barthiaans gedachtegoed naar ons toe te komen, als ze schrijven:

Christenen geloven namelijk dat God mens is geworden in de persoon van Jezus Christus. Op die manier heeft hij eenzaamheid, armoede, marteling en dood aan den lijve ervaren. De Bijbel zegt dat hij dat deed met een reden. Hij was geen willoos slachtoffer, maar onderging dit lijden om zijn schepping (inclusief onszelf) te verlossen van zonde en kwaad. De dood van Jezus Christus was Gods oplossing voor het wijdvertakte probleem van het kwaad. () Christenen geloven in een God die het lijden uit eigen ervaring kent. Hij weet wat wij doormaken. Het kruis verklaart het lijden niet, maar zegt wel iets over God: hij is betrokken bij wat mensen doormaken. Hij heeft vrijwillig lijden en dood ondergaan. () God neemt onze ellende zo serieus dat hij die zelf op zich neemt. Het kruis laat ons zien dat God onze moeilijkheden kent en daarin meevoelt.

We lezen hier niets van verzoening door voldoening! Karl Barth heeft gesproken over de lijdende God in plaats van te spreken over de lijdende Middelaar die plaatsvervangend de rechtvaardige toorn van God onderging om voor de zonden van de zijnen te betalen. We menen soortgelijke dwaalleer terug te vinden in bovengenoemde passage. Datzelfde bekruipt ons bij wat ze vervolgens schrijven m. b. t. Christus opstanding. De vraag is daarnaast of hier aan alverzoening wordt gedacht:

Hij (de Bijbel, SdM) vertelt dat Jezus Christus opstond uit de dood. Alle machten van het kwaad en de dood hadden zich op hem uitgeleefd en hij overwon hen. Volgens de Bijbel is Jezus opstanding het begin van het herstel van Gods schepping en de opstanding van allen.

Conclusie

We missen in heel dit boek het duidelijke spreken vanuit de Schrift. Het geloof dat de auteurs beschrijven, lijkt niet op het Schriftgeloof dat buigt voor Gods Woord. De God die erin voorkomt wordt ons niet beschreven als de ene ware God, de Schepper van hemel en aarde. En de Christus die we erin ontmoeten, wordt ons niet voorgehouden als de Christus van de Schriften, de ene naam bij wie behoud is. Wat een armoede.

Maar hoe moet je dan wel de mensen die God niet kennen benaderen, zonder God en zijn Woord tekort te doen? Wat is een verantwoorde verdediging van de leer van het geloof (apologetiek) tegenover buitenstaanders? Eén ding is voor gereformeerde apologetiek duidelijk: het christelijk geloof laat zich niet wetenschappelijk bewijzen. Maar ook niet door middel van menselijk logisch redeneren. Je komt er niet met menselijke wijsheid, maar alleen met goddelijke wijsheid. Ook God is niet te bewijzen, maar alleen te geloven.

Het dwaze van God

De apostel Paulus schrijft in 1 Kor. 1:18v over goddelijke wijsheid tegenover wereldse wijsheid:

het woord van het kruis is wel voor hen die verloren gaan een dwaasheid, maar voor ons die behouden worden is het een kracht van God. Heeft God niet de wijsheid van de wereld tot dwaasheid gemaakt? Want daar de wereld in de wijsheid van God door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid van de prediking te redden hen die geloven.

De apostel Paulus voert een pleidooi om juist het dwaze van God, namelijk het evangelie van Jezus Christus en die gekruisigd, te gebruiken voor het getuigenis tegenover de mensen.

Wijzelf kunnen hen niet overtuigen. Wij kunnen wel zaaien met Gods Woord. Dan zal God zich met zijn Geest ontfermen over wie Hij wil (Rom. 9:15, 16). Hij kan harten en denken veroveren. Daaraan hoeven wij niet te twijfelen, 1 Kor. 1:25:

want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen.

We zullen daarom in ons verdedigen van geloof in God juist Gods Woord Zelf moeten laten spreken. Dat is ons sterkste wapen (1 Kor. 1:24, Ef. 6:17)! We mogen het niet dicht laten om in deze wereld aanstoot te vermijden. Om op die manier voor christenen begrip te kweken en ruimte te krijgen in deze samenleving. Om te voorkomen dat we ter wille van het kruis van Christus in het isolement gedrongen zouden worden.

Gods woord dicht laten, juist wanneer we over het geloof en over onze God spreken, staat gelijk met het verloochenen van de naam van God en van Christus. Dit neemt Christus ernstig (Math. 10:32, 33):

een ieder dan, die mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook ik belijden voor mijn vader, die in de hemelen is; maar al die mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook ik verloochenen voor mijn vader, die in de hemelen is.

Verantwoording

We zullen juist elke gelegenheid moeten uitbuiten om ons getuigenis in deze wereld te laten klinken. Als een getuigenis van de Here Jezus Christus. Niet als een getuigenis waarbij we zelf het vege lijf willen redden, door vaag te spreken over de winst van religie en over het nut van gelovigen in de samenleving. Het zout moet zijn kracht niet verliezen (Math. 5:13).

De apostel Petrus schrijft over het ABC van de apologetiek in 1 Pet. 3:15:

Heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze.

Rekenschap geven van het geloof is hetzelfde als het verantwoorden van onze hoop.

Het gaat er niet om een zaak te verdedigen die zo gek nog niet is. Nee, Petrus wijst daarboven uit omdat het geloof in God en in de ene naam waarin behoud is, de enige redding betekent voor de maatschappij waarin wij leven.

Daarom noemt hij het evangelie van Christus de hoop. De hoop zoals ook de Christus de hoop voor de heidenen is genoemd (Jes. 51:5; Kol. 1:27).

Het valt op dat Petrus geen tactische beperking aangeeft: altijd bereid; verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt. Angst, schroom of schaamte mogen ons niet verhinderen om de rechte belijdenis van ons geloof af te leggen.

Toen de kerk het zwaar had rond de grote reformatie heeft een Guido de Brès er niet omheen gedraaid richting de overheid, die de kerk vervolgde. Hij heeft een heel duidelijk getuigenis gegeven van het geloof in de ene God, in de ene verlosser Christus, en de ene kerk van Christus. Het is uiteindelijk de Nederlandse Geloofsbelijdenis geworden.

Ontstaan uit getuigenis tegenover de wereld. Als voor-beeld voor ons.