Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

De gemeenschap der heiligen

Jaargang: 
10
Datum: 
27 jul. 2016
Nummer: 
15
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1645
Rubriek: 


Wat is de gemeenschap der heiligen? Hoe belangrijk is deze voor ons persoonlijk geloof?Net als de kerk is de gemeenschap der heiligen een geloofszaak. We belijden deze geloofszaak elke zondag met de twaalf artikelen van het geloof. Deze gemeenschap wordt in één adem genoemd met het geloven van 'een heilige algemene christelijk kerk'. We zouden kunnen zeggen dat deze gemeenschap het functioneren van de kerk aanduidt. In die gemeenschap komt de gemeenschapsband met het Hoofd van de kerk tot uiting, maar dan zó dat ieder lid dit deelt met de andere leden.

Hoofd en lichaam

Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus zegt het zo: dat de gelovigen allen samen en ieder persoonlijk, gemeenschap hebben met de Heere Christus en deelhebben aan al Zijn schatten en gaven. Maar daarbij komt dan dat ieder verplicht is zijn gaven tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde te gebruiken.

Als kerk en lichaam van Christus ontvangen we heerlijke schatten en gaven van ons Hoofd. De vergeving van onze zonden, het eeuwige leven, Gods vaderlijke goedheid en zorg, Christus' herderlijke zorg en liefdevolle ontferming, en alle gaven van de Heilige Geest, waaronder liefde, vrede, zachtmoedigheid.

Maar die gaven zullen we niet alleen voor onszelf gebruiken en genieten, maar ook ten nutte van onze medebroeders en medezusters. Dat laatste zelfs gewillig en met vreugde.

Zonder de gemeenschap der heiligen kunnen we geen kerk zijn! Want kerk zijn houdt in dat we één lichaam zijn. We hebben dezelfde God, dezelfde Geest en hetzelfde geloof. Kerk zijn houdt in dat we als lichaam samen in onderlinge broederliefde naar Hem toegroeien die het Hoofd is, Christus.

In de Bijbel lezen we van veel typeringen van de kerk die wijzen op haar eenheid en eensgezindheid. De kerk is gemeente van de levende God, vergadering van de heiligen, een heilig volk, kudde van God en Christus, huisgezin van God, een koninklijk priesterschap, lichaam van Christus, bruid van het Lam. Dat die eenheid bestaat in Christus en door Zijn Geest blijkt uit vele omschrijvingen: Christus is de Verlosser van Zijn volk (Matt. 1:21), de Heere van Zijn eigendom (1 Petr. 2:9). De Bouwmeester van Zijn huis (Hebr. 3:3), het Hoofd van Zijn lichaam (Kol. 1:18; Ef. 4:5), de Herder van Zijn kudde (Joh. 10, Hebr. 13), de Koning van Zijn volk (Ps. 72,110), de Bruidegom van de bruid (Openb. 19)

De gemeenschap der heiligen is het resultaat van het vergaderend werk van Christus, de Zoon van God. De heiligen zijn zij die in Christus door God zijn uitverkoren tot Zijn dienst, door Christus zijn gekocht met Zijn bloed en vergaderd worden door Zijn Woord en Geest. Zo worden ze door Zijn Woord en Geest wedergeboren, onderhouden, en voorzien van gaven en krachten, zodat de kerk bewaard, beschermd en vermeerderd wordt.

Als Hoofd regeert Christus Zijn lichaam. Hij voedt, verzorgt en koestert haar. Door Hem en in Hem - dat is in gemeenschap met Hem -, is er éénheid van Zijn schapen in de ene kudde. Door Zijn Woord Geest zal die eenheid vervolgens gestalte krijgen in vrede, verdraagzaamheid en onderlinge opbouw. Die eenheid wordt bezegeld in de avondmaalsviering: daar hebben we in geloof gemeenschap met Christus, met Zijn lichaam en bloed. Daar hebben we ook onderlinge gemeenschap: we hebben allen deel aan het ene brood Christus, het is Hij in ons en wij in Hem.

Opgave

Die gemeenschap zal zichtbaar en tastbaar moeten zijn. Naar de Heere toe (verticaal), maar als een direct gevolg daarvan ook naar de anderen leden toe (horizontaal). De geloofsgave van de eenheid is een opgave voor alle leden. Een aantal Schriftgedeelten laat op heel bijzondere wijze deze opgave zien.

Hand. 4:32-35:

En de menigte van hen die geloofden, was een van hart en een van ziel; en niemand zei dat iets van wat hij bezat, van hemzelf was, maar alles hadden zij gemeenschappelijk.

En de apostelen legden met grote kracht getuigenis af van de opstanding van de Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.

Want er was ook niemand onder hen die gebrek leed; want allen die landerijen of huizen bezaten, verkochten die en brachten de opbrengst van het verkochte en legden die aan de voeten van de apostelen.

En aan ieder werd uitgedeeld naar dat men nodig had.

In de eerste christelijke gemeente was er dus een zichtbare eenheid. Men was een van hart en ziel, ook daarin dat men elkaar materieel ondersteunde. Dat lijkt zo eenvoudig en van minder belang dan elkaar opbouwen in geloofszaken. Materieel is toch minder dan geestelijk? Maar door elkaar materieel te helpen, laat je zien wat de ander je waard is. Wat je voor die ander over hebt. Dat je kunt afstaan van je bezit, wat een van de moeilijkste dingen is die er zijn, en wat daarom een toets is voor je geloof (Matt. 19:16-30).

Daarom heeft het verlenen van financiële en materiële hulp in de kerk een belangrijke geestelijke waarde. Daarbij geldt natuurlijk wel dat wie veel heeft ook veel zal geven.

Offer

In Rom. 12 schrijft Paulus dat wij 'in één lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde functie hebben, dat wij, hoewel velen, één lichaam in Christus zijn, maar ieder afzonderlijk leden van elkaar.'

Leden zijn van elkaar betekent: op elkaar betrokken zijn in het éne Lichaam van Christus. Dat geldt voor ieder afzonderlijk. Niemand kan zich daarvan uitgezonderd voelen.

Iedereen heeft verschillende genadegaven. Maar die gaven zullen op de ander betrokken moeten worden: ten nutte, ten voordele en dienste van de andere broeders en zusters. Paulus noemt op (vers 7 en 8): profeteren, dienen, onderwijzen, bemoedigen, uitdelen, leiding geven, je over anderen ontfermen, dus anderen opzoeken, helpen en troosten.

De wijze waarop je dit doet, hangt ermee samen of je zelf een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk wilt zijn (Rom. 12:1).

Paulus onderwijst de gemeente vervolgens hoe alle leden oprechte en vurige onderlinge broederliefde kunnen tonen. Ik noem een aantal zaken: delen in de noden van de andere leden, je toeleggen op gastvrijheid, vreugde en verdriet delen met de ander. Eensgezind en nederig zijn. Niemand kwaad met kwaad vergelden, maar het kwade overwinnen door het goede. Niet boos, toornig worden op de ander. Toorn en vergelding overlaten aan de Heere.

In Rom. 15 gaat het over de vereiste verdraagzaamheid binnen de gemeente. Dat vroeg van Paulus om vermaning van hen (sterken) die sommige zaken bij Gods Woord beter zagen dan anderen, maar daarbij op die anderen (de zwakken) neerkeken. Het betrof daarbij niet een verkeerde leer, maar om een toepassing van Gods Woord. Daarbij stelde Paulus in vers 1-3:

Maar wij die sterk zijn, zijn verplicht de zwakheden van hen die niet sterk zijn te dragen, en niet onszelf te behagen. Laat daarom ieder van ons zijn naaste behagen ten goede, tot opbouw. Want ook Christus heeft niet Zichzelf behaagd, maar zoals geschreven staat: Al de smaad van hen die U smaden, is op Mij gevallen.

Het kost ook ons vaak moeite om in de gemeenschap der heiligen rekening te houden met zwakheden van anderen. Maar daar roept Christus ons wel toe op.

Wat Paulus in bovenstaande opsomt, is voor iedereen een zaak van dagelijkse zelfbeproeving. Wat schieten we hierin vaak te kort! Maar de Heere vraagt dit van ons als een offer van ons leven, als onze redelijke godsdienst (Rom. 12:1; zie ook Jacobus 1:19-27).

Geen scheur

Een ander veelzeggend Schriftgedeelte is 1 Kor. 12. Paulus schrijft daar dat we allemaal door één Geest tot één lichaam gedoopt zijn. Dat betekent dat we allen met Christus zijn afgestorven van de oude mens en opgestaan in een nieuw leven. Door Zijn Geest zijn we nieuwe mensen geworden. Daar is de doop het teken van. Paulus zegt daarbij nog dat we ook van één Geest 'doordrenkt' zijn. Dat wil zeggen dat Hij nu in ons woont, werkt en regeert als leden van Christus. Zodat wij steeds meer gelijkvormig worden aan het beeld van Christus, dat is de gezindheid van de Geest hebben.

Dan gaan we als nieuwe mensen anders handelen in dat ene lichaam van Christus: dan blijkt dat we elkaar allemaal nodig hebben. Zoals een hand, voet, oor, oog, reuk dit als leden en organen in het menselijk lichaam hebben, hebben ook de gemeenteleden stuk voor stuk een bijzondere plaats in het lichaam gekregen. Maar wel zo dat er geen verdeeldheid zal zijn, maar dat de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen (vers 25). Gelijke zorg: gedeelde zorg, waaraan ieder van zijn kant deelneemt.

De Heere wil geen verdeeldheid in Zijn gemeente, geen scheur tussen groepen op grond van afkomst, ontwikkeling, of voorkeur. Nee, elk lid heeft de andere leden nodig. Niemand mag zich verwijderen van of afsluiten voor de ander, door te stellen: ik heb u niet nodig.

Zo heeft God zelf Zijn gemeente samengesteld. Dan zal wanneer er bij één lid verdriet is, er ook verdriet zijn bij alle anderen; en wanneer er reden tot vreugde is bij één lid, zal dit ook door alle anderen wordt gedeeld. Ook dit is een zaak voor onze zelfbeproeving.

Wel samengevoegd

Ef. 4:1-16 spreekt van de noodzaak van de onderlinge band binnen de kerk voor het gedeelde geloof in Christus. Eerst wordt de gemeente aangespoord om zich te beijveren de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede. Juist omdat ze uit mogen gaan van de gave: één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping, één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die boven allen en door allen en in u allen is.

Beijveren betekent: van harte je ervoor inzetten. Paulus geeft ook hier aan hoe dat dan moet gebeuren: 'in alle nederigheid en zachtmoedigheid, met geduld, door elkaar in liefde te verdragen'.

Voor ons als kerkleden steeds weer een moeilijke opgave!

Voor dat onderlinge dienstbetoon binnen de gemeenschap der heiligen krijgen de ambtsdragers als gaven van de verhoogde Christus een belangrijke opdracht (vers 12,14):

Om de heiligen toe te rusten 'tot het werk van dienst-betoon, tot opbouw van het lichaam van Christus'.

Daarbij hoort het weren van dwaling en verleiding. Maar ook dat de leden het als hun opdracht zien en eraan gaan werken wat Paulus schrijft in vers 16:

Van Hem (Christus) uit wordt het hele lichaam samen-gevoegd en bijeengehouden door elke band die onder-steuning geeft, overeenkomstig de mate waarin ieder deel werkzaam is.

Ja, elke band, elk deel, elk lid heeft in Christus de levenstaak eraan bij te dragen de onderlinge gemeenschap hechter te maken. Dit wil de Geest van Christus in ons uitwerken, laten we deze Geest niet bedroeven!

Wat is het doel?

Allereerst is het doel van de gemeenschap der heiligen dat er een hecht lichaam ontstaat dat verbonden is aan haar Heere en uit Hem leeft. Het geheel is dan 'welsluitend'.

De Heere wil vrede en harmonie zien in Zijn lichaam. Dat werkt Hij in ons en zo passen we bij Hem. We worden dan als gemeente steeds meer gelijkvormig aan Zijn beeld.

We groeien dan op in de kennis van Hem en Zijn liefde.

Dat doel noemt Ef. 4 speciaal in vers 13:

totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus.

Die kennis van de Zoon van God is liefdeskennis.

Ook in vers 15 lezen we weer van het toegroeien naar Christus als doel van de gemeenschap der heiligen:

maar dat wij, door ons in liefde aan de waarheid te houden, in alles toe zouden groeien naar Hem Die het Hoofd is, namelijk Christus.

We zouden dit kunnen samenvatten als het toegroeien van de bruid naar haar bruidegom.

Zij siert zich voor Hem met de gaven die Hij haar schenkt. De gaven de waarheid van Gods Woord en de liefde van God om daaruit te leven in liefde tot God, Christus en de naaste.

Het tweede doel is de taak in deze samenleving. We zullen meewerken aan het kerkvergaderend werk van onze Heere. Als kerk en als kerkleden. In spreken en gedrag.

Dat betekent ook dat we als gemeenschap een goed getuigenis van Christus zullen zijn.

Wij dragen Zijn naam, Hij is ons Hoofd. Wij hebben samen Zijn naam te belijden, zodat we een lichtend licht voor de wereld zijn, een zoutend zout.

Als we als gemeenschap veel ruzie vertonen, als we een koude uitstraling hebben omdat we maar weinig om elkaar geven, elkaar niet opzoeken, niet vertroosten, dan geven we een slecht getuigenis af aan de wereld. Dan is dat tot schade van Christus en Zijn werk.

De eerste christelijke gemeente is ook daarin ons tot voorbeeld (Hand. 2:47).

Het derde doel is het uiteindelijke doel: de verheerlijking van Gods naam.

Als Paulus in Rom. 15 heeft gewezen op de nodige ver-draagzaamheid binnen de gemeente, schrijft hij wijzend op de hulp die daarbij van Godswege nodig is, vers 6 en 7:

En de God van de volharding en van de vertroosting moge u geven onderling eensgezind te zijn in overeenstemming met Christus Jezus, opdat u eensgezind, met één mond, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus verheer-lijkt. Daarom, aanvaard elkaar zoals ook Christus ons aanvaard heeft, tot heerlijkheid van God.

De eer van God, de verheerlijking van Zijn naam is het doel van ons leven. Als nieuwe mensen kunnen wij weer aan dat doel beantwoorden.

Daartoe dient nu juist ook de eendracht, de eensgezindheid waarmee wij de Heere loven en prijzen in onze erediensten, maar waarmee wij ook elkaar dienen en opbouwen in het allerheiligst geloof.

Ook de apostel Petrus wijst op dit doel als hij schrijft over de nodige broederliefde in 1 Petr. 4:8-11:

Maar heb voor alles vurige liefde voor elkaar, want de liefde zal een menigte van zonden bedekken. Wees gastvrij voor elkaar, zonder morren.

Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige genade van God.

Als iemand spreekt, dan als iemand die de woorden van God spreekt; als iemand dient, dan als iemand die dient uit kracht die God schenkt; zodat God in alles verheerlijkt wordt door Jezus Christus. Hem komt de heerlijkheid en de kracht toe, tot in alle eeuwigheid. Amen.

Voor het bewaren en onderhouden van de gemeenschap der heiligen is het dus van groot belang dat we ons richten op Gods Woord en op Zijn eer.

In deze dagen van vervreemding van God, hebben we elkaar hard nodig om elkaar op te bouwen met Gods Woord om staande te blijven en te volharden in het geloof.

Maar ook om in alle nood en druk samen Gods naam te blijven grootmaken in alle liefde en eensgezindheid.

Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het dat broeders ook eensgezind samenwonen (...)

Want daar gebiedt de HEERE de zegen en het leven tot in eeuwigheid, Psalm 133.