Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Geloven, wat is dat?

Jaargang: 
1
Datum: 
31 jan. 2007
Nummer: 
4
Schrijver: 
T.L. Bruinius
ID:
16

“Wij geloven allen met het hart .......” (NGB art. 1).
“Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.” (Rom. 1:17).
“En dit is zijn gebod: dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkander liefhebben, gelijk Hij ons geboden heeft.” (1 Joh. 3:23).


Niet gezien

Geloven ...... De Heidelbergse Catechismus zegt het als volgt in Zondag 7, antwoord 21:

    “Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft.
    Tegelijk is het een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus.”

Stellig weten en vast vertrouwen. Die twee horen onlosmakelijk bij elkaar. Geloven is niet een weten zonder meer. Niet alleen maar kènnis hebben van het bestaan van God. Niet alleen maar kènnis hebben van het feit dat Christus op aarde kwam en zichzelf offerde om verzoening te doen voor mijn zonden.
Ik weet dat de aarde rond is. Dat is zichtbaar en dat kan bewezen worden. Ik weet dat één en één twee is. Dat is de rekenkundige regel die we aanvaard hebben. Ik weet dat de Here zijn Wet gegeven heeft op de berg Horeb. Dat is allemaal verstandelijke kennis. Het is door mij na te gaan. Ik kan het begrijpen. Het is logisch. Als ik erover nadenk, dan klopt het. Maar dat is nog géén geloof. O ja, kennis is nodig. We moeten weten wàt we geloven. In het vorige artikel in deze rubriek hebben we dat laten zien. Maar heel veel kennis hebben van de Bijbel is nog niet het zelfde als geloven. Geloven is meer. Het is dieper. Het is een heel vaste overtuiging. Een overtuiging die uiteindelijk niet te beredeneren is. Een diepe overtuiging die niet berust op zichtbare en tastbare bewijzen.

    “Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven.” (Joh 20:29).

Thomas kwam tot belijdenis van zijn geloof in Christus omdat hij de kruiswonden zàg en vóelde. Maar de Here zegt: dat is wel een zwak geloof, Thomas. Zalig zijn zij die zonder zulke bewijzen een stellig weten en een vast vertrouwen hebben.
Geloven laat zich niet verstandelijk beredeneren.

Liefde

Ik weet stellig dat ik kind van God ben. Ik ben er diep van overtuigd dat ik in Christus zalig ben. Niemand kan die overtuiging bij mij wegnemen. Wat er ook gezegd wordt. Ik wéét zeker dat God mijn Vader is. Ik wéét zeker dat mijn verlossing zeker is in de Here Christus. Ik wéét zeker dat de Heilige Geest in mij woont en werkt. En als we het zo zeggen, dan is duidelijk dat deze wetenschap een zaak van het hart is. Geloven ìs een zaak van het hart. Zo zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis het ook: Wij geloven met het hart ...... Geloven stijgt ver uit boven verstandelijk weten. Het heeft alles te maken met de liefde tot de Here die in ons hart is. En met het vaste vertrouwen dat in die liefde ligt.

Bewijzen

Er zijn altijd in de geschiedenis mensen geweest die wilden bewíjzen dat het geloof in de HERE terecht is. Ze meenden het bestaan van God te kunnen aantonen uit allerlei verschijnselen in de Schepping en in de samenleving. Vandaag de dag zijn ze er weer. In het afgelopen jaar was er bijvoorbeeld heel veel aandacht voor de theorie van het “Intelligent Design” (afgekort “ID”). Heel eenvoudig gezegd komt het er op neer dat zgn. bijbelgetrouwe wetenschappers zeggen, tegenover de evolutie-theorie: er zijn in die evolutie-theorie zoveel gaten, er zijn zoveel zaken die niet bewezen kunnen worden, het leven is zo verschrikkelijk ingewikkeld en complex, en tegelijk past het allemaal zo goed in elkaar ..... Logisch redenerend móet je wel vaststellen dat de wereld niet zomaar spontaan vanuit een “oerknal” zich heeft ontwikkeld. Nee, er moet wel een intelligent ontwerp achter zitten. En de christen wetenschapper zegt dan: en dus een “intelligente” ontwerper, God. Zo is het bestaan van “een god” logisch en verstandelijk redenerend aangetoond. Maar daarmee heb je het bewijs van God de Schepper, zoals Hij zich in zijn Woord openbaart, nog niet bewezen. Zo kun je ook bij Allah uitkomen.
Wie zo redeneert doet eigenlijk net als Thomas: Ik wil het eerst zien, dan kan ik het pas begrijpen en aanvaarden. Dat is niet het geloof waar de Bijbel over spreekt. Dat is misschien wel een zeker weten maar geen vast vertrouwen. Dat is niet een tonen van geloof dat gefundeerd is op de liefde tot God in het hart. Kennis en hartelijk vertrouwen worden uit elkaar gehaald. En dat is niet goed, dat kan en mag niet.

Blindelings

Denk maar eens aan een klein kind dat van een klimrek afspringt in de armen van vader. Dat kind wéét dat vader hem opvangen zal. Nee, niet verstandelijk beredeneerd. Niet zo van: hij staat daar, en hij is sterk, en hij kan snel zijn armen omhoog doen, en hij ziet mij, en de afstand is niet te groot, en mijn vader vindt het niet verstandig dat ik pijn lijd ...... Dùs concludeer ik dat vader me zal opvangen. Nee, het kind weet dat zijn vader hem liefheeft. Het is toch zijn vader? En daarom vertróuwt hij. Dáárom weet hij gewoon dat hij niet vallen zal. Daarom laat het kind zich blindelings vallen.
Dat is geloven.

    “Want Gij zijt mijn verwachting, Here Here, mijn vertrouwen van mijn jeugd aan;...” (Psalm 71:5).

Geloven heeft alles te maken met vertrouwen. Met blind vertrouwen. Met liefde. Liefde laat zich niet vangen in logische redeneringen. Ook de liefde tot de Here niet.

Gave

En die liefde tot de Here, dat vaste weten en dat stellige vertrouwen, dat komt niet uit onszelf. Dat is het werk van God, de Heilige Geest. In Efeziërs 2:8 lezen we:

    “Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God;...”

En in Johannes 3:5:

    “Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.”

Geloof is een gave van God. Het is niet uit onszelf. Als het vertrouwen en de liefde uit onszelf moesten komen, dan zag het er niet best uit. Dan zou er in ons geen geloof overblijven. Nee, de Heilige Geest woont in ons en werkt in ons hart.

    “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont?” (1 Cor. 3:16).

Dat is een grote troost voor ons. De Heilige Geest doet het. De Heilige Geest, die ons van de Vader en de Zoon is gegeven, werkt het geloof in ons. De Heilige Geest overwint in ons hart de onwil en de hardnekkigheid en de eigenwijsheid. De Heilige Geest maakt dat ik luister naar Gods Woord en alle beloften in Christus aanneem. De Heilige Geest doet mij amen zeggen.
Van Hem ben ik afhankelijk. En dat is goed. Want zelf kan ik het niet. Mijn wil is er van nature op gericht God te haten. Maar de Heilige Geest vernieuwt mijn wil en richt die zodat ik de Here liefheb.

Niet ik

We moeten dat wel heel goed zien. Het is heel verleidelijk om toch een beetje te leven bij de gedachte dat ik het ook zelf wel wat in de hand heb. Dat het mijn eigen wil is dat ik geloof. Een eigen vrije wil, waarmee ik zelf besluiten kan om te geloven, of niet. Dat is remonstrants. In het begin van de zestiende eeuw heeft de kerk in de Nederlanden tegen die gedachte een zware strijd moeten voeren. Uit die strijd ontstonden de Dordtse Leerregels.

    “Daarom worden alle mensen in zonde ontvangen: Gods toorn rust al op hen, wanneer zij geboren worden. Zij zijn niet in staat ook maar iets voor hun behoud te doen, maar zij zijn uit op het kwaad, dood in zonden en slaven van de zonde. Zij willen noch kunnen terugkeren tot God en evenmin kunnen zij in hun verdorven natuur verbetering brengen of zich daarop richten, zonder de genade van de Heilige Geest, die opnieuw geboren doet worden.” (DL III/IV, art. 3).

En in art. 14 van dat zelfde hoofdstuk:

    “Het geloof is dus een gave van God. Dat wil niet zeggen dat God het de mens aanbiedt, die met dit aanbod vervolgens doen kan wat hij wil, maar dat Hij het metterdaad de mens schenkt, ingeeft en instort. Evenmin is het zo, dat God alleen maar de kracht om te geloven zou geven en daarna de toestemming of het daadwerkelijk geloven verwacht van de vrije wil van de mens. Want Hij die zowel het willen als het werken in ons werkt, ja alles in allen tot stand brengt, Hij is het immers die zowel de wil om te geloven als het geloof zelf in de mens bewerkt.”

Daarbij verwijzen onze vaderen o.a. naar Filippenzen 2:13:

    “want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt.”

Dwaling

In die Dordtse Leerregels worden de remonstrantse dwalingen op dit gebied verworpen. Eén van die dwalingen wordt als volgt omschreven:

    “Bij de wedergeboorte van de mens gebruikt God zijn almachtige kracht niet zo, dat Hij daardoor de wil van de mens feilloos en met overmacht buigt tot geloof en bekering. Maar als God bij zijn genadewerk alles wat Hij aanwendt bij de bekering van de mens, gedaan heeft, kan de mens zich toch tegen God en de Heilige Geest verzetten, terwijl God beoogt door de wedergeboorte juist hem tot een nieuwe mens te maken. Ja, zo verzet de mens zich ook inderdaad vaak, waardoor hij zijn eigen wedergeboorte helemaal verhindert. Op deze manier beslist de mens zelf of hij al dan niet wedergeboren zal worden. (DL III/IV, veroordeling van de dwalingen 8).

Dat is de leer van de vrije wil. En die leer is niet iets wat alleen onze vaderen in de zestiende eeuw bedreigde. Die is juist ook vandaag heel dicht bij ons. “Ik kies nu voor de Here”. “Ik heb besloten mijn leven aan de Here te geven”. “We zijn dankbaar dat deze jonge mensen toch de goede keuze hebben gemaakt”. Herkennen we dit spreken? Ik kies? Dat is die oude dwaling in de jas van onze tijd. Nee, ik heb niets besloten. Nee, ik maakte niet de goede keus. Ik ben de Here dankbaar dat Hij mij riep en dat Hij mij gehoorzaam maakte! Door zijn Geest. De Geest die Hij in mij gaf. Mogen we dan helemaal niet meer spreken over “kiezen”? Jawel. Dat doet de Bijbel zelf ook. Mozes riep het volk Israël op om te kiezen. Maar als we dan zeggen, op de keuzevraag van Mozes in Deut. 30:19 “het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek, kies dan het leven”: ik kies het leven, ik kies voor Christus en voor God, dan moeten we er direct op laten volgen: en die keus heeft de Here in mij bewerkt! Dan wijzen we op het wonder van genade dat in ons nodig was om onze verdorven wil om te vormen, te herscheppen.
De leer van de vrije wil gaat volkomen in tegen Gods eigen Woord:

    Dit betekent niets anders dan dat men bij onze bekering de kracht van Gods genade helemaal uitschakelt. Men maakt de werking van de almachtige God ondergeschikt aan de menselijke wil. Dit is in strijd met wat de apostelen leren: Overweldigend groot is zijn kracht aan ons die geloven (Ef. 1:19), en dat God met kracht alle welgevallen in het goede en het werk van het geloof volmaakt (2 Tess. 1:11), en >dat zijn goddelijke kracht ons met alles wat tot leven en godsvrucht strekt, heeft begiftigd (2 Petr. 1:3).” (DL III/IV, veroordeling van de dwalingen 8).

Zekerheid

Maar als dat zo is, als ik zelf niets bijdraag aan de beslissing om te geloven, als dat puur genade is en alleen het werk van de Geest, hoe weet ik dan zeker dat ik geloof? Het is ene vraag waar veel mensen altijd weer mee worstelen. Hoe krijg ik zekerheid? Hoe weet ik dat de Heilige Geest in mij werkt? Hoe weet ik dat uitverkoren ben? Hoe weet ik dat ik een waar geloof heb?
Zulke vragen leiden vaak tot heel verdrietige situaties en kunnen de geloofsblijdschap ernstig aantasten. In sommige kerkelijke kringen wordt juist deze twijfel en onzekerheid aangeprezen als een kenmerk van het christen-zijn. Maar dat hoeft niet en dat mag niet. We moeten niet in onszelf gaan zoeken naar zekerheden maar alléén maar kijken naar Gods beloften. Laten we nog maar eens luisteren naar de Dordtse Leerregels, die met vele tekstverwijzingen het Woord van God op dit punt zo naspreekt:

    “Nu zijn er mensen die het levend geloof in Christus of het vertrouwen met hart en ziel, een goed geweten voor God, het leven in de kinderlijke gehoorzaamheid en het roemen in God door Christus nog niet zo sterk bij zichzelf opmerken. Toch gebruiken zij de middelen, waardoor God naar zijn belofte dit alles in ons bewerkt. Zij moeten zich niet laten ontmoedigen, wanneer zij over de verwerping horen spreken en evenmin zichzelf tot de verworpenen rekenen. Integendeel, zij moeten de middelen trouw blijven gebruiken, vurig verlangen naar de tijd van overvloediger genade en die eerbiedig en ootmoedig verwachten.
    Zij die ernstig verlangen zich tot God te bekeren, Hem alleen te behagen en uit het lichaam des doods verlost te worden, maar toch nog niet zo ver in het gelovig leven voor de Here kunnen komen, als zij wel wilden, behoren voor deze leer van de verwerping al helemaal niet bevreesd te worden. De barmhartige God heeft immers beloofd, dat Hij de walmende vlaspit niet zal uitdoven en het geknakte riet niet zal verbreken. ...” (DL I, art. 16).

Als je twijfelt, blijf dan niet naar jezelf kijken, maar gebruik de middelen, dat is luister naar de woordverkondiging, gebruik de sacramenten, bid tot de Here.
En de Here zal die zekerheid, naar zijn belofte, aan zijn kinderen schenken. Hij bewaart de zijnen in het geloof.

Geloven: een zeker weten en een vast vertrouwen, meer dan kennis, gefundeerd op de liefde tot God, die de Heilige Geest in ons hart werkt.
Geloven: een gave van God, pure genade, gelukkig niet uit mijn eigen wil.