Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Het gebed van een rechtvaardige ... (2)

Jaargang: 
1
Datum: 
07 feb. 2007
Nummer: 
5
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
21
Rubriek: 

“Wees niet overijld met uw mond, en uw hart haaste zich niet om een woord voor Gods aangezicht uit te spreken; want God is in de hemel en gij zijt op de aarde, laten daarom uw woorden weinige zijn.” (Pred. 5:2)

Verootmoediging

In het vorige nummer maakten wij een begin met enige artikelen over het gebed. We sloten het eerste artikel af door te wijzen op onze Here Jezus Christus, die voor ons de toegang tot de troon der genade heeft ontsloten. Onze gebeden hebben de voorspraak van Christus nodig. Dat is een absolute voorwaarde en geldt dus voor elk gebed. Nooit hebben onze gebeden zelf een verzoenende of bezwerende kracht. Dat besef moet ons heel helder voor ogen blijven staan.
Dat moet er toe leiden dat wij altijd een ootmoedige en eerbiedige houding aannemen. Zoals een schepsel past tegenover Zijn Schepper, maar vooral ook: zoals een zondaar past tegenover de heilige God (Pred. 5:2). Ook zal altijd onze afhankelijkheid van en dankbaarheid voor onze verlosser Jezus Christus moeten doorklinken in onze gebeden. Zonder Hem kunnen wij niet bestaan voor Gods aangezicht.
Daarnaast zal het besef van de noodzaak van Christus’ voorspraak ons ervan moeten weerhouden dat we met ons gebed proberen te manipuleren. Daarmee bedoelen we dit: dat we door allerlei kunstgrepen met de vorm of de inhoud van onze gebeden proberen om van onze kant de Here weer gunstig voor ons te stemmen (Matt. 6:7). Dat kan bewust gebeuren zoals bij de huichelende Farizeeën (Matt. 6:5; 23:14). Dat kan ook onbewust gebeuren. Dat is het geval als we ons vroom voordoen in onze gebeden, maar in de praktijk er maar op los leven.
Ook doen we dat als we in ons gebed uit sleur of gedachteloos, vergeving vragen voor onze zonden, terwijl die zonden ons niet concreet voor ogen staan. Of we denken er in ons gebed nog wel even aan, maar willen er in ons leven niet tegen strijden. Maar ook in die gevallen misbruiken we in feite het offer en de voorspraak van de Here. Want we hopen er zo zelf beter van te worden, maar hebben geen oprecht berouw. We hopen dan met onze mooie woorden bij de Here indruk te maken. Zo mag het nooit. Ons leven van alledag moet kloppen met onze gebeden. Niet dat we perfect kunnen zijn, maar we moeten over onze gedane zonden oprecht berouw hebben. En daarmee naar Christus vluchten.
In Jes. 1:15 zegt de HERE:

    “Wanneer gij uw handen uitbreidt, verberg Ik mijn ogen voor u; zelfs wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet”

Waarom niet? Omdat de Israëlieten gewoon doorgingen met zondigen, en er geen oprecht berouw over hadden. Hun gedrag leek ondanks hun godsdienstigheid en hun gebeden op dat van de inwoners van Sodom en Gomorra (Jes. 1:10)! Hoe vaak hebben de profeten deze schijnvroomheid niet aan de kaak moeten stellen.
Ook wij moeten ons afvragen of we wel beseffen hoezeer wij Christus nodig hebben voor ons gebed. En daarmee voor ons verbondsleven voor het aangezicht van God.

Ons gebed zal gepaard moeten gaan met oprecht berouw over onze zonden, en verootmoediging voor Gods aangezicht. Daarbij hoort ook oprechte bekering. Anders is ons gebed een loze speculatie op de aandacht van de Here. Anders wordt de verhoring van onze gebeden belemmerd (Deut. 1:45; Ps. 17:1; 66:18; 1 Sam. 28:15; Joh. 15:7; 1 Tim. 2:8; Hebr. 10:22; Jak. 4:3, 8; 1 Petr. 3:7; 4:7; 1 Joh. 3:22). Nooit zullen we onszelf mogen verdedigen met de goedkope uitvlucht dat we toch allemaal zondaren zijn. Christus stierf voor onze concrete zonden aan het kruis. Laten we die concrete zonden daarom belijden in ons gebed en van harte ons leven willen beteren.

Vrijmoedigheid

We hebben nu gesproken over de toegang tot de troon in Christus. Daarbij kwam het begrip ‘vrijmoedigheid’ ter sprake. Dat woord kan misverstand wekken. Namelijk alsof Christus je een gevoel van vrijheid geeft: je mag je vrijmoedig voelen, je mag nu ronduit in het gebed zeggen wat in je opkomt. Dan is vrijmoedigheid iets van je gevoelsleven. Maar in de teksten die betrekking hebben op de vrijmoedigheid in het gebed (Ef. 3:12; Hebr. 4:16; 10:19; 10:35; 1 Joh. 3:21; 5:14) gaat het niet om ons gevoel maar om het recht van spreken. Wij mogen door het priesterlijke werk van Christus het recht van vrijuit spreken krijgen. Christus heeft ons het recht verworven om steeds tot de troon van God te mogen naderen. Vrijmoedigheid is dus niet een gevoel, maar een geschonken recht, een voorrecht. Een voorrecht dat door het geloof in Christus wordt geschonken (Ef. 3:12). Een voorrecht dat garandeert dat de Here ons gebed wil verhoren.
Niet zondermeer. Het moet niet een gebed zijn waarin we bidden wat ons maar voor de aandacht komt. We zullen ook moeten bidden naar Gods wil.

    “En dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar zijn wil, ons verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden.” (1 Joh. 5:14-15)

Nu Christus dit recht als voorrecht voor ons heeft verworven, nu moeten we ook van dit voorrecht gebruik maken. Hij heeft het verbondsverkeer met God onze Vader weer mogelijk gemaakt:

    Geef dan uw vrijmoedigheid niet prijs, want die heeft een ruime vergelding te verwachten (Hebr. 10:35).

Die vergelding van de vrijmoedigheid van het geloof betekent genadeloon. Op het naderen van Gods troon mag volgen: genade en barmhartigheid en eeuwige verbondsgemeenschap met God, onze hemelse Vader! (Hebr. 4:16).

De Geest van het zoonschap

Behalve de noodzaak van de genadige voorspraak door Christus, moeten we ook beseffen hoe wij van onszelf tekort schieten in ons gebed. We hebben Gods Woord nodig. We hebben ook de hulp van de Geest van Christus nodig. Over die hulp lezen we in Rom. 8 iets opmerkelijks. Er wordt in dat hoofdstuk eerst gesproken over de gezindheid van de Geest tegenover die van het vlees (vs 6-13). Wij moeten als verloste kinderen de Geest van Christus nu ook in ons laten werken. Hij schrijft de wet in ons hart en vernieuwt ons hart. En nu wij door Christus’ volbrachte verzoeningswerk ook tot Gods kinderen zijn aangenomen, leert de Heilige Geest ons ook Vader zeggen. Dat is het directe gevolg van de vernieuwing van ons hart. Want Hij doet ons wedergeboren worden, waardoor we ook als kinderen van God kunnen leven. In alles God de Vader navolgend (Ef. 5:1). Dat is de gezindheid van de Geest, die wij krijgen als Hij ons leidt: dan zijn we zonen van de Vader (Rom. 8:14). Dat is een geweldig voorrecht. Als Gods kinderen hebben wij onze Vader ook echt nodig. In alles. Wij roepen door de Geest nu: Abba, Vader (vs 15). Wij róepen, staat er. Letterlijk: wij roepen luid. Dat geeft onze noodsituatie aan: we roepen om hulp. Daarin staat de Heilige Geest ons nabij: Hij getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn (vs 16). Mèt onze geest is ook áán onze geest. Onze geest, ons hart wordt door de Heilige Geest ervan verzekerd dat wij Gods kinderen zijn.

Onuitsprekelijke verzuchtingen

Die noodsituatie wordt nog duidelijker in het vervolg van Rom. 8 (18-27): wij leven in een verzondigde wereld, wij staan bloot aan verderf. Door de zonde is alles aan de vruchteloosheid onderworpen. Dat houdt in: we leven op een vervloekte aarde, waar de zondemacht nog zovelen in zijn greep heeft. Maar dat gaat door het werk van Christus anders worden. Hij werkt aan het komen, het uitbreiden van Gods koninkrijk, dat bij de jongste dag volle werkelijkheid zal zijn. Nu al is er voor wie bij Christus horen, uitzicht op de eeuwige heerlijkheid. Ja, er is nu al een begin bij hen. Als aangenomen kinderen van God zijn wij op weg naar die eindbestemming. Met als taak om gehoorzame burgers van zijn koninkrijk te zijn, gehoorzame kinderen van God.
Maar toch zijn we als kinderen van God zelf zwak: we weten niet wat het is om naar Gods wil te bidden (vs 26). We mogen in geloof uitkijken naar de komst van Gods rijk, we moeten mede-arbeiders zijn in zijn dienst, maar we weten vaak niet hoe we daar ons bidden op moeten afstemmen. We moeten in alles ons leven stellen in dienst van God en zijn rijk, maar hoe doen we dat, en hoe vragen we Gods hulp daarvoor? Als zwakke mensen, in wie de zonde nog is overgebleven, weten we niet hoe wij Gods wil en de voortgang van zijn rijk in onze gebeden de juiste plaats geven. Maar ook daarvoor krijgen we nu de hulp van de Geest van Christus (vs 26). Hij gaat in ons hart meebidden: leidt ons hart in het juiste bidden. Hij gaat ook voor ons pleiten bij de Vader. In en voor ons stijgt zijn gebed nu ook omhoog naar de Vader. Gods Geest ziet ons zuchten vanwege het lijden, de vruchteloosheid, de vergankelijkheid. Hij is er zelf de bewerker van dàt wij zuchtend verlangen naar de heerlijkheid straks. Straks als wij God onze Vader als zijn kinderen mogen ontmoeten. Wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, verlangen er vurig naar om straks als volmaakte kinderen van God met Hem gemeenschap te mogen hebben (vs 23). Maar bij die gave van de Geest hoort de gezindheid van de Geest: volkomen naar Gods wil willen leven. Alleen het leven met God nú past bij een leven met God stráks.
Om nu zó ons gebed onder woorden te brengen, om alles wat we willen vragen in dat perspectief te zetten, daarvoor zijn we zwak: we weten het niet. Maar ook dan komt de Geest van Christus ons te hulp. Hij pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. Dat is zijn voorbede voor ons bij God. Onuitsprekelijk: Hij doet dat met woorden die ons menselijk bevattingsvermogen te boven gaan. En God neemt nu dat volmaakte gebed van Christus’ Geest, dat naar zijn wil is, aan.

Voor wie bidt de Heilige Geest zó en pleit Hij zó? Rom. 8:17 maakt dat duidelijk: dat doet Hij voor de heiligen. De heiligen, dat zijn de ware gelovigen, die God heeft geroepen en uitverkoren. Aan hen heeft Christus de gave van Zijn Geest geschonken om ze in alles naar hun verheerlijking te leiden (vs 30).

Bidden naar Gods wil

Wanneer wij leven in de gezindheid van de geest van Christus dan mag ook ons gebed in alle zekerheid gebeden worden. Dan weten we: ons gebed krijgt toegang tot de toon der genade, want daar staat onze Hogepriester Jezus Christus, die voor ons pleit. Dan weten we ook: ons gebed wordt geheiligd en versterkt door de Geest van Christus. Ook Hij pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. Zo wordt onze verootmoediging niet tot krampachtigheid. Als we ons maar in alles van Christus’ afhankelijk weten. En zijn Geest niet tegenstaan, maar juist laten werken in ons. Dan zal ons bidden ook afgestemd worden op Gods wil: op zijn geopenbaarde wil. Dan is ook ons gebed het gebed van een rechtvaardige. Maar wat is een rechtvaardige?
Een rechtvaardige is iemand, die schuilt bij het offer van Christus en die heel zijn heil en welvaart bij Hem zoekt. Die alleen zo en daarom recht voor God mag staan. In de rechte verhouding, de rechte verbondsverhouding.
Een rechtvaardige zal daarom altijd blijven bidden (Luk. 21:36; Rom.12:12; Fil. 4:6; Kol.4:2; 1 Tess. 5:17). Blijven bidden om genade en vergeving. Blijven bidden om de Heilige Geest en om hemelse wijsheid. Een rechtvaardige zal bidden tot zijn Vader in de hemel, met ootmoed en ontzag. Maar voor alles zal bij hem de dankzegging aan God vooropstaan. Zijn bidden zal altijd gericht zijn op de heiliging van Gods Naam, de gehoorzaamheid aan God en de komst van zijn rijk. Afgestemd op Gods Woord.
Als we zó bidden dan bidden we ook in de Geest (Ef. 6:18). Dat is: door en met Christus’ Geest. En dan mogen we zeker weten, dat God ons verhoort, wat wij ook bidden naar zijn wil (Spr. 15:9,29; 1 Joh. 5:14,15). En dan weten we ook: het gebed van een rechtvaardige vermag veel, omdat er kracht aan verleend wordt. (Jak. 5:16).