Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Het gebed van een rechtvaardige ... (1)

Jaargang: 
1
Datum: 
24 jan. 2007
Nummer: 
3
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
11
Rubriek: 

Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des HEREN, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven. Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. (Jer. 29: 11-13)

Biddende kerk

Na de laatste vrijmaking mochten we als kerk verder met onze Here Jezus Christus. Hij gaf ons weer de ruimte om Hem te blijven dienen naar zijn Woord: We mogen elke zondag erediensten houden. Ambtsdragers mogen hun werk doen. We mogen een kerkverband vormen. En plaatselijk is er allerlei activiteit. Verenigingen worden bezocht. Er wordt nagedacht over aanvullend gereformeerd onderwijs. En er is nu een eigen gereformeerd kerkblad: DE BAZUIN. Voor de nodige toerusting. We zouden het idee kunnen krijgen: we zijn goed bezig. Er is heel wat activiteit. We zijn dan klein, zelfs zeer klein, maar ook zó kunnen we de Here dienen. En dat is zeker reden tot dankbaarheid. Maar dat zal ons toch niet tot zelfgenoegzaamheid moeten verleiden. Niet het gevoel voeden, dat wij het toch op eigen kracht nog redelijk voor elkaar hebben. We zullen onze afhankelijkheid van de Here moeten blijven beseffen. En steeds ons handelen moeten toetsen aan zijn Woord. We zullen in alles ook onze dankbaarheid aan de Here moeten kenbaar maken en tonen in ons gedrag. In de eerste plaats in ons gebed richting de Here Zelf. Dat geldt voor onze kerken, dat geldt ook voor ons persoonlijk geloofsleven en het leven in de gezinnen. We moeten een biddende kerk zijn en een biddende kerk blijven. Een kerk die zich in alles verbonden weet met haar Heer en Heiland. En in Hem met onze Vader in de hemel, die ons leven leidt en voor ons zorgt. Zo alleen, bij een open Bijbel en in voortdurend gebed tot Hem, kunnen wij een vertrouwelijke omgang hebben met de Here, onze God. Zo kunnen we staande blijven tegen verdrukking in en tegen verleidingen in. Zo krijgen we van Hem een hoopvolle toekomst.

Here, leer ons bidden

Nu zult u misschien zeggen: maar moeten we daar nu over schrijven? Wordt het bidden dan niet allemaal te rationalistisch, te verstandelijk en daarom te afstandelijk. Want het gebed is toch een intieme zaak? Het is toch iets dat recht uit je hart moet komen? Het gebed is toch eigenlijk veel meer een zaak voor de binnenkamer? Raak je door daar over te schrijven en na te denken, niet het mooie en het spontane van het gebed kwijt? We willen daarop antwoorden, dat dit inderdaad kan. Je kunt zó bidden dat het hart er uit is. Dat alles voorspelbaar wordt of teveel bestudeerd. Dat er een gebed kan ontstaan met mooie volzinnen, maar zonder echtheid en doorleving, als blijken van een levend geloof. Dan is er niet een hartelijke omgang maar een steriele, koele verhouding met God. Ja, het kan te verstandelijk worden. Maar aan de andere kant is het ook gevaarlijk om de rol van kennis en verstand bij het gebed maar weg te cijferen. Want dan wordt de Schrift ook dicht gelaten. En dan verstomt Gods onderwijs uit de Schriften. Dan zouden we de eenvoud van het gebed uitspelen tegen het luisteren naar Gods Woord. Nu, als we maar even Gods Woord zelf aan het woord laten, dan wordt wel duidelijk dat de Here dàt niet wil. Het was de Here Jezus zelf, die zijn discipelen leerde hoe ze moeten bidden (Matt. 6:9). Zij kwamen het Hem zelfs vragen (Luc. 11). Kennelijk waren ze ervan overtuigd dat ze dat niet maar even zelf op een goede manier konden. Zij hadden bij hun Meester zelf kunnen zien wat een belangrijke rol het gebed in zijn leven speelde. Hoe vaak en hoe indringend Hij steeds weer tot zijn Vader in de hemel bad.
Onze belijdenis leert dat het gebed het voornaamste stuk van de dankbaarheid is. Nu, daarvan moeten wij maar niet denken dat wij dat uit onszelf wel kunnen. Nee, we zullen moeten erkennen, dat wij eigenlijk niet eens weten wat wij naar behoren zullen bidden (Rom. 8:26). Ons kennen is onvolkomen en uit onszelf zijn wij onbekwaam tot enig goed. Dat geldt zeker voor onze dankbaarheid en ons gebed. Ook die moeten we leren. Daarvoor is ook de leiding van de Heilige Geest nodig, Die ons duidelijk kan maken wat Gods Woord zegt. Die ons daarover het juiste inzicht kan geven en Die het ons wil eigen maken. Ook daarvoor zullen wij ons gebed tot onze Vader in de hemel moeten richten: om de gave van zijn Geest en het juiste inzicht in zijn Woord.

Verbondsrelatie

Bidden is spreken tot God. Niet zomaar spreken, maar spreken in verbondsverkeer. Wij zijn misschien verleerd wat ‘verbondsverkeer’ concreet inhoudt. Omdat de leer van het verbond naar de Schrift jaren lang genoegen heeft moeten nemen met een ondergeschikte positie.
Wie spreekt over het verbond met God, die spreekt over beloften en eisen. Die spreekt over gaven, maar ook over verplichtingen. Die spreekt over een eerbiedige, nederige en afhankelijke houding tegenover de Here, de God van het verbond. Het verbond komt voort uit Gods liefde maar kent ook zijn eisende kant. Het kent zelfs zijn dreigende aspecten van verbondswraak en toorn, wanneer de eisen van het verbond niet worden nageleefd. En juist die aspecten wil een postmoderne mens zich niet laten opdringen. Dat is voor hem te absoluut, te verplichtend. Een verbond móet je naleven. Dat hoort bij de verbondsovereenkomst. In geval van het verbond met God betekent het, dat je niet alleen beloften krijgt, maar dat je Gods geboden ook móet doen. Dat komt allemaal mee in dat begrip verbond.
Daarom wordt er de laatste tijd meer van een ‘relatie’ gesproken. Dat hoeft op zich niet verkeerd te zijn. Als je dan maar spreekt van een verbondsrelatie. Net zoals een intieme relatie tussen man en vrouw alleen goed is als er sprake is van een huwelijksrelatie, een relatie op basis van het huwelijksverbond. Maar het woord ‘relatie’ kan gaan fungeren als iets vrijblijvends. Het dwingende, het verplichtende van het verbond is er dan vanaf. Maar daarmee ook de duurzaamheid, de verankering en de trouw. Ook krijgt het begrip ‘relatie’ snel iets vlaks, waarbij de partijen die die relatie hebben, gemakkelijk als gelijkwaardig worden gezien.
Zo wordt vaak gesproken: ik heb een relatie met God. Nogmaals, het probleem zit hem niet in het woord relatie zelf. Dat woord betekent niet anders dan verhouding. Maar het probleem ontstaat wanneer het verbònd niet meer genoemd wordt. Want dat betekent meestal dat onze verhouding, onze relatie tot de Here verschoven is. Dat het geen echte verbondsrelatie met de Here meer is. Maar een verhouding naar ònze inzichten, naar ònze wensen. Dan zijn we in ons gebed niet meer eerbiedig en ootmoedig, maar hoogmoedig.
Wij geven daarom de voorkeur aan het schriftuurlijke taalgebruik van Gods verbond met ons, boven dat van het hebben van een relatie met God.

Toegang tot de troon der genade

Voordat we nader spreken over wat de aard van het bidden als spreken in verbondsverkeer is, willen we eerst stilstaan bij de voorwaarde voor ons bidden. Want het verbond dat de basis vormt voor ons bidden is het zogenaamde (I>genadeverbond. Dit genadeverbond is geworteld in het verlossingswerk van onze Here Jezus Christus. Op grond van zijn verzoening kan er weer een levend verbondsverkeer zijn met onze God en Vader. Alleen in Christus, d.w.z. pleitend op de verzoening die Hij teweeg bracht, kunnen wij tot de Vader bidden. Vooral in de brief aan de Hebreeën wordt ons dat heel duidelijk gemaakt, met name in hoofdstuk 9 en 10. Heel mooi en helder wordt ons daarin het verzoeningswerk geschetst in de oudtestamentische en de nieuwtestamentische periode, om het geweldige en unieke van Christus’ verzoeningswerk te benadrukken. In de tempel staat de troon der genade, de ark, waar God zetelt. Daar vlakbij staat het reukofferaltaar (Ex. 30:6), dat symbolisch staat voor de gebeden der heiligen (Openb. 5:8). In het oude testament bevindt zich tussen troon en gebeden een kloof door de zonde: het voorhangsel dat scheiding maakt tussen God in zijn heiligheid en de zondige werken van zijn volk. In het oude testament mocht de hoge priester slechts één keer per jaar, op de grote verzoendag, door het voorhangsel toetreden tot de ark, de troon van God. Door het verzoenend werk van Christus, zijn offer op Golgotha gebracht, is het voorhangsel gescheurd (Matt. 27:51). Dat voorhangsel is toen vervangen door het gebroken lichaam en het vergoten bloed van onze Heiland (Hebr. 10:20). Zo staat nu het reukofferaltaar weer in open verbinding met de ark via het bloed en vlees van onze Here Jezus Christus. Hij heeft zijn offer in het hemelse heiligdom gebracht en staat daar nu als hogepriester aan de rechterhand van God. Daar pleit Hij voortdurend voor de zijnen, wijzend op zijn offer (Hebr. 8:1). Wij mogen via onze Middelaar en het door Hem voor ons gebrachte offer nu in vrijmoedigheid toetreden tot de troon van God (Hebr. 10:19). Deze bemiddeling van Christus hebben we maar al te zeer nodig voor ons gebed. Onze gebeden kunnen alleen in Christus tot God de Vader komen. Want ze zijn in zichzelf onrein en onvolmaakt, ondeugdelijk voor God. Door Christus’ werk als Middelaar en Hogepriester mogen nu toch ook onze gebeden voor Gods troon komen en worden ze zelfs door Hem verhoord.
(wordt vervolgd)