Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Erf en Einder 171

Jaargang: 
1
Datum: 
07 mrt. 2007
Nummer: 
9
Schrijver: 
H.P. de Roos
ID:
41
Rubriek: 



Regeringsdeelname

De vraag of een gereformeerde kan en zelfs mág deelnemen aan het bestuur van deze wereld, die immers in het boze ligt, is dezer dagen weer bijzonder actueel geworden. Immers, ik haalde het de vorige maal reeds aan, christelijke politiek staat antithetisch tegenover alle politiek, die religie en politiek van elkaar wil scheiden. En dat is toch vandaag de teneur, ook in het van ouds gereformeerd georiënteerde Nederland.
CDA en nu ook ChristenUnie hebben daar geen moeite mee. Maar in deze rubriek is het gereformeerde karakter van deze partijen al eerder in twijfel getrokken, zo niet ontkend. Het is nu de SGP, die daarmee wordt geconfronteerd, ook al neemt zij geen deel aan de regering. In de roes van het meetellen heeft zij de vorige maal de schijn op zich geladen hiertoe wel bereid te zijn. Het verschil met de huidige uitspraak van de heer Van der Vlies, dat hij het regeerakkoord niet zou ondertekenen, wordt nu door de media uitgebuit om te bewijzen hoe labiel deze partij is. Wat uiteraard boos opzet is, want de fractieleider heeft nimmer, ook de vorige maal niet, toegegeven wel te willen meedoen.
Dat heeft de CU wel. Al vóór de verkiezingen was duidelijk dat zij gaarne aan de regering zou willen meewerken. Met andere woorden: principieel was zij daar klaar voor. En dat is een gevaarlijk startpunt. Want dat plaatst deze partij op één lijn met het CDA, dat allang het roomse principe huldigt om natuur en genade gescheiden te houden. Dan moge zij enkele punten op haar program hebben, die wat meer zijn aangescherpt dan op dat van het CDA, uiteindelijk zal zij er toch niet in slagen om de goddeloze wetgeving van het paarse beleid terug te draaien. Zodat zij daarvoor uiteindelijk ook verantwoordelijk is. Dr. C.S.L. Janse, oud-hoofdredacteur van het RD zei zeer terecht:

    Er zijn echter, om een klassieke formulering te gebruiken, zonden van bedrijf en van nalatigheid. Wie toetreedt tot een kabinet en zich niet beijvert om apert verkeerde dingen uit het verleden recht te zetten, maakt zich daarmee medeschuldig aan het kwaad. Om in ander verband de catechismus te citeren: wij moeten dan bevreesd zijn dat wij ons “met ons stilzwijgen en toezien zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken.”

Beide partijen, die zich christelijk noemen, leggen zich neer bij de democratische regeernorm: wat eenmaal bij meerderheid is aangenomen, moet worden aanvaard. Waarmee zij uiteraard hun afkomst verloochenen, Gods Woord niet meer de eerste plaats gunnen, alleen om toch maar de wens vervuld te krijgen in deze wereld mee te tellen en dus mee te doen. Een ongeloofsprincipe, die de christennaam tot een aanfluiting maakt.

Kabinetsformatie

Vervolgens kwamen de toekomstige ministers voor het voetlicht, in de oneerbiedigheid en het gebrek aan respect van onze dagen ‘poppetjes’ genoemd. Het uitkiezen van bekwame mannen en vrouwen is geen marionettenspel, maar van zeer groot nationaal belang. Zij zitten vier jaar lang bij de gratie van God aan het hoofd van de natie als leden van de regering, waarvan H.M. de Koningin het hoofd is. Hun macht is afgeleide macht, waartoe zij de gaven hebben ontvangen. We weten dat alles zeer goed, maar moeten er elkaar steeds weer aan herinneren. Opdat we de Here God zien in de gebeurtenissen rondom ons.
De verrassingen die de keuze van de kabinetsformateur opleverden, zijn uiteraard lange tijd produkt van veel journalistieke speculatie. Wat zal ons land opgelegd krijgen en wat zal de bestuurlijke lijn zijn? De ene speculatie volgt de andere. Me dunkt: we kunnen pas oordelen als de ministers werkelijk hun taak hebben aangevat. Want een auto besturen is iets anders dan discussiëren over de soort brandstof die hem moet aandrijven. Maar ik moet wel prof. van Deursen gelijk geven als hij schrijft (ND 20 februari):

    Wie grote verwachtingen heeft van de kabinetsdeelname van de ChristenUnie moet zich realiseren dat de CU een veel slechtere uitgangspositie heeft dan D66 bij Balkenende II. Deze partij hield er ideeën op na die in de Tweede Kamer konden rekenen op brede sympathie: modern, verlicht en anti-christelijk. Het woord christelijk daarentegen heeft in de oren van de meeste Nederlanders een onaangename klank. Kijk maar naar de discussie over de gewetensbezwaarde ambtenaar die geen homohuwelijken wil sluiten.

Markante meningen

Er is een grote bereidheid in de achterban van de ChristenUnie om deel te nemen aan Balkenende IV. Dat wijst op ingrijpende verschuivingen qua mentaliteit. Vergeleken met de meer principiële en antithetische opstelling die voorheen GPV en RPF kenmerkte, kiest men nu voor een pragmatische aanpak.
C.S.L. Janse in Reformatorisch Dagblad 10 februari 2007

Maar houdt onze acceptatie van de democratie ook in dat wij de meerderheid in het kwaad volgen? Dat kan toch niet. En dienstbaar zijn aan de samenleving mag toch niet betekenen dat wij ook dienstbaar zijn aan een veelszins goddeloze samenleving?
idem

In de Uniefundering staat letterlijk dat de ChristenUnie haar politieke overtuiging baseert ,,op de Bijbel, het geïnspireerde en gezaghebbende Woord van God, die door de Drie Formulieren van Eenheid wordt nagesproken” [] Er staat niet dat wij politiek bedrijven overeenkomstig de drie formulieren.
Prof . ir. E. Schuurman Nederlands Dagblad 13 februari 2007

Wie ook maar een beetje verstand van geschiedenis heeft weet dat alleen bange mensen om leiderschap roepen.
NRC/Handelsblad 17 februari 2007